Supermarine
Spitfire Mk XII
![]() |
| De eerste Spitfire Mk Mk IV/XX, DB845, het prototype voor de Spitfire Mk XII, die met een Griffon II B was uitgerust. Hier is de machine uitgerust met de 'C'-vleugelbewapening en vergroot richtingsroer. Uiteindelijk vloog het toestel met ingekorte vleugels. (Foto: Waffen-Arsenal Band 36) |
Elke grote stap die werd gedaan in de ontwikkeling van de Spitfire was volledig verbonden met de beschikbaarheid van sterkere motoren. De met de Merlin uitgeruste Mk V en Mk IX waren numeriek de belangrijkste van de Spitfire-varianten, maar ze waren niet de representanten van de uiteindelijke ontwikkeling van de Spitfire. Reeds van bij het begin in 1939 was het ontwerpteam te Woolston op zoek naar motoren die in aanmerking kwamen voor de vervanging van de Rolls-Royce Merlins. De mogelijke vervangers waren de Rolls-Royce Exe en de Rolls-Royce 26 P1 injectie V-motor. Enkel de Rolls-Royce 37 - die in productie ging als de Griffon - scheen over voldoende potentieel te beschikken om met succes in de Spitfire te worden ingebouwd.
Alhoewel de Griffon slechts een in geringe mate grotere frontale oppervlakte bezat dan de Merlin waren zijn kubieke capaciteiten meer dan een derde groter en leverde 1.700 pk en meer. Dit was ongeveer 50% meer dan de Merlin die in 1940 in productie was. Om toe te laten dat het onderzoek naar de Spitfire/Griffon combinatie werd verder gezet had het Air Ministry in het begin van 1940 de opdracht gegeven voor het bouwen van twee prototypes. (Dit waren de eerste Spitfires die niet als productievliegtuigen waren besteld sinds de bestelling van het eerste prototype van 1936. Vijf andere prototypes die allen met de Griffon moesten worden uitgerust werden pas later besteld.)
De ontwikkeling van de Spitfire met de Griffon begon als Supermarine Type 337 en werd aanvankelijk parallel uitgevoerd aan de ontwikkeling van de Mk III. Het prototype werd Spitfire Mk IV genoemd en kon als gelijke van de Mk III worden beschouwd. Het enige verschil tegenover de Mk III was de installatie van een Rolls-Royce Griffon II B die 1.735 pk leverde en een vierblad propeller aandreef. Deze combinatie leek zo veelbelovend dat een productiecontract voor 750 Spitfire Mk IV's gerechtvaardigd leek. Deze bestelling werd geplaatst nog voordat het eerste prototype Mk IV zijn maidenflight uitvoerde - deze had plaats op 27 november 1941. In het begin van 1942 werd er beslist om Mk-nummers toe te kennen aan de ganse serie PR (Photo Reconnaisance) Spitfires die ondertussen waren ontwikkeld uit de Spitfire Mk I. Aanvankelijk droegen deze toestellen Type-nummers van A tot G. Dit resulteerde in de benamingen PR Mk I tot Mk VI. Van deze toestellen werd de PR Mk IV (oorspronkelijk Spitfire D) in beperkte aantallen ingezet. Om verwarring te voorkomen met de twee prototypes die met de Griffon-motoren waren uitgerust kregen deze de benaming Mk XX. De verdere ontwikkeling ervan leidde naar de benaming Mk 21.
De eerste Spitfire Mk IV/XX bezat de oorspronkelijke kleine staarteenheid, het intrekbaar staartwiel en de ronde luchtinlaat voor de olieradiator zoals in gebruik bij de Mk III. Zijn meest opmerkelijke externe verschil bestond uit de 'bultbekleding' over de twee cilinderblokken van de Griffon. Deze twee bulten waren noodzakelijk daar de motor niet in de oorspronkelijke vorm van de motorkap paste.
![]() |
| Spitfire Mk Mk IV/XX, DB845, met Griffon II B. (Foto: Waffen-Arsenal Band 36) |
In het begin van 1943 ging de Spitfire Mk XII in
![]() |
| De eerste Spitfire Mk XII's werden door no. 41 Sqdn ingezet als jachtbommenwerpers. (Foto: Waffen-Arsenal Band 36) |
![]() |
| De Spitfire Mk XIV met zijn vijfblad propeller. (Foto: Waffen-Arsenal Band 36) |
De productie van de Spitfire Mk XIV (Supermarine Type 379), die geproduceerd werd door de verspreid gelegen fabrieken van Supermarine in Zuid-Engeland, bedroeg in totaal 957 toestellen. In dit totaal was een aanzienlijk aantal FR Mk XIV E's inbegrepen. Deze variant werd gekenmerkt door een schuin gemonteerde camera in bakboordzijde van de romp als toevoeging aan de bewapening en een bijkomende brandstoftank van 150 l die in het achterste gedeelte van de romp was ondergebracht. Alle FR versies, die als dusdanig waren uitgerust, hadden de verlaagde romp en het cockpitdak met 360° rondzicht. Wegens een vermindering van de lengtestabiliteit bij deze varianten werd er nog eens een groter richtingsroer geïnstalleerd. De FR Mk XIV's vlogen bovendien dikwijls met de ingekorte vleugels daar hun hoofdtaak erin bestond te opereren als tactische verkenner voor lage hoogtes.
De leveringen van de productietoestellen begonnen in oktober 1943 en deze nieuwe Spitfire begon zijn dienst in januari 1944 met No. 610 Sqdn. Na de korte inwerkperiode keerde deze eenheid in mei terug in de actieve dienst en kwam een maand later boven Zuid-Engeland in actie als patrouille tegen de V1's.
![]() |
| Spitfire F Mk XVI E in dienst bij no. 322 Sqdn dat met Nederlands personeel was bezet. (Foto: via Air International - april 1985) |
In de loop van 1944 werd de Mk XVIII ontwikkeld als opvolger voor de Mk XIV. Uiterlijk was de Spitfire Mk XVIII (Supermarine Type 394) niet te onderscheiden van
![]() |
| Een Spitfire FR Mk XVIII van no. 32 Sqdn. (Foto: via Air International - april1985) |
Ondertussen was de ontwikkeling van de Spitfire 21 (Supermarine Type 356) slechts traag gevorderd. Het toestel dat aanvankelijk was omgebouwd tot het tweede prototype voor de Mk IV/XX was in december 1942 teruggekomen als het eerste prototype voor de Mk 21. In mei 1943 werd het afgeschreven en gevolgd door een nieuw prototype voor de Mk 21 dat als zodanig was besteld en op 24 juli 1943 voor de eerste maal vloog (twee andere bestellingen voor een prototype Mk 21 werden afgewerkt in de marinevorm Seafire 21). Zoals het eerste prototype waren het tweede prototype en de productie Spitfire Mk 21, die voor het eerst vloog op 27 januari 1944, oorspronkelijk uitgerust met de verlengde vleugels. Met uitzondering van het eerste vliegtuig werden ze daarna voorzien van een nieuwe vleugel. Deze was ontworpen voor het bereiken van betere prestaties en een betere bestuurbaarheid van de nieuwe variant. Deze nieuwe vleugel was uitgerust met rolroeren die 20 cm langer waren dan bij de vorige modellen. Daardoor moesten ook de vleugeltippen opnieuw aangepast worden. Uiteindelijk bedroeg de spanwijdte 11,25 m en was het oppervlak ongeveer 20 cm² groter geworden.
Structureel was deze vleugel versterkt door een dikkere bekleding en aangepaste binnenste versterkingen. De brandstofvoorraad in de vleugelwortel was 25 l groter.
![]() |
| Het prototype SX549 als een Mk 21. (Foto: Waffen-Arsenal Band 36) |
![]() |
| Spitfire F Mk 21 LA187. (Foto: Waffen-Arsenal Band 36) |
![]() |
| Het tweede productie-exemplaar van de Mk 21, LA188. (Foto: via Air International - april 1985) |
Kort voor het einde van de oorlog in Europa werd de Mk 21 door de Mk 22 opgevolgd waarvan het prototype enkel als romp was besteld.
![]() |
| De verschilde van de F Mk 21 door zijn veranderd cockpitdak dat een 360° rondomzicht toeliet. De eerste leveringen begonnen in maart 1945. |
![]() |
| De latere Mk 24's werden uitgerust met de vleugelkanonnen met korte loop. |
De aantallen van de verschillende modellen van de Spitfire die geproduceerd werden zijn vermeld in de vorige teksten. Om aan een algemeen totaal te komen van de Spitfires die gevlogen hebben en die werden ingezet is het nodig om bij deze de aantallen van de PR-toestellen op te tellen die niet in de teksten zijn vermeld en rekening te houden met veranderingen, prototypes en enkele bijzondere gevallen. Verschillende aantallen die elders worden vermeld zijn niet noodzakelijk fout maar een algemeen totaal van 20.351 toestellen dat hier is aangegeven mag worden beschouwd als het enige juiste.
De basis voor het berekenen is de' bouw en vliegfactor ', deze omvat ook enkele Spitfires die verloren gingen tijdens vliegtesten bij de fabrieken of die verloren gingen tijdens het overbrengen naar de RAF-eenheden waardoor ze niet in de getalsterktes werden opgenomen De getallen van de geleverde vliegtuigen zijn dus lager dan deze die werden aangegeven aan de productiebanden. Bovendien zijn er aantal Spitfires in verschillende bouwstadia verloren gegaan in de Supermarine fabriek van Woolston tijdens het bombardement van 26 september 1940. Deze toestellen waren wel voorzien van serienummers maar na het verlies werden deze nummers aan andere toestellen toegekend. Ook uitgesloten zijn drie toestellen die wel werden gebouwd en voorzien waren van serienummers maar die nooit hebben gevlogen (N3296 werd enkel als romp geleverd en N3298/9 werden geleverd als sets niet gemonteerde onderdelen voor gebruik door CBAF).
Van het volledige totaal werd er slechts één toestel gebouwd dat niet in een contract van het Air Ministry was vermeld. Deze uitzondering was de Mk I die in de tweede helft van 1939 naar Frankrijk werd geëxporteerd. Alle andere exporttoestellen waren afleidingen van RAF-contracten, ook de N17 behoorde daartoe. Hier volgt nu de productielijst:
| Mk I: | 1.517 door Supermarine en 50 door Westland | 1.567 |
| Mk I PR Spec: | 2 door Supermarine (Merlin III, extra lang bereik) | 2 |
| Mk II: | 921 door CBAF | 921 |
| Mk III: | 2 door Supermarine | 2 |
| Mk IV (PR): | 229 door Supermarine | 229 |
| Mk V: | 94 Mk V A, 776 Mk V B, 478 Mk V C en 15 PR type F door Supermarine, 2.295 Mk V B en 1.494 Mk V C door CBAF, en 140 Mk V en 495 Mk V C door Westland | 6.487 |
| Mk VI: | 100 door Supermarine | 100 |
| Mk VI: | 100 door Supermarine | 100 |
| Mk VII: | 140 door Supermarine | 140 |
| Mk VIII: | 1.658 door Supermarine | 1.658 |
| Mk IX: | 561 door Supermarine en 5.095 door CBAF | 5.656 |
| Mk X: | 16 door Supermarine | 16 |
| Mk XI: | 471 door Supermarine | 471 |
| Mk XII: | 100 door Supermarine | 100 |
| Mk XIV: | 957 door Supermarine | 957 |
| Mk XVI: | 1.054 door CBAF | 1.054 |
| Mk XVIII: | 300 door Supermarine | 300 |
| Mk XIX: | 224 door Supermarine | 224 |
| Mk 21: | 120 door CBAF | 120 |
| Mk 22: | 27 door Supermarine en 260 door CBAF | 287 |
| Mk 24: | 54 door Supermarine | 54 |
| Prototypes : | 6, waaronder het origineel toestel, een Mk IV/XX, een Mk XX/21 een Mk 21, een Mk 22 en een Mk XIX. Andere prototypes waren veranderingen van toestellen die besteld waren en in de productietotalen zijn inbegrepen. De twee Mk 21 cellen die besteld en gebouwd werden als Seafire 45 prototypes zijn in het totaal inbegrepen. | 6 |
De Duitse invasie van Noorwegen in 1940 zorgde ervoor dat de RAF zijn aandacht ook op watervliegtuig-jagers richtte en het gevolg daarvan was dat de overweging werd gemaakt om Spitfires en Hurricanes met standaard Blackburn Roc vlotters uit te rusten. Eén Spitfire Mk I werd te Woolston met Roc vlotters uitgerust en voorzien als testvliegtuig (Type 342). Er werd met dit toestel niet gevlogen daar het einde van de Noorse campagne ook de interesse van de RAF in dit soort vliegtuigen deed afnemen. Het toestel werd terug in zijn oorspronkelijke vorm omgebouwd.
In 1941 herleefde de interesse voor een watervliegtuig en Folland Aircraft Ltd te Eastleigh kreeg de opdracht voor de constructie van een paar vlotters met een lengte van 7,8 m die ontworpen waren door Supermarine. Supermarine plaatste vervolgens deze vlotters onder een Spitfire Mk V B.
![]() |
| De enige Spitfire Mk IX die door Folland Aircraft tot watervliegtuig werd omgebouwd. |
Zoals de meeste andere jagers van zijn tijd kreeg de Spitfire nogal wat interesse van potentiële buitenlandse kopers en tegen 1938 had Supermarine aanbiedingen gekregen voor niet minder dan 220 exemplaren. Er waren toen specifieke noteringen verzonden naar negen buitenlandse regeringen en er werden er nog drie klaargemaakt. Het was duidelijk dat het voor de firma moeilijk zou worden om aan de buitenlandse bestellingen te voldoen omdat ondertussen ook aan de contracten voor de RAF moesten worden voldaan. De RAF verwachtte (nogal onrealistisch) de eerste 150 Spitfire Mk I's tegen oktober 1938 en kantte zich tegen elke exportlevering voordat aan deze eis was voldaan.
In antwoord op de navraag van de fabrikanten en in overleg met de Chief of the Air Staff stelde het Foreign Office in volgorde van prioriteit een lijst op van 12 potentiële cliënten. Frankrijk stond aan de top van de lijst en toonde interesse voor ' drie of meer ' exemplaren maar in maart 1939 werd er een contract afgesloten voor slechts één toestel daar er zich moeilijkheden voordeden met de toevoer. De Spitfire Mk I van het Franse contract maakte zijn eerste vlucht op 25 mei 1939 te Eastleigh en vloog met RAF camouflagekleuren maar was wel voorzien van franse nationaliteitskentekens en het B-klasse nummer N21. De machine onderging zijn evaluatietesten in Frankrijk en was ten tijde van de Duitse bezetting in Orléans waar ze, naar men aanneemt, werd buitgemaakt.
Op 2 maart 1939 werd er een contract afgesloten door Supermarine met Estland voor 12 Spitfire Mk I's. de eerste twee daarvan moesten geleverd worden tegen augustus 1939 en de rest tegen juni 1940. Ze moesten in plaats van met de Britse Browning G's met FN Brownings worden voorzien en kregen het Supermarine Type nr. 332. Er zouden twee toestellen worden overgenomen van een RAF contract (de 260ste en 261ste Mk I) maar deze werden terug aan de RAF toegewezen toen Estland een niet-aanvalsverdrag had ondertekend met Duitsland. Het contract werd vernietigd.
Andere contracten voor de Spitfire die in 1939 een gevorderd stadium hadden bereikt waren deze die ondertekend waren met Griekenland (Supermarine Type 335), Portugal (Supermarine Type 336) en Turkije (Supermarine Type 341). Bij het uitbreken van de oorlog werden deze exportplannen op de lange baan geschoven (alhoewel er later toch nog enkele toestellen werden geleverd.) Twee van de reeds 15 ingescheepte Spitfires van een RAF contract voor Turkije werden uiteindelijk in 1940 verzonden maar niet geleverd. Ze werden in het Midden Oosten achtergehouden en later door de RAF ingezet. Voorheen (in 1939) was er een enkel exemplaar naar Polen verstuurd maar werd onderweg langs Turkije omgeleid toen de Poolse weerstand in elkaar zakte.
Alhoewel Turkije één van de twee vreemde naties was die een Spitfire ontvingen voor (of reeds na) het uitbreken van de oorlog bleef het neutraal tot op 1 maart 1945. Toen verklaarde Turkije de oorlog aan Duitsland. Als een deel van de diplomatieke inspanningen om Turkije gunstig gezind te houden ten opzichte van de geallieerde zaak werden er beperkte militaire leveringen mogelijk gemaakt en daaronder waren er ook verschillende Spitfire Mk V B's (met tropenfilters) voor het oprichten van een Sqdn in 1944. Latere varianten van de Spitfire werden na de oorlog geleverd.
De vooroorlogse bestelling van Portugal voor 15 Spitfire Mk I's moest geleverd worden tegen maart 1940. Toen alle lopende contracten voor militaire leveringen werden herzien na het uitbreken van de oorlog, stemde het Air Ministry erin toe om 12 Spitfires van de RAF-productie tegen de herfst van 1940 naar Portugal om te leiden. Maar nadat Duitsland ook de Lage Landen en Frankrijk was binnengevallen liet men dit plan varen. De leveringen van de Spitfire Mk I aan Portugal werden in 1942 herzien en toen kon de RAF gemakkelijk 18 toestellen van de Mk I-variant missen. In november 1942 begonnen de eerste toestellen in Portugal toe te komen en werden daar gebruikt voor het oprichten van een Sqdn op de Tancos Aerial Base, later werd de eenheid overgeplaatst naar Ota. Onder de bepalingen van het Azoren-Akkoord leverde Engeland vanaf oktober 1943 bijkomende militaire steun naar Portugal. Hiervoor werden 33 Mk V B's (ex RAF) overgedragen die werden gebruikt om twee Sqdn uit te rusten die eveneens op Ota waren gestationeerd. Na het einde van de oorlog werden er nog enkele bijkomende toestellen overgedragen.
Een derde neutrale staat, Egypte, ontving ook militaire leveringen van de geallieerden in ruil voor het gebruik van bases en andere indirecte steun. Deze leveringen bestonden uit Mk V C's (tropenfilter) in genoeg aantallen om een volledig Sqdn van de Egyptische Luchtmacht uit te rusten.
De Spitfire vloog tussen 1941 en 1945 in de kleuren van veel verschillende geallieerde naties als gevolg van onderlinge regeringsovereenkomsten of door leveringen van vliegtuigen aan strijdende eenheden te velde. Daarbij kwam nog dat veel Spitfire-squadrons bij de RAF bemand werden door personeel van de Commonwealth of vreemde naties die met de RAF kleuren vlogen. In dit geval waren niet minder dan 11 RCAF sqdns, 4 RAAF Sqdns en een RNZAF Sqdn die naast Britse bemanningen boven het UK, Europa en het Midden-Oosten op de Spitfire vlogen.
De eerste Sqdns van de RCAF die op de Spitfires vlogen waren No. 403 en No. 411 Sqdn, respectievelijk vanaf mei en juni 1941. Dit waren trouwens de enige Canadese eenheden die op de Spitfire Mk I vlogen vooraleer ze overstapten op de Mk II, V, IX en tenslotte de Mk XVI. Deze eenheden werden gevolgd door No. 412, 401, 416, 417, 402 en No. 421 Sqdn, in deze volgorde. Deze eenheden waren aanvankelijk uitgerust met de Mk II of Mk V. De meeste van deze Sqdns werden operationeel ingezet vanaf bases in het UK en begaven zich later naar NW-Europa waar ze uitgerust werden met de Mk IX en/of Mk XVI. Eén uitzondering daarop was No. 417 Sqdn dat van Engeland naar het Midden-Oosten ging en later, uitgerust met de Mk VIII, opereerde in de Westelijke Woestijn en Italië. Ter voorbereiding van D-day verplaatste Canada zes van zijn thuis-sqdns naar Engeland en drie ervan werden uitgerust met Spitfire V B's en IX's. Ze kregen de nieuwe nummers No. 441, 442 en No. 443 Sqdn voor hun dienst bij de 2 TAF.
Het enige RNZAF Sqdn dat bij het Fighter Command op de Spitfire vloog was No. 485 Sqdn, het was tevens het eerste sqdn van de Commonwealth eenheden dat in Engeland werd opgericht. In april 1941 werd het operationeel. Deze eenheid opereerde achtereenvolgens met de Mk I, II, V en IX vanaf een basis in Engeland en later, na D-day vanaf een Europese basis.
No. 452 Sqdn was de eerste Australische eenheid van het Fighter Command die in april 1941 met Spitfire Mk I's werd uitgerust en nadien met de Mk II en Mk V vloog. Tezamen met No. 457 (RAAF) Sqdn dat twee maand later in Engeland werd opgericht en No. 54 RAF Sqdn begaf deze eenheid zich naar Australië voor de verdediging van dit continent. Voor de uitrusting van deze drie eenheden (die samen de No. 1 Fighter Wing van de RAAF vormden) en No. 79 en No. 85 (RAAF) Sqdn werden er in 1941/42 247 Spitfire Mk V C's naar de RAAF overgeheveld (plus nog een twaalftal toestellen voor het geval er enkele mochten verloren gaan bij de overbrenging). De meeste van deze toestellen kregen Australische serienummers en kentekens. In 1944, toen de drie Sqdns van de No. 1 Wing en No. 79 Sqdn met de Mk VIII waren uitgerust, waren er in totaal 251 F Mk VIII's en 159 HF Mk VIII's overgedragen aan de inventaris van de RAAF. Om toe te laten dat No. 452 en No. 457 Sqdn uit de operaties in het gebied van New-Guinea werden teruggetrokken werden No. 548 RAF en No. 549 RAF Sqdn in Australië opgericht en uitgerust met de Mk VIII. No. 79 Sqdn vloog operationeel zowel met de Mk V C en Mk VIII in en rond de gebieden van New-Guinea. Ondertussen was No. 451 (RAF) Sqdn rechtstreeks van Australië overgevlogen naar het Midden-Oosten. Aanvankelijk was deze eenheid uitgerust met Hurricanes maar dan, in het begin van 1943, werd ook deze eenheid uitgerust met de Mk V C's. Kort nadien vloog de eenheid op de Mk IX en Mk XVI en voerde met deze toestellen operaties uit boven Italië en Frankrijk. Tenslotte werd No. 451 overgeplaatst naar het UK en voerde van daar uit operaties uit boven NW-Europa. Toen No. 452 en No. 457 Sqdn van Europa naar Australië waren overgevlogen werd er een andere Australische eenheid, No. 453 Sqdn, in Engeland hervormd en vloog achtereenvolgens op de Spitfire Mk V's, Mk IX's en Mk XVI's. Na de oorlog vloog deze eenheid Op de Mk XIV. In 1943 vloog het Sqdn ook met een klein aantal Mk VIII's.
Ook Zuid-Afrika, een andere natie van het Britse Commonwealth, leverde een grote bijdrage aan de geallieerde oorlogsinspanning. In dit specifieke geval behielden de eenheden echter hun identiteit en droegen SAAF kentekens in plaats van de Britse kentekens. In de loop van de oorlog vlogen er 10 Zuid-Afrikaanse Sqdns met Spitfires, en werden bijna uitsluitend in Noord-Afrika en boven Sicilië en in Italië ingezet als onderdeel van de Geallieerde Luchtmacht in het Middellands Zeegebied (Mediterean Allied Air Force). Het No. 1 SAAF Sqdn vloog vanaf november 1942 met de Spitfire Mk V B en werd een paar maand later door No. 40 Sqdn versterkt. Deze laatste eenheid was gespecialiseerd in tactische verkenningen en velen van zijn Spitfires waren uitgerust met de schuin gemonteerde camera's die achter de cockpit waren gemonteerd. Voor het eind van 1943 waren No. 2, 4, en No. 7 Sqdn overgestapt op de Mk V's en No. 3, 9, 19, 11 en No. 41 Sqdn vloog op de Mk V en/of Mk IX in 1944.
Eenheden van de Indiase Luchtmacht vlogen met de Spitfire vanaf het midden van 1944 naast de RAF Sqdns die ook op dit type vlogen in India en Birma. Eén enkele Mk V C was het eerste toestel die door de IAF werd ingezet Het toestel vloog met No. 4 (IAF) Sqdn te Cox's Bazar op de vooravond van de derde Arakan-campagne. No. 8 (IAF) Sqdn begon vanaf november 1944 in Risalpur op de Spitfire Mk V C over te stappen en werd daarna vanaf januari 1945 ingezet met de Mk VIII voor operaties vanaf Cox's Bazar. Deze eenheid voerde nog later jabo-opdrachten tegen Birma. No. 4 (IAF) Sqdn was tegen mei 1945 operationeel op de Spitfire Mk VIII en No. 9 en No. 10 (IAF) Sqdn was zich aan het inwerken op hetzelfde type toen de gevechten tegen de Japanners in Birma op hun eind liepen om tenslotte in augustus volledig te stoppen. Een Mk VIII voerde op 13 augustus de laatste IAF-operatie uit in WO II, het toestel dropte daarbij voorraden voor een kleine groep guerrilla's die achter de vijandelijke linies opereerden.
Vanaf 1940 was de RAF in staat om een aantal Sqdns te vormen waarvan de bemanning volledig of gedeeltelijk was gevormd uit de verschillende naties die door de Duitsers onder de voeten waren gelopen. Dit gold niet alleen voor de piloten maar ook voor het grondpersoneel. Veel van deze eenheden vlogen vanaf het begin van hun oprichting met de Spitfire, anderen vanaf een later tijdstip. Voor het grootste deel vlogen deze eenheden onder het operationele commando van de RAF in Engeland, en, zoals een groot deel van de eenheden van het Fighter Command, vlogen later als een onderdeel van de 2TAF of bij de ADGB.
![]() |
| De machine van de CO van no. 303 (Pools) Sqdn. |
Bij het Fighter Command kwamen er in november 1941 nog eens zeven Spitfire-eenheden bij die gevormd waren met Frans personeel en daar kwamen later nog eens twee eenheden bij die onder rechtstreeks Frans bevel stonden. Het eerste Sqdn van de Force Aérienne Française Libre (Vrije Fransen) dat bij de RAF werd opgericht was No. 340 (Frans) Sqdn dat aanvankelijk bestond uit personeel van de GC 1 van het Armee de l" Air. De eenheid werd operationeel op 29 november 1941 en was uitgerust met de Spitfire Mk II. Nadien werden No. 341 Sqdn, 345 en No. 329 Sqdn gevormd en zoals No. 340 Sqdn opereerden ook deze eenheden vanaf bases in Engeland en waren achtereenvolgens met verschillende varianten van de Spitfire uitgerust. No. 326 (Frans) Sqdn, 327 en No. 328 Sqdn werden op Corsica en in Noord-Afrika gevormd. Ze werden respectievelijk gevormd uit de vroegere GC 2/7, GC 1/3 en GC 1/7. Deze eenheden waren operationeel gedurende de strijd in Italië en herwonnen hun vaderland met de oprukkende geallieerde troepen in Zuid-Frankrijk. Ook een andere Franse eenheid, GR 2/33 'Savoie', werd in 1944/45 uitgerust met Mk IX's. GC 2/18 'Saintigne' dat in Frankrijk was gevormd na de bevrijding vloog op Mk V's en na de oorlog op Mk IX's.
Er vloog ook nog een Italiaanse eenheid, 20 Gruppo, 51 Stormo, van de meestrijdende Italiaanse Luchtmacht op Spitfires. Deze eenheid had 33 toestellen van de RAF toegewezen gekregen in het veld. Ze werd op 23 oktober 1944 operationeel en opereerde vanaf Italiaanse bases tot aan het eind van de oorlog.
Vanaf augustus 1941 vlogen er Amerikaanse piloten op de Spitfire toen het 71st Sqdn, het eerste van de drie 'Eagle' Sqdn die door vrijwilligers bemand waren, hun Hurricanes inleverden voor Spitfire Mk II A's. Het 121st en 133rd volgden kort voor het einde van het jaar. Vanaf dit moment tot 29 september 1942 opereerden de drie ' Eagle ' Sqdns bij het Fighter Command en voerden acties uit zoals grondaanvallen, escorteren van bomenwerpers en ander gelijkaardige opdrachten.
Toen werden de ' Eagle ' Sqdns onder USAAF commando geplaatst als onderdeel van de 8th AF (daar kregen ze de benaming 334th, 335th en 336th Pursuit Sqdn 4th Wing). Hun eerste opdracht was een jageraanval langs de Franse kust. Nadat de drie sqdns bij de 8th AF waren ingelijfd werden hun Britse kentekens vervangen door Amerikaanse. In maart 1943 gaven ze hun Spitfires dan af voor de P-47 Thunderbolt.
De Britse jagers bleven echter hun dienst doen bij de Amerikaanse Luchtmacht. Vanaf het midden 1942 werden er een 600 tal Spitfires (en ook alle andere mogelijke types) beschikbaar gesteld van Amerikaanse eenheden die nog niet over hun eigen toestellen beschikten. Deze vliegtuigen werden in een soort 'omgekeerde' Pacht- en Leenwet aan de Amerikanen overgedragen.
De eerste van deze zogenaamde Amerikaanse Spitfires werden gebruikt voor de uitrusting van drie Sqdns (307th, 308th en 309th) van de 1st Fighter Group. Deze Group was in juni 1942 in Engeland aangekomen maar beschikte nog niet over eigen vliegtuigen. Spoedig volgden er drie nieuwe Sqdns (2nd, 4th en 5th) van de 52nd Fighter Group. Deze twee Groups vlogen als onderdelen van de 8th AF tot begin oktober respectievelijk 1.286 en 83 operationele vluchten met hun Spitfire V's. In oktober werden deze eenheden dan uit de acties teruggetrokken en overgedragen aan de 12th AF om deel te nemen aan Operation Torch, de geallieerde landingen in Noord-Afrika die op 8 november 1942 begonnen. Ook de 67th Observation Group (12th, 107th, 109th en 153rd Sqdn) van de 8th AF was bij zijn aankomst in september 1942 in Engeland met Spitfire V's uitgerust geworden en zette deze in voor verschillende ondersteuningopdrachten en vlogen tezamen met RAF-eenheden verschillende aanvallen totdat ze naar de 9th AF werden overgeplaatst en in november 1943 werden uitgerust met de P-51 Mustang. Er werden ook verschillende Spitfires door de 350th FG tegen het eind van 1942 in Engeland gebruikt als trainingstoestellen voordat deze eenheid met de 12th Air Force werd ontplooid in Noord-Afrika.
Voor de Operation Torch ontvingen de 31st FG en 52nd FG Spitfire V's met tropenfilters en bezaten de gebruikelijke Britse woestijncamouflage. Deze toestellen droegen RAF serienummers en Amerikaanse kentekens. Ze werden in zware gevechten verwikkeld en hielpen de geallieerden bij het verzekeren van de absolute luchtsuperioriteit tegen het tijdstip dat de As-strijdkrachten zich in 1943 overgaven.
Beide Fighter Groups vlogen bij de aanval op Sicilië op Spitfire V's en bij de invasie in Italië vlogen ze met Spitfire Mk VIII en Mk IX's. In maart 1944 werden de 31st en 52nd FG overgeplaatst van de 12th AF naar de 15th AF die eveneens in het Middellands Zeegebied actief was maar werden toen uitgerust met P-51's. Dit betekende tezelfdertijd het einde van de Spitfire bij Amerikaanse eenheden, alhoewel er een aantal Spitfires in de kleuren van de US bleven vliegen tot aan het eind van de oorlog.
Op 1 oktober 1941 hadden vertegenwoordigers van de Britse, Amerikaanse en de Sovjetregering het eerste van vier Verdragen ondertekend met betrekking op het leveren van grote hoeveelheden vliegtuigen en ander oorlogsmateriaal door de Britten en Amerikanen aan de Russen. Onder de door de Britten geleverde toestellen vormden de Spitfires de tweede grootste groep (de Hurricane werd nog in groter aantallen geleverd). Ondanks de dringende behoeften van de RAF aan Spitfires werd er een eerste groep van 143 Spitfire Mk V B's geleverd in de eerste helft van 1943. Deze toestellen werden naar Basrah verscheept en daar door Sovjetpiloten in ontvangst genomen.
In 1943/44 leverde Engeland 1.188 Spitfire Mk IX's aan de Sovjet Unie. Met uitzondering van twee toestellen waren dit allen LF Mk IX standaardversies met ingekorte vleugels en het brede richtingsroer. In 1942 opereerden voor een bepaalde periode nog twee bijkomende Spitfire PR Mk IV's verkenningstoestellen vanaf Vaenga, in de buurt van Moermansk die tot No. 1 PRU behoorden. Deze twee toestellen werden later ook aan de Russen overgedragen. De 'Russische' Spitfires werden ingezet door Jachtregimenten die samen de IA PVO (Luchtverdediging Jachtvliegtuigen) vormden. Sommige toestellen werden aan plaatselijke modificaties onderworpen. Zeker één Mk IX werd omgebouwd tot trainingstoestel met twee zitplaatsen, de tweede zetel was ondergebracht in de romp onmiddellijk achter de originele cockpit. Er werd daarbij gebruik gemaakt van een tweede verschuifbaar cockpitdak met tussen de twee daken in een transparante bekleding.
De laatste ontwikkelingsfase van enige betekenis die aan de Spitfire werd uitgevoerd door Supermarine bestond uit een tweezitter trainingsvariant, alhoewel er nog tijdens de oorlog in het veld reeds verschillende modificaties in deze richting waren uitgevoerd. Het voorstel van Supermarine, dat reeds in 1941 naar voor was gebracht, om een tweezitter trainingstoestel te ontwikkelen, was op niets uitgelopen. In 1948 bleek er echter een potentiële markt te bestaan voor zo een toestel, daarbij kon men gebruik maken van overtollige RAF toestellen. Een Spitfire Mk VIII (MT818) werd gemodificeerd om als prototype dienst te doen. Door de brandstofvoorraad te beperken was het mogelijk om de cockpit 34 cm naar voor te verplaatsen en zo plaats te maken voor een tweede 'verhoogde' cockpit. Deze was onmiddellijk achter de originele geïnstalleerd en voorzien van alle benodigde instrumenten. Het toestel behield vier G's in de vleugels en in plaats van de kanonnen werd er een extra brandstoftank gemonteerd. Gelijkaardige modificaties van Mk IX's werden verkocht aan India (10), Ierland (6), Nederland (3) en Egypte (1).
Na de oorlog werd de Spitfire nog door talrijke naties gebruikt en gedurende de 50er jaren was hij nog in grote groepen beschikbaar (ex-RAF exemplaren). Bij de RAF bleef het toestel in dienst tot in 1952, bij No. 80 Sqdn dat op Mk 24's vloog. Dit was een jaar nadat de RAuxAF zijn Spitfire Mk 22's had omgewisseld voor straalvliegtuigen.
Nu, 50 jaar na het einde van de oorlog, is de Spitfire nog steeds het zinnebeeld van de Engelse weerstand in de lucht tegen de As-strijdkrachten. Het vliegtuig was één van de beste allround jachtvliegtuigen die er ooit werden gebouwd en zal steeds een goede herinnering beteken voor de mannen die ermee vlogen. Nu (jan 93) zijn er nog slechts een handvol vliegwaardige Spitfires overgebleven (het merendeel in Engeland) en overal waar ze verschijnen veroorzaakt het onmiskenbare geluid van hun Merlin, of het diepe grollen van de Griffon, en gevoel dat iedereen doet opkijken om een blik te kunnen werpen op de simpele zuivere lijnen van Mitchell's meesterwerk.
| Motor : | Rolls-Royce Griffon 64 12 cilinder V- vloeistofgekoelde motor, leverde 1.520 startpk bij 2.750 t/m en 2.375 pk op 380 m. Vijfblad Rotol CS propeller. Interne brandstofvoorraad 545 l, mogelijkheid om een afwerpbare brandstoftank van 409 l mee te nemen. |
|---|---|
| Prestaties : | Maximale snelheid: 628 km/u op zsh, 724 km/u op 5.975 m Kruissnelheid : 370-394 km/u op 6.095 m Maximaal bereik (interne brandstofvoorraad): 933 km (afwerpbare brandstoftank) 1.533 kg Aanvang klimsnelheid: 24,79 m/sec Hoogteplafond : 13.105 m |
| Gewicht : | Leeg: 3.247 kg Normaal : 4.490 kg Maximaal : 5.121 kg |
| Afmetingen : | Spanwijdte: 11,26 m Lengte : 10,04 m Hoogte : 4,12 m Vleugeloppervlakte : 22,63 m² |
| Bewapening : | Vier 20 mm Britse Hispano Mk II kanonnen met 175 granaten voor binnenboordwapens en 150 granaten voor buitenboord wapens. Mogelijkheid voor een 113 kg bom onder elke vleugel en een 227 kg bom onder de romp mee te nemen. |
Bronnen :
Air International april 1985 Spitfire: Simply Superb (part tree)
Scale Aircraft Modeller Volume 17 nr. 2 april 1995 "Britse vliegtuigen in gebruik bij de USAAF"
Alle foto's © Imperial War Museum konden gepubliceerd worden na contact met Mr. Geoff O'Connor -- GOconnor@iwm.org.uk--
en dank zij de vriendelijke toelating van Mr.Ian Carter --ICarter@iwm.org.uk-- van het I.W.M.