Messerschmitt
Me 262 Schwalbe
Operationele inzet
| Messerschmitt Me 262 A-1a in volle vlucht (Foto: Luftfahrt International nr.12) |
De Messerschmitt Me 262 was een verdere ontwikkeling van het project P.1065 van de firma met dezelfde naam. Dit was het resultaat van een voorstel van het Duitse Luchtvaartministerie (RLM) uit 1938, voor een experimenteel vliegtuig dat moest aangedreven worden door twee nieuwe motoren die met gasturbines werkten, de P3302. Deze motor was toen in ontwikkeling bij BMW. Rond dit tijdstip hoopte men dat de P.3302 een stuwkracht zou leveren van 585 kg. BMW hoopte, niet officieel althans, om een paar van deze motoren tegen het eind van 1939 in de lucht te hebben... dit zou nogal voorbarig blijken te zijn.
De vliegtuigcel, ontworpen door Dr. Waldemar Voight en zijn team, beschikte over twee laag geplaatste vleugels met een lichte pijlstand, twee straalmotoren en een conventioneel landingsgestel. Van bij het begin dacht het team er aan dat er wellicht een onderscheppingsjager uit het project kon ontwikkeld worden, alhoewel het programma van de Luftwaffe daar geen enkele aanwijzing toe gaf. In maart 1940 kreeg Messerschmitt een bestelling voor vier exemplaren van het nieuwe vliegtuig, dat voortaan de naam Me 262 zou dragen. Drie toestellen waren voorzien voor vliegtesten, het vierde voor statische testen.
Bij deze gelegenheid bleek BMW met zijn nieuwe motoren een grote vertraging te hebben opgelopen. Pas tegen het einde van 1940, een jaar te laat, zou de nieuwe motor misschien kunnen getest worden op de testbank... en toen ontdekte men dat hij amper 260 kg stuwkracht leverde. Ondertussen had de firma Heinkel met eigen straalmotoren een voorsprong genomen. Op 27 augustus 1939, drie dagen voor het begin van de Tweede Wereldoorlog, was één motor, die 500 kg stuwkracht leverde, als enige aandrijving gebruikt voor een speciaal ontworpen vliegtuig, de He A8.
Door de problemen bij BMW was de eerste vliegtuigcel van de Me 262 reeds lang klaar was voordat de motoren beschikbaar waren. Dientengevolge vloog het prototype Me 262 V1 PC + UA voor de eerste maal, op 18 april 1941 met een conventionele 690 pk motor Jumo 210G in de neus. Voor deze 'maidenflight' steeg testpiloot Fritz Wendel op vanaf het vliegveld van Augsburg.
Het was tenslotte in november 1941 dat het eerste paar 'vliegklare' BMW 190-003 motoren - P.3302 - in Augsburg toekwam om in de vleugels van de Me 262 gemonteerd te worden. Op 25 maart 1942 steeg Fritz Wendel met het toestel op dat nog steeds over de Jumo 210G beschikte. Hij was gelukkig dat de Jumo nog geïnstalleerd was, want een poosje na het opstijgen vielen de straalmotoren na elkaar uit, en kon hij de machine nog net op tijd op de piste neerzetten.
Het werd duidelijk dat het op punt stellen van de straalmotoren van BMW nog een aanzienlijke klus zou worden. Daarom werd er besloten om ook een Me 262 uit te rusten met een Jumo 109-004, deze leverde 980 kg stuwkracht. Op 1 oktober 1942 steeg Fritz Wendel met de Me 262 V-2 PC + UB op, enkel met de kracht van de straalmotoren.
![]() |
| Me 262 V-2 PC+UB was nog voorzien van het landingsgestel met staartwiel. (Foto: Coll. Alfred Price) |
In de daarop volgende weken ontstond er een volledige meningsverandering ten gunste van de Me 262. In mei bezocht Adolf Galland Lechfeld en vloog daar met het vierde prototype Me 262 V-4 PC + UD. Hij was zo onder de indruk van de prestaties van het toestel dat hij na zijn terugkeer in Berlijn vroeg om de productie van de Me 262 zou snel mogelijk van start te laten gaan, en daarvoor op alle toestellen voorrang zou krijgen. Milch ging akkoord met het voorstel van Galland en de productie van de Me 209 werd uit de productieplanning verwijderd.
Enkele dagen later, op 28 mei, steeg de druk nog om de productie van de Me 262 op te voeren. De ingenieur Oberst Dietrich Schwenke, hoofd van het evaluatiebureau dat zich bezig hield met het bestuderen van de prestaties van vijandelijk materiaal, vermeldde tijdens een bijeenkomst in Berlijn dat hij van een krijgsgevangen babbelaar te weten was gekomen dat deze tijdens een bezoek aan Farnbourough tijdens het vorige Kerstverlof:...' een vliegtuig had gezien dat zonder propeller met zeer hoge snelheid op ongeveer 300 m hoogte vloog.' Generalmajor Wolgang Vorwals, chef van de technische afdeling (TA) van Milch, voegde daaraan toe dat het bestaan van een zulk toestel bij de vijand inderdaad mogelijk was. Dat scheen een duidelijk verwijzing te zijn naar de toekomst en hoe luchtgevechten dan zouden worden uitgevochten.
Op hetzelfde ogenblik was de toestand voor de Duitse Luftwaffe steeds moeilijker en moeilijker geworden daar de laatste nieuwe toestellen van de Amerikanen aan deze van de Britten en de Russen evenwaardig waren en in sommige gevallen zelfs beter waren dan deze van de Luftwaffe. Het was duidelijk dat voortaan enkel de Me 262 over de nodige prestaties zou beschikken om het numerieke overwicht dat de geallieerden bezaten te compenseren.
Tijdens de productievergadering van 29 juni, waarop ook Willy Messerschmitt aanwezig was, gaf Milch inlichtingen over de staat van het productieprogramma van de Me 262: 'De constructie van de vleugels en de eindmontage moet plaats vinden in Augsburg, de constructie van de romp en de staartstukken te Regensburg. Om onze krachten te kunnen bundelen, en indien bepaalde syntheses zich bevestigen, mogen we de levering van het eerste serievliegtuig verwachten in januari 1944. In februari verwachten we dan de levering van 8 toestellen, de derde maand verwachten we 21 toestellen, in april 40 machines en in mei 60. Midden mei wordt dus het 100ste toestel verwacht en van dan af tot in november verwachten we een maandelijkse levering van 60 toestellen.'
Nu was er geen tijd meer te verliezen, maar dit gebeurde wel. De verantwoordelijke daarvoor was Willy Messerschmitt. Beledigd om het afwijzen van zijn 209, besloot hij om een productielijn aan de gang te houden die met deze van de Me 262 parallel liep en, tegelijkertijd, slaagde hij er in het gekwalificeerde personeel voor deze 'zwarte' lijn te doen toenemen. Met zijn invloed in de Nazi-partij kon hij aan voldoende touwtjes trekken zodat hij er in slaagde om zijn Me 209 verschillende maanden, nadat Galland en andere hogere officieren verklaard hadden dat dit toestel niet meer nodig was, in de productie te houden. Maar het benodigde personeel dat nodig was om twee productielijnen te onderhouden was niet beschikbaar en beide programma's liepen vertraging op. Pas in november 1943 werd de Me 209 volledig uit het productieproces verwijderd en bundelde de firma al haar krachten voor de productie van de Me 262.
![]() |
| Me 262 V-6 VI+AA met intrekbaar neuswiel. (Foto: Coll. Alfred Price) |
Tijdens de zware luchtgevechten boven Duitsland gedurende de zomer en de herfst van 1943 volbrachten de verdedigers hun taak naar behoren. De Duitse zware jagers die op dit moment tegen de bommenwerpers werden ingezet, de Me 110 en 410, hadden aangetoond dat ze in staat waren enorme verliezen toe te brengen aan de bommenwerperformaties wanneer deze zonder jagerescorte vlogen. Voor veel officieren van de Luftwaffe leek het er op dat, rekeninghoudend met de toename van de conventionele zware jagers, de dreiging veroorzaakt door de dagbommenwerpers spoedig zou verdwijnen. Er viel echter niet aan te twijfelen dat de westelijke geallieerden zich intensief aan het voorbereiden waren om in het komende jaar een beslissende invasie te wagen ergens in Noordwest-Europa. Hitler begreep dat de slag om de inrichting van de bruggenhoofden van beslissende invloed zou zijn op het verloop van de oorlog. Indien de Duitsers er echter zouden inslagen om de invasie af te weren, zouden de verliezen aan geallieerde zijde zo zwaar zijn dat een nieuwe poging wellicht pas na één, en misschien zelfs pas twee jaar later zou kunnen ondernomen worden; ondertussen zouden de sterkste Duitse strijdkrachten tegen het Oosten kunnen ingezet worden. Maar indien de afweerslag verloren werd en de geallieerden in staat bleken zich op het continent te vestigen zou Duitsland tussen twee fronten gekraakt worden als een noot in een notenkraker. De eerste uren van de vijandelijke ontschepingen zouden uiterst zwaar en verward zijn, en hoe veel zwaarder zou deze nog worden indien de Luftwaffe een honderdtal zeer snelle jabo's kon inzetten tegen de landingstroepen om deze te bombarderen en met hun boordwapens te bestoken. Enkele uren vertraging bij het vestigen van de bruggenhoofden zou aan de Duitse troepen voldoende tijd geven om de reserves te verzamelen en deze tegen het invasiefront in te zetten.
De gedachtengang van Hitler begon vaste vorm te krijgen: dat wat hij wilde was een aanvalsvliegtuig dat over genoeg snelheid beschikte om de geallieerde luchtverdediging die een dergelijke invasie moest beschermen kon doorbreken. En zo gingen zijn gedachten naar het enige vliegtuig dat over deze capaciteiten beschikte – de Me 262.
Op 2 november bezocht Göring, vergezeld van Milch en Vorwals, de fabrieken van Augsburg om over de productie van de Me 262 te beraadslagen. Na met zijn gevolg een rondgang te hebben gemaakt in de fabriekshallen, maakte Reichsmarschall Göring gewag van de wens van de Führer die over een snelle jachtbommenwerper wilde beschikken, en vroeg als de Me 262 in staat was om bommen te dragen.
Messerschmitt antwoordde: 'Herr Reichsmarschall, reeds vanaf het begin denken we aan het installeren van twee bommenrekken, dus kan hij bommen dragen, ofwel één van 500 kg, of twee van 250 kg(*).' En hij voegde er aan toe dat de nieuwe jager zelfs twee bommen van 500 kg of één van 1.000 kg zou kunnen meenemen. Hij ging verder en bevestigde, op een vraag van Göring, dat de werkzaamheden om de noodzakelijke modificaties voor het installeren van de bommenrekken te laten uitvoeren binnen twee à drie weken konden klaar zijn.
Juist drie weken later, op 26 november, werd de Me 262 te Insterburg aan Hitler voorgesteld. Tijdens de demonstraties met het vierde en zesde prototype herhaalde Hitler zijn vraag: 'Kan hij bommen meevoeren?' Eens te meer verzekerde Messerschmitt hem dat dit het geval was, het toestel kon zonder problemen twee bommen van 500 kg of één bom van 1.000 kg meevoeren. Dit was het antwoord waarop Hitler wachtte. Hij had de 'Blitzbomber' waar hij naar gezocht had.
Van toen af nam de Me 262 een vooraanstaande plaats in de anti-invasieplannen van Hitler. Tijdens een vergadering op 20 december met hoge officieren van de Wehrmacht verklaarde hij: 'Met elke maand die voorbij gaat groeit de waarschijnlijkheid dat we over ten minste éénn groep straalvliegtuigen zullen kunnen beschikken. Het belangrijkste daarbij is dat ze (de geallieerden) enkele bommen op hun kop krijgen, telkens als ze proberen binnen te dringen. Dat dwingt hen er toe in dekking te gaan en laat hun bovendien uren en uren verliezen. Na een halve dag zijn mijn reserves reeds onderweg; Dus, U begrijpt wat het betekent als we ze gedurende zes of acht uur op het strand kunnen vastnagelen.'
Na enkele modificaties was de Me 262 inderdaad in staat om de rol te spelen die Hitler voor hem voorzien had. Er bestaat geen enkel bewijs over dat er tijdens deze periode officieren van de Luftwaffe zouden geprobeerd hebben om Hitler van zijn idee af te brengen. Maar, zoals gewoonlijk begon Messerschmitt niet met de hem toegewezen opdracht, zelfs niet met een studie voor een prototype van de Me 262 bommenwerper.
Deze verschillen tussen de uitdrukkelijke wensen van Hitler en het verloop van de ontwikkeling van de Me 262 waren het begin van een reeks tegenstrijdigheden en botsingen die het programma nog maar eens vertraagden.
Milch herkende het belang van het vliegtuig voor zover het zich om de jachtbommenwerper handelde, maar probeerde, ondanks het 'dove oor' van Hitler, toch om de Me 262 zo snel mogelijk als zware jager in dienst te laten nemen voor de opvang van de bommenwerperformaties.
In december 1943, na de vlucht van het achtste prototype, Me 262 V-8 VI + AC W.Nr 130 003, het eerste toestel dat een bewapening droeg, werd de bevestiging voor deze taak gegeven. De V-8 was bewapend met vier 30 mm MK 108 kanonnen, een wapen met een lage mondingsnelheid waarvan de explosieve granaten zeer effectief waren tegen bommenwerpers maar bij aanvallen tegen gronddoelen geen 'doorslaggevende' kracht bezaten.
Het valt niet te betwijfelen dat de houding van Milch op dit ogenblik beïnvloed werd door de rapporten die hij van de Inlichtingendienst kreeg over een nieuwe generatie Amerikaanse zware bommenwerpers. Tijdens een vergadering op 19 april 1944 in Berlijn gaf hij een overzicht van de te verwachten geallieerde ontwikkelingen in de loop van het jaar: 'Dit jaar komen de nieuwe bommenwerpers B-29 en B-36 in dienst. Zij vallen aan op hoogtes tussen 10.600 en 11.800 m. Geen enkel luchtafweerwapen kan zulke hoogtes bereiken. De enige tegenmaatregel waarover we beschikken zijn onze (toekomstige) jagers. Onze huidige jagers zijn niet in staat op de vijand op zulke hoogtes aan te vallen...'
In feite werd er geen enkele van deze zware bommenwerpers, B-29 of B-36, tegen Duitsland ingezet. In geen geval waren deze in staat om aanvallen uit te voeren van op hoogtes tussen de 10.600 en 11.800 m zoals Milch verklaard had. Later, tijdens de vergadering werd Milch door Dr. Kromme, van het ministerie van bewapening, gevraagd wat hij belangrijker vond, de V2-raket of de Me 262 Milch antwoordde: 'We hebben vóór alles behoefte aan de Me 262, vóór de duikboten en vóór de tanks, want zonder dit vliegtuig is onze bewapeningsindustrie onmogelijk.'
Tegen eind januari had het negende prototype, Me 262 V-9 VI + AD W.Nr. 130 004, gevlogen. Drieentwintig andere vliegtuigcellen van de eerste groep van de preproducties waren klaar maar beschikten niet over motoren. Junkers kende aanzienlijke moeilijkheden bij de productie van zijn 004. Niet alleen de fabriek werkte aan de limiet van de toenmalige techniek – de 109 004 was de eerste straalmotor ter wereld die in serie werd gebouwd – maar had ook te kampen met een tekort aan metaallegeringen die weerstand konden bieden aan de hoge temperaturen die de motoren ontwikkelden.
In 1944 waren de Duitse voorraden aan chroom en nikkel zorgwekkend laag en ontoereikend geworden voor de productie van de straalmotoren. Junkers moest een motor produceren door gebruik te maken van het nog beschikbare materiaal. Daardoor moest bijvoorbeeld de verbrandingskamer van de 004 gebouwd worden uit gewoon staal dat bedekt werd met een laag verpulverde aluminium. Het gevolg daarvan waren veelvuldige pannes en branden bij de eerste reeks motoren, die hadden maar een levensduur van 10 uur. Het zou bijna zes maand duren eer men een oplossing scheen gevonden te hebben om die problemen aan te pakken en de 004 in grotere aantallen van de montagebanden kon komen. Het ontbreken van de motoren was één van de grootste oorzaken die op dramatische wijze het aantal beschikbare Me 262's voor het midden van 1944 beperkte.
![]() |
| Start van een Me 262 'witte 10', van de beginserie, van Erprobungskommando 262. (Foto: Alfred Price) |
Op 23 mei werden Göring, Milch, Galland en andere hoge officieren van de Luftwaffe en de minister van bewapening Albert Speer met hoge officieren van zijn staf uitgenodigd op Berchtesgaden om het laatste jagerprogramma te komen bespreken. Daar verwachtte Milch zeker niet de storm die kort nadien over zijn hoofd zou losbreken. Samen met Oberst Petersen, directeur van het onderzoekcentrum, vergezelde hij Göring en Speer in een grote zaal van het Berghof met uitzicht over de Alpen. Hitler luisterde half afwezig, met zijn blik over de bergen gewend, naar de details van het jagerprogramma. Toen het gesprek bij de Me 262 terechtkwam onderbrak hij zijn bezoekers. Hij zei: 'Ik dacht dat de Me 262 als snelle bommenwerper werd gebouwd. Hoeveel van de reeds gebouwde Me 262 kunnen bommen meevoeren?' Milch antwoordde: 'Geen enkele, mein Führer, de Me 262 wordt enkel als jachtvliegtuig gebouwd.' Er volgde een drukkende stilte waarop Milch verder verklaarde dat het vliegtuig geen bommen zou kunnen dragen zonder eerst aanzienlijke modificaties te ondergaan, en zelfs nadat dit gebeurd was, niet meer dan 500 kg.
Hitler verloor zijn kalmte. Hij hield er rekening mee dat op elk ogenblik en invasie in Frankrijk kon plaats vinden en het wondervliegtuig waarop hij al zijn hoop had gesteld zou dus waarschijnlijk niet op tijd komen. Opgewonden onderbrak hij Milch: 'Dat speelt geen rol, ik ben reeds tevreden met een bom van 250 kg.' Daarop vroeg hij naar precieze gegevens over de jagerversie – pantsering, bewapening, munitie. 'Wie schenkt er het minst aandacht aan de bevelen die ik geef,' schreeuwde hij Milch aan. 'Ik heb een uitdrukkelijke bevel gegeven en ik laat er niemand aan denken om dit vliegtuig anders uit te rusten dan als een jachtbommenwerper.'
Hitler was niet alleen bitter gestemd over het verlies van één van de belangrijkste mogelijkheden om een invasie op te vangen, maar was bovendien uiterst kwaad omdat men hem opzettelijk had misleid over de capaciteiten van de Me 262 als bommenwerper.
Hitler gaf aan Göring de persoonlijke verantwoordelijkheid om de Me 262 zo snel mogelijk als jabo in dienst te laten nemen.
's Anderendaags besprak Göring met hooggeplaatsten van de Luftwaffe de vereiste modificaties die nodig waren om de straaljager in een jachtbommenwerper om te bouwen. Hij verklaarde hen dat het nodig zou zijn om een groot deel van de pantsering te verwijderen, bovendien moesten er bijkomende brandstoftanks worden gemonteerd in de romp en onder de zetel van de piloot en tenslotte moesten er bommenrekken gemonteerd worden.
Deze modificaties zouden niet moeilijk aan te brengen zijn bij de vliegtuigcellen die nog in hun constructiefase verkeerden, maar bij de toestellen die reeds afgewerkt waren zou men met grote moeilijkheden te kampen krijgen.
Op 27 mei telegrafeerde Göring aan Milch: 'De Führer heeft bevolen dat de Me 262 enkel als snelle jachtbommenwerper in dienst gaat. Tot nader order wordt het vliegtuig niet meer als jager beschouwd.'
Het eerst slachtoffer van de moeilijkheden met de inzet van de Me 262 was Milch zelf. Hitler had geen vertrouwen meer in de man die hem had beschaamd door hem te misleiden. In de daaropvolgende weken verloor Milch alle posten die hij had bezet. Maar hoe men het ook draaide of keerde, jager of jabo, de vertraging in de productie van de Me 262 was vooral te wijten aan de problemen bij de massaproductie van de Jumo 004. Deze was nog steeds niet begonnen. Op het ogenblik dat de geallieerden voet aan wal zetten in Normandië, op 6 juni 1944, 10 dagen na de vergadering in Berchtesgaden, waren er minder dan 30 vliegtuigen aan de Luftwaffe afgeleverd en noch de piloten noch hun vliegtuigen waren klaar voor de inzet. Voor de Blitzbomber was de gouden kans om zware slagen toe te brengen voorbij ... als hij er al toe in staat zou zijn geweest.
Ondertussen waren ook de werkzaamheden, zij het met vertraging, begonnen om de Me 262 om te bouwen in een jachtbommenwerper. Het tiende prototype, Me 262 V-10 VI + IE, W.Nr. 130 005, was uitgerust met twee bommenrekken voor bommen van 250 kg (ETC 250) onder de neus. Zoals bijna de volledige pantsering van de piloot waren er ook twee 30 mm MK 108 kanonnen verwijderd geworden. Vreemd genoeg bleven de twee andere 30 mm MK 108 kanonnen, met hun lage mondingsnelheid, behouden. Om de actieradius te kunnen vergroten was er een bijkomende brandstoftank van 595 l achter in de romp ingebouwd, achter het zwaartepunt van het vliegtuig.
![]() |
| Een Me 262 jachtbommenwerper van KG 51 met twee kanonnen in de neus en twee bommenrekken onder de neus, tijdens een controle van het intrekmechanisme van het landingsgestel. Foto uit een opleidingsfilm. (Foto: Alfred Price) |
In deze periode werd op Lechfeld de eerste eenheid geformeerd die op de Me 262 Blitzbomber vloog, het Erprobungskommando Schenk. De eenheid vloog onder bevel van Major Wolfgang Schenk en maakte deel uit van KG 51 'Edelweiss', van waaruit veel piloten werden afgedeeld. De in allerijl uitgevoerde omvorming op het nieuwe toestel nam ongeveer een maand in beslag en op 20 juli verhuisde de eenheid naar Chateaudun met negen vliegtuigen en piloten die klaar waren om als eersten ter wereld operationele opdrachten uit te voeren met straalvliegtuigen.
Het voortzetten van de inspanningen ten gunste van de Me 262 jachtbommenwerper, zo laat na de installatie van de geallieerde bruggenhoofden in Normandië, leken in tegenspraak te zijn met het doel van Hitler die de vliegtuigen wilde inzetten om een ontscheping in haar beginfase op te vangen. Maar men moet hierbij in gedachten houden dat veel van de Duitse generaals nog geloofden dat de invasie in Normandië een afleidingsmanoeuvre was om de Duitsers troepen van Pas de Calais, waar de eigenlijke invasie volgens hen zou plaats vinden, te doen wegtrekken. In deze periode stelden de geallieerden ook alles in het werk om deze gedachtegang van de Duitsers nog te versterken. In geval er een tweede invasie zou plaats vinden, Erprobungskommando Schenk zou klaar staan.
De eenheid begon met sporadische acties tegen de geallieerde grondtroepen maar, om veiligheidsredenen, spaarde haar toestellen om deze beschikbaar te hebben in geval de 'echte' invasie zou plaats vinden. De piloten kregen strikte orders om geen aanvallen onder 4.000 m uit te voeren. Daar de piloten van de Me 262 op deze hoogte geen enkele mogelijkheid hadden om hun doelen in het vizier te nemen, waren de resultaten van hun acties overeenkomstig.
Toen de Duitse troepen in Frankrijk zich midden augustus begonnen terug te trekken kreeg de eenheid, die ondertussen de naam van I./KG 51 had gekregen, op 15 augustus bevel zich naar Creil, ten noorden van Parijs, te begeven. Op 22 augustus volgde het bevel voor een overplaatsing naar Juvincourt, in de omgeving van Reims en tenslotte, op 28 augustus, kwam het bevel om terug te trekken naar Chièvres in België. Pas op deze laatste dag van de terugtocht maakte een geallieerde jager contact met één van deze 'slinkse' jachtbommenwerpers Me 262 A-2a.
![]() |
| Een Me 262 jabo van KG 51 wordt naar de startbaan gebracht. Om brandstof te sparen, die nog slechts in kleine hoeveelheden beschikbaar was, werden de straaljagers door een NSU Kettenkrad Sd.Kfz. 2 naar hun startpositie gesleept waar de motoren dan werden gestart. (Foto: Coll. Götz) |
HHet eerste verslag van een onderschepping door een Me 262 kwam een week na de dood van Tierfelder, op 25 juli. Flight Lieutenant A. Wall van de RAF vloog op een Mosquito van No. 544 Sqdn, een verkenningseenheid. Hij had boven München een fotoverkenning uitgevoerd en bevond zich op de terugweg op ongeveer 9.000 m hoogte toen er plots op 100 m achter hem een straaljager verscheen. Wall gaf volle gas en drukte de neus van zijn toestel naar beneden om snelheid te winnen, tezelfdertijd maakte hij een scherpe bocht naar links. Tijdens het daaropvolgend kwartier voerde de Me 262 drie aanvallen uit op de verkenner. Wall ondervond dat zelfs wanneer hij op maximale toeren vloog de straaljager hem gemakkelijk inhaalde. Niettemin ondervond hij geen problemen om de straaljager uit te manoeuvreren, hij kon veel kortere en scherpere bochten maken dan zijn belager. Op een bepaald moment, na drie bochten, bevond hij zich plots achter de Me 262 en bevond zich in een positie van waaruit hij de machine gemakkelijk had kunnen neerhalen... indien hij bewapend was geweest. Toen Wall zich even nadien terug in een verdedigende positie bevond hoorde hij en zijn navigator twee luide explosies. De navigator maakte zich klaar om het ontsnappingsluik te openen zodat de bemanning, indien het nodig bleek, het toestel kon verlaten. Met veel moeite kon hij het interne luik openen en stelde vast dat de buitendeur verdwenen was, ze was gewoon uit de scharnieren gescheurd. Ondertussen was Wall er in geslaagd om in een wolkendek te verdwijnen. De Mosquito landde een poosje later te Fermo, bij Ancône in Italië, en de bemanning kon vaststellen dat ze niet getroffen waren geworden, maar dat de randkap van linker staartvlak beschadigd was, waarschijnlijk door de weggeslingerde deur. Dit verklaarde de twee explosies. Alhoewel de Mosquito erin geslaagd was om aan de Me 262 te ontsnappen betekende dit wel het einde van de periode waarin de geallieerde verkenners quasi onkwetsbaar boven Duitsland konden rondvliegen. In de daarop volgende maand behaalden de piloten van Nowotny vijf overwinningen: een Mosquito door Leutnant Weber op 8 augustus, op 14 augustus een Lightning door Oberfeldwebel Baudach en een geïsoleerde B-17 op 16 augustus door Feldwebel Lennartz, een Spitfire door Leutnant Schreiber en nog een Mosquito door Oberfeldwebel Recker.
VIn juli 1944 richtte zich de inzet van de geallieerde bommenwerperstromen tegen de fabrieken waar de onderdelen van de Me 262's werden gebouwd, te Leipheim op 19 juli en Regensburg op 21 juli. Door een gebrek aan onderdelen voor de romp en een tekort aan motoren verminderde het aantal aan de Luftwaffe afgeleverde Me 262's per maand van 59 tot 20 in augustus.
Door een document van de firma Messerschmitt kon er vastgesteld worden dat op 10 augustus 1944 er in totaal 10 prototypes en 112 serievliegtuigen Me 262 waren gebouwd. Van de eersten waren de nrs. 1, 2, 4, 5, 6 en 7 verloren gegaan. Van de serietoestellen waren er 21 Me 262's vernield door geallieerde bombardementen, 11 andere waren verloren gegaan in het gevecht of door ongevallen. De 84 overblijvende toestellen waren als volgt verspreid:
Toen het front zich in september in het westen stabiliseerde kon I./KG 51 stooraanvallen uitvoeren tegen geallieerde posities en vooral tegen de bases van Rheine en Hopsten (Duits grondgebied). Een aanval die werd uitgevoerd op 2 oktober 1944 tegen het vliegveld van Cowe, basis van No. 421 Sqdn RCAF dat op Spitfires vloog, was typerend: 'De aanval begon om 11.00 hr met een bombardement met anti-personeelbommen uitgevoerd door een straaljager die op 1.000 m hoogte vloog. Tijdens deze aanval werden er drie piloten verwond, een officier en zes manschappen liepen lichte verwondingen op. Verschillende tenten waren doorboord en de uitrusting van een groot aantal officieren en manschappen waren erg beschadigd. De loopgraafschuilplaatsen bezoeken en stalen 'petten' dragen werden mode. Tegen de middag werd een tweede aanval uitgevoerd die echter zijn doel miste. De derde aanval had verschillende doden tot gevolg onder het RAF-personeel dat aan de andere kant van het vliegveld zijn tenten had opgeslagen. Verschillende Nederlandse burgers die in de nabijheid woonden waren ernstig verwond geraakt.'
Drie dagen later namen Canadese piloten wraak, Spitfire IX piloten van No. 401 Sqdn. Deze actie was een voorbeeld van de gevechten die tijdens de komende maanden zouden plaats vinden tussen straaljagers en conventionele toestellen. Sqdn.Ldr. Roy Smith die de patrouille leidde vertelt: 'Ik leidde het squadron 401 op 4.000 m hoogte in de omgeving van Nijmegen, ongeveer 18 km noordoostelijk van de brug. We volgden een noordoostelijke koers toen ik een ons tegemoetkomende Me 262 opmerkte. De straaljager vloog 150 m lager. Hij steeg in een linkse bocht en ik ben rechts gestegen om hem met nog enkele andere Spitfires te achtervolgen. Dan is hij in zig-zagkoers en draaiend en kerend met grote snelheid naar de brug gedoken. Hij vloog onder het maken van linkse en rechtse bochten boven Nijmegen. Ik kon een Spitfire zien die er in slaagde enkele treffers te plaatsen waarna er een witte rookpluim opsteeg uit de linkervleugelwortel. Het toestel bleef onder zeer hoge snelheid verder vliegen maar ik slaagde er in om mij achter hem te installeren en twee vuurbuien van drie seconden af te vuren op een afstand van 2 à 300 meter. Ik kon inslagen waarnemen in zijn linker en rechter motorgondel. Hij verdween steil in de hoogte...'
Flt.Lt. Hedley Everard was één van de andere aanvallers: 'Ik vloog over de machine heen en deze begon in een grote spiraal te dalen. Op 150 m gekomen zette hij koers naar het zuiden. Ik minderde gas om niet aan hem voorbij te schieten en vuurde vanop ongeveer 150 m afstand met mijn machinegeweren. Er verscheen een witte rookpluim en het toestel versnelde terug en verwijderde zich...'
Fl.Officer John Mac Kay volgde Everard: 'Ik zette me aan de staart van de Me 262 en volgde hem laag over de grond scherend, telkens vurend wanneer hij in mijn vizier verscheen. Ik merkte inslagen op in het achterste rompgedeelte en de vleugelwortels. Het toestel was uiterst wendbaar. De piloot was goed en gaf al wat hij kon...'
Fl.Officer Gus Sinclair slaagde er ook in om de 262 te raken alvorens hij verdrongen werd door twee andere Spitfires die vanuit de hoogte neerdoken. Het was tenslotte Flight Lieutenant Tex Davenport die de genadeslag toebracht: 'Ik kon de 262 naderen tot op 300 m en vuurde de rest van mijn laders leeg, ongeveer 10 of 12 seconden lang, daarbij merkte ik inslagen op in de motoren en de romp. Het toestel brandde. De piloot, die tijdens de aanvallen heelhuids leek gebleven en zich uitstekend had gedragen, begreep dat het gevecht ten einde was en probeerde nog Red 1 (Smith) te rammen terwijl hij neerstortte en te pletter sloeg.'
De Duitse piloot, Hauptmann Hans Christopf Buttmann van I./KG 51 had inderdaad alles uit zijn toestel gehaald alvorens hij in zijn toestel omkwam. Hij had de mogelijkheden gedemonstreerd die een duidelijk beeld hadden gegeven van de superioriteit van de Me 262
Als de geallieerde conventionele jagers zich met de Me 262 niet konden meten in horizontale snelheid en stijgkracht konden sommigen onder hen dikwijls, wanneer ze vanop grotere hoogtes aanvielen, toch voordeel halen uit deze positie en hun snelheid opdrijven tot deze van de straaljagers. Een ander voordeel die de geallieerde jagers bezaten was hun nieuw gyroscopisch vizier dat automatisch berekende op welke afstand ze moesten vuren wanneer een vijandelijk toestel van terzijde kwam of zich in een bocht bevond. Dit vizier werd bij de RAF het gyroscopisch vizier GGS Mk II genoemd, bij de USAAF was het bekend onder de naam K14. Dit vizier maakte het de gebruiker mogelijk om op zeer snelle doelen te vuren die op een kruisende route vlogen en verhoogde in sterke mate de effectiviteit van de boordbewapening. De Canadese piloten die op 5 oktober de Me 262 van Hptm Buttmann hadden neergehaald hadden bijna allemaal een soortgelijk vizier ter beschikking. Het vizier droeg in hoge mate bij tot de overwinningen die de geallieerde piloten nog konden behalen tegen de Duitse straalvliegtuigen voordat de oorlog ten einde was.
Een rapport dat in oktober onder de geallieerde luchtartillerie (luchtafweer) de ronde deed bevestigde dat het grootste deel van nogal geringe vijandelijke luchtactiviteit boven Nederland te wijten was aan de inzet van de Me 262 als jachtbommenwerper.
Toen hij werd gebruikt voor het uitvoeren van bombardementen, naderde de straaljager gewoonlijk zijn doel in een lichte duikvlucht en, tot dan toe, bombardeerde hij meestal op het goed geluk met anti-personeelbommen, die, alhoewel ze enkele slachtoffers maakten, weinig materiële schade veroorzaakten. De normale snelheid bij de aanval bedroeg gewoonlijk 480 tot 560 km/u en de maximale snelheid van 800 km/u werd in principe nooit bereikt tijdens de aanval maar pas nadat de aanval was uitgevoerd. Tot dan toe was er nooit waargenomen dat gronddoelen met boordwapens waren aangevallen geworden en, zoals men tegenwoordig aanneemt, bezat deze bewapening, die uit vier 30 mm MK 108 kanonnen bestond, een te lage mondingsnelheid om effectief tegen gronddoelen te worden gebruikt.
Op het einde van de gevechten in Frankrijk en toen Hitler niet verder aandrong om de Me 262 enkel als snelle bommenwerper in te zetten werd uiteindelijk toch de kans geboden om de machine als frontlijnjager in te zetten. In september 1944 waren de problemen met de productie van de straalmotoren Jumo 004 grotendeels opgelost met als resultaat dat er in die maand in totaal 91 Me 262's aan de Luftwaffe konden geleverd worden.
![]() |
| Major Walter Nowotny, jachtpiloot met 225 overwinningen op zijn naam (behaald aan het Oostfront), drager van het Ritterkreuz mit Eichenlaub, Schwerter und Brilianten en ex- Gruppenkommandeur van I./JG 54. |
![]() |
| Me 262 A-1a W.Nr. 110 025 van het Kommando Nowotny. |
![]() |
| W.Nr. 112 385, een operationele Me 262 A-1a die dienst deed met 3./JG 7 'Nowotny'. Let op het Geschwader-embleem met de 'rennende vos' op de neus van het toestel. Het nummer '8' en de rompband waren geel. (Foto: USAF official) |
De nieuwe commandant van Kdo Nowotny werd Major Erich Hohagen. Tegelijkertijd kreeg de eenheid een nieuwe naam: III./JG 7. De nieuwe Gruppe kreeg aanvankelijk de naam Hindenburg, de naam van het Kampfgeschwader 1. Maar reeds spoedig droeg de Gruppe de naam Nowotny, als eerbewijs aan de gevallen eenheidscommandant.
Teruggetrokken in de relatieve zekerheid in Beieren was de voornaamste taak van III./JG 27 het verbeteren van het niveau van de minder ervaren piloten. De regelmatig overvliegende geallieerde verkenners boden aan de Duitse piloten uitstekende gelegenheden om hun kunnen te demonstreren. Een typisch gevecht vond plaats op 26 november.
Majoor Rudolf Sinner steeg op om een P-38 verkenner te onderscheppen die werd begeleid door drie P-38 jagers. De geallieerde toestellen vlogen op grote hoogte boven München. Lt. Renne, de piloot van de verkenner, was juist klaar met zijn werk boven het doel toen hij de Me 262 van Sinner met grote snelheid zag naderen. Onmiddellijk verwittigde hij zijn begeleiders, wierp de afwerpbare brandstoftanks af, gaf volle gas en keerde zich frontaal tegen zijn belager om deze een zo klein mogelijk doel te bieden. De twee toestellen kruisten elkaar zonder dat Sinner het vuur opende. Renne bracht zijn Lightning in een scherpe bocht naar rechts en vloog in de richting van de straaljager om te proberen ook de tweede aanval op dezelfde wijze af te weren. Maar ondertussen waren de begeleidingsjagers Sinner genaderd die zich gedwongen zag om het gevecht af te breken. Bij het wegduiken liet hij de neus van de Me 262 te veel wegzakken en bevond zich plotseling in een oncontroleerbare duikvlucht, hij had het kritieke punt van de machine overschreden.
Na enkele verschrikkelijke seconden, terwijl hij met zijn stuurknuppel 'vocht', slaagde hij er in om uit de duikvlucht te ontsnappen door gebruik te maken van de compensator. Sinner zocht de lucht af naar zijn tegenstanders en ontdekte deze hoog boven hem, lange condensatiestrepen achter zich latend, op terugweg naar hun basis in Italië. Onmiddellijk zette Sinner met volledig geopende motoren de achtervolging in en kon deze maal ongezien naar de vijandelijke toestellen klimmen en zich in een gunstige positie manoeuvreren achter één van de jagers: 'De granaten van mijn vier 3 cm kanonnen troffen de staart en rechtervleugel. Hij draaide op zijn rug en viel brandend naar links weg. In een linkse bocht vloog ik van de andere toestellen weg, richting Lechfeld, want mijn brandstof geraakte op.'
De Amerikaanse piloot van de P-38, Lieutenant Julius Thomas, sprong met zijn valscherm en kwam in de buurt van Kitzbühl neer waar hij werd gevangengenomen.
Na de problemen bij Kdo Nowotny die veroorzaakt waren door het te snel omvormen van de Me 262 piloten, werd er tegen eind november een speciaal trainingsprogramma opgesteld. III./Erg.JG 2 werd terug opgericht in Lechfeld onder bevel van Oberstleutnant Heinz Bär, een jager-As. De opleiding begon met 20 uur vliegen op klassieke jagers waarvan de gas geblokkeerd was, om de piloten te laten wennen aan de moeilijkheden die veroorzaakt werden bij het besturen van een vliegtuig waarvan het toerental niet kon ingesteld worden op grote hoogtes (wanneer het toerental van de Me 262 motoren op grote hoogte te veel geminderd werden vielen de motoren uit).
Daarna volgde er voor de piloten een theoretische cursus van drie dagen over het gebruik en het onderhoud van de straalmotoren. De piloten die nog geen enkele ervaring hadden opgedaan met tweemotorige vliegtuigen vertrokken voor een korte opleidingsstage naar Landsberg. Vijf uren vliegen met een Me 110 of een Siebel 204 moesten hen voorbereiden op asymmetrische vluchten. Na nog een dag opleiding op de Me 262 volgden de aspirant-piloten voor straalvliegtuigen een vliegstage en schietopleiding van 10 vlieguren op de Me 262. Daarna werden de mannen goedgekeurd voor het gevecht en werden overgeplaatst naar de operationele eenheden.
Het was niet meer dan een versnelde opleiding, vooral nuttig voor sommige piloten die van de gevorderde trainingseenheden kwamen en nog nooit bij een operationele eenheid hadden gediend. In ieder geval waren het beter opgeleide piloten dan hun voorgangers en, onder de wanhopige situatie waarin Duitsland zich bevond, het beste wat kon bereikt worden.
Het volgende probleem waarmee het Oberkommando der Luftwaffe werd geconfronteerd met betrekking op de jagereenheden die met de Me 262 waren uitgerust was het opstellen van een adequate training voor de blindvlucht. De zware Amerikaanse bommenwerpers, uitgerust met radar, konden navigeren en hun doel vinden zelfs wanneer de wolken over het volledige traject tot op de grond reikten. Dat betekende dat bij talloze gelegenheden de Duitse jagers hun weg moesten zoeken door de wolken indien ze een doeltreffende verdediging wilden optrekken. De normale formatie van de conventionele Duitse jagers kende geen speciale formatie om in dergelijke gevallen op te treden, afgezien van enkele uitzonderingen. Een snelle duik door de wolken met een Me 262 was een uiterst gewaagde onderneming voor piloten die geen ervaring in blindvlucht hadden, vooral wanneer ze ook nog rekening dienden te houden met het feit dat ze in een duikvlucht konden terechtkomen van waaruit ze niet meer konden optrekken. Het was dus duidelijk dat de nieuwe piloten na hun normale opleiding ook nog een speciale opleiding moesten volgen in blindvlucht, indien de nodige tijd beschikbaar was. Maar juist daaraan en aan brandstof ontbrak het nu juist.
Tegen het eind van 1944 beschikte de Luftwaffe over een aanzienlijk aantal gekwalificeerde piloten die op instrumenten konden vliegen; deze die voorheen bij bombardementseenheden hadden gevlogen en sinds de laatste zomer door gebrek aan brandstof niet meer konden ingezet worden. Men voelde duidelijk aan dat de vroegere bombardementspiloten, zeer ervaren in het vliegen op instrumenten en gewend aan meermotorige vliegtuigen, meer geschikt waren om met de Me 262 door de bewolking te vliegen dan de jachtpiloten die met éénmotorige jagers hadden gevlogen en geen ervaring in blindvlucht hadden. Dat de vroegere bombardementspiloten niet als eersten omgeschoold werden als jachtpiloten mag niet als een verspilling van krachten worden aanzien: deze Me 262's waren niet voorzien om ingezet te worden bij 'dogfights' met vijandelijk jagers maar om recht op de viermotorige bommenwerpers af te gaan en deze te vernietigen. Het idee om de bombardementspiloten voor deze taak (als jachtpiloten) in te zetten werd ondersteund door Oberst Gordon Gollob en Dietrich Pelz en vooral door General Karl Koller, chef van de generale staf van de Luftwaffe, en door Göring.
Generalmajor Galland en andere officieren van het Duitse jachtwapen verzetten zich ten zeerste tegen een dergelijke inzet met als argument dat het een levensgevaarlijke flater was om Me 262's toe te vertrouwen aan piloten die niet opgeleid waren voor luchtgevechten.
Het Dritte Reich bevond zich in een doodsstrijd, de vijand trok zijn troepen te samen in het oosten, het westen en het zuiden, klaar om Duitsland zelf binnen te vallen. Het twistpunt over het soort piloten waaraan de Me 262 zou worden toevertrouwd ontaardde in de schoot van het Oberkommando der Luftwaffe tot een ernstig incident. Het gevolg daarvan was dat, na nog andere botsingen met Göring, Generalmajor Galland werd afgezet als Inspector der Jagdflieger. En het uitrusten van de vroegere bombardementseenheden met de Me 262 werd voortgezet. Het eerste, Kampfgeschwader (Jäger) 54, KG(J) 54, begon met de uitrusting op de Me 262 tegen het eind van november in Giebelstadt. Drie andere vroegere KG's, 6, 27 en 55, kregen hun eerste straaljagers in het begin van 1945.
![]() |
| Uiterst zelden foto van een Me 262 B-1a/U1 nachtjager, rode '10' van Kommando Welter. Let op de radar-antennes op de neus en de afwerpbare brandstoftanks in de Wiking-rekken onderde romp. (Foto: Coll. Alfred Price) |
Op Nieuwjaarsdag 1945 zette de Luftwaffe haar jagers die in het westen gestationeerd waren in, in een massieve aanval met bijna 1.000 vliegtuigen, tegen de geallieerde vliegvelden in België, Frankrijk en Nederland.
Ongeveer 20 Me 262's van KG 51 namen deel aan de operaties tegen Eindhoven en Heesch in Nederland. De aanval op Eindhoven, bijgestaan door Me 109's en FW 190's van JG 3, werd de meest geslaagde. Bij deze aanval werden meer dan 50 Spitfires en Typhoons van No. 3 Wing, die op dit vliegveld waren opgesteld, vernietigd. Daartegenover was de aanval op Heesch, in samenwerking met JG 6, een mislukking. Bovendien werden er in de buurt van Heesch minstens twee Me 262's door de geallieerde luchtafweer neergehaald.
Tijdens de eerste weken van 1945 ging KG 51 door met het uitvoeren van aanvallen tegen geallieerde posities, in samenwerking met de Ar 234's van KG 76. Op 22 januari vonden er 22 vluchten plaats van straaljagers tegen Strasburg, de 23ste vonden er 30 plaats.
In het begin van 1945 waren er in totaal 564 Me 262's door de Luftwaffe overgenomen. De productie bedroeg ongeveer 36 toestellen per week. Maar in de getalsterkte van de Luftwaffe van 10 januari stonden er slechts 61 van deze straaljagers in dienst bij operationele eenheden vermeld:
Waarschijnlijk waren er drie maal zoveel toestellen vertrokken naar eenheden die zich voor de strijd aan het klaar maken waren of die nog bezig waren met de opleiding van de piloten. Daaronder bevonden zich de drie Gruppen van JG 7 en KG 54, III./Erg JG 2 en diverse opleidingscentra. Op dit tijdstip waren er ongeveer 150 toestellen vernietigd door vijandelijke inwerking of door ongevallen.
Er moesten dus nog minstens 400 Me 262's bestaan en aangezien er in die periode bijna 600 straaljagers door de Luftwaffe van de fabrieken waren overgenomen leken er bijna 200 'verdwenen' te zijn. Waarschijnlijk was dit te wijten aan het feit dat er een groot aantal toestellen geblokkeerd stond op wagons van de Duitse Reichsbahn. Tijdens deze laatste maanden van de oorlog werd het merendeel van de Me 262's na hun overname door de Luftwaffe in de depots gedemonteerd en per spoor naar de eenheden overgebracht. In deze fase en tot op de laatste dag van de oorlog werd een groot percentage van de geallieerde bommenwerpers ingezet voor het systematisch uitschakelen van de rest van de Duitse spoorwegen. Het was dus niet verwonderlijk dat een groot aantal vliegtuigen, dat op weg was naar de eenheden ergens in Duitsland, was vernietigd geworden, of verloren of achtergelaten waren door een gebrek aan intacte spoorwegverbindingen.
Hier valt nog op te merken dat op 10 januari er bij het Luftwaffe HQ geen enkele Me 262 dagjager op de inventarislijst van een operationele eenheid vermeld stond, vier maand nadat Hitler de toelating had gegeven om het toestel in deze rol te laten opereren.
![]() |
| Twee SC 250 bommen (250 kg) opgehangen onder de neus van een operationele Me 262. |
![]() |
| Major Hans-Georg Bätcher, hier als commandant van III./KG 76, een bommenwerper eenheid die op de Ar 234 vloog. Zijn carrière als piloot op de Blitz was van korte duur. In het begin van 1945 werd hij bevorderd tot Kommodore van een eenheid ex-bommenwerperpiloten die herschoold werden op de Me 262 Schwalbe. Bij het einde van de oorlog voerde hij het bevel over een straaljagereenheid die actief was bij de Reichsverteidigung. |
Tegen het eind van februari werd een nieuwe en zeer veel belovende Me 262 jagereenheid opgericht, Jagdverband 44, onder bevel van Generalmajor Adolf Galland. Het bevel voor het oprichten van de eenheid stamde van 24 februari en bepaalde dat :
![]() |
| Adolf Galland, hier als piloot tijdens een rustpauze aan het front in het westen tijdens de Slag om Engeland, werd commandant van JV 44. De piloten van deze eenheid droegen minstens het 'Ritterkreuz' als onderscheidingsteken. |
![]() |
| Een houten rek met 12 R4M-raketten onder de vleugel van een Me 262 A-1a. Deze projectielen met opgeplooide vleugels werden met een vernietigend effect tegen geallieerde bommenwerperformaties door de piloten van Jagdgeschwader 7 en het elite Jagdverband 44 afgevuurd met het standaard Revi vizier. (Foto: Gruppe 66) |
![]() |
| Een zicht op de fabriek van Messerschmitt te Obertraubing na een 'bezoek' van de Amerikaanse bommenwerpers. Op de achtergrond, langsheen de muur, neuskappen voor de Me 262's. |
Op 21 maart voerden de Me 262 eenheden 31 vluchten uit tegen meer dan duizend bommenwerpers die de vliegvelden van Handorf, Hesepe, Vorden, Zwischenahn, Marx, Wittmundhafen, Ahlhorn, Achmer, Hopsten, Rheine en Essen/Mühlheim aanvielen. 25 Duitse piloten vermeldden contact met de vijand in hun rapport. Één van hen was Leutnant Fritz Müller van II./JG 7: 'Ik steeg op 21-3-45 met mijn Rotte op tegen een massieve vijandelijke aanval in de sector Dresden-Leipzig. Op die dag werden onze radioverbindingen sterk gestoord door de vijand. Op 7.500 m hoogte stootte ik op een B-17 die in oostelijke richting vloog. Hij vloog op dezelfde hoogte van een bommenwerperformatie maar er ongeveer 10 km terzijde en vier km achter. Hij werd begeleid door vier Mustangs. Het leek er op alsof dit toestel een speciale opdracht vloog en ik besloot om hem aan te vallen. De storingen in de radio waren zo sterk dat elke communicatie onmogelijk was. Ik naderde onder de Mustangs door die onmiddellijk de achtervolging inzette en een rook zwarte rook uitstootten (ten teken dat ze op volle kracht overgingen). Ik keek op mijn snelheidsmeter en zag dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. De Boeing bevond zich nu voor mij en draaide naar links af zodat ik me in een positie op 10° links en 5° boven hem bevond. Op ongeveer 1.000 m afstand begon de staartschutter van de bommenwerper te vuren. De rest was in enkele seconden gebeurd. Mijn vleugelman en ikzelf begonnen vanop ongeveer 300 m korte vuurstaten af te geven. We konden een 12-tal inslagen waarnemen in de romp en in de motoren. Toen waren we hem reeds voorbij gevlogen. We begonnen met een grote bocht te maken (met de Mustangs nog steeds achter ons aan, maar steeds kleiner wordend) en konden het einde van de bommenwerper waarnemen. Hij stortte in een vrille neer gedurende ongeveer 2.000 m en verloor daarbij verschillende grote stukken van de vleugels en de romp. Dan explodeerde hij. Onmiddellijk daarna hielden de storingen in de radio's op.'
Wat de werkelijke opdracht was van de alleenvliegende B-17 op die dag was waarschijnlijk niet het storen van vijandelijke radioverbindingen. De enige eenheid van de 8th Air Force die voor deze taak ingezet werd was het 36th Bombardment Squadron dat uitgerust was met B-24's. Op deze 21 maart werden drie toestellen voor het storen van de vijandelijke radioverbindingen ingezet en deze kwamen alle drie onbeschadigd terug naar hun basis. Waarschijnlijk waren de Duitse radio's gestoord geworden door de inzet van de radar van de bommenwerpers.
Onderzoek van de archieven tonen aan dat er slechts vijf zware bommenwerpers door Me 262's werden neergehaald tijdens de gevechten van 21 maart, terwijl de Duitsers er 13 opeisten. De geallieerde jagers eisten de vernietiging van 9 Me 262's op maar JG 7 verloor op die dag slechts twee piloten en I./KG (J) 54 één enkele. Het enige bevestigde Amerikaanse gevechtsrapport van die dag over het verlies van een Duitse jagers was het verslag van Lieutenant Harry Chapman van de 361st FG, hij maakte daarbij gebruik van het K-14 vizier van zijn P-51 D.
'Verband Yorkshire Blue 3' bevond zich op 21 maart omstreeks 0955 Hr in de omgeving van Dresden in Duitsland, tijdens een escortevlucht voor B-17's op een hoogte van 20.000 ft hoogte toen zijn bommenwerper-'box' werd aangevallen door een sectie van vier Me 262's. Na de bommenwerpers te hebben aangevallen zetten ze hun vlucht verder doorheen mijn sectie. Mijn sectiechef bevestigde hun identiteit en we maakten front tegen hen. De nr. 4 van de vijandelijke sectie bleef een bocht maken om mij frontaal te kunnen aanvallen. Het vizier K-14 stond afgesteld op 2.400 ft (800 m), ik heb het lichtvenster op mijn voorruit ingeschakeld en heb dan een vuurbui van 1 à 1,5 sec afgegeven met een deflexie van 10 à 20°. Ik heb de inslagen in de neus van het vijandelijke toestel waargenomen, en aan zijn linkerzijde, vanaf de vleugelwortel, sloegen vlammen tevoorschijn. Hij is links onder mij doorgevlogen met een rookpluim achter zich en daalde in een spiraal. Een piloot van het verband Yorkshire Yellow heeft hem zien te pletter slaan en exploderen...'
Het slachtoffer was bijna zeker één van de twee Me 262's van III./JG 7 die in de buurt van Dresden op bijna hetzelfde moment neergestort zijn. De piloten, Lt Joachim Weber en Unteroffizier Kurt Kolbe vonden beiden de dood.
Op dit tijdstip van de oorlog bezat de Luftwaffe een gelijkwaardig gyroscopisch vizier als dat van de geallieerden, het vizier EZ-42 gebouwd door de firma Askania. In de praktijk was zijn calculator echter zo onbetrouwbaar dat het EZ-42 in de Me 262 werd ingezet, zoals een gewoon reflectorvizier, met geblokkeerde kruisdraad.
De belangrijkste verandering die aan de Me 262 was ingevoerd sinds zijn in dienststelling was de installatie van de Jumo 004 B. Deze had een iets langere levensduur (25 uur indien hij niet in panne viel, wat redelijk vaak gebeurde) en kon een 'ruwere' behandeling verdragen zonder uit te vallen of te exploderen. Een andere modificatie die was ingevoerd was de installatie van een verbeterde stuurknuppel.
VNa 21 maart volgden er nog enkele dagen met regelmatige vluchten tegen de geallieerde bommenwerpers, tot 25 maart, dan volgde er een pauze van vier dagen voordat de strijd weer in volle hevigheid los barste. Op 30 maart lanceerde de Luftwaffe 31 straaljagers tegen de bommenwerperformaties van de 8th AF die Hamburg, Bremen en Wilhelmshaven aanvielen. Één van de Duitse piloten die dag in actie kwam was Leutnant 'Quax' Schnörrer van III./JG 7 die, samen met zijn Katchmarek Oberfähnrich Victor Petermann, een formatie B-17's aanviel in de buurt van Hamburg. De beide piloten vielen de bommenwerpers aan en konden verschillende inslagen waarnemen, maar de Me 262 van Schnörrer geraakt door vijandelijk afweervuur, moest zich terugtrekken met een uitgevallen linker motor. Hij daalde in een bocht naar het zuidwesten op zoek naar een vliegveld waar hij zijn toestel aan de grond kon zetten. Op hetzelfde ogenblik werd hij opgemerkt door een sectie van vier Mustangs die hem onmiddellijk achtervolgden. Schnörrer legde zijn 262 op de rug, wierp zijn cockpitdak af, opende zijn harnas en viel. Maar tijdens zijn val, bij het passeren van de neus van zijn toestel, voelde hij een zware slag tegen zijn rechter been. Alhoewel zijn valscherm zich normaal opende was de landing uiterst pijnlijk. Zijn been was verschillende malen gebroken. Door burgers opgevangen werd hij overgebracht naar het hospitaal van Ulzen.
![]() |
| Opstelling van Me 262 A-1a's op een vliegveld van de Luftwaffe op het eind van de lente 1945. Het toestel op de voorgrond is W.Nr. 170 059. |
VDe B-17's en B-24's van de 8th AF waren de voornaamste prooien van de Me 262, maar niet de enigen. Tijdens de laatste maanden van de oorlog organiseerde het Bomber Command van de RAF krachtige nachtaanvallen tegen Duitsland. Op 31 maart vertrokken 460 Lancasters en Halifax's van No. 1, 6 en 8 Group voor een aanval tegen de duikbootfabrieken van Hamburg. Er was voorzien dat de bommenwerpers hun escortejagers – 12 RAF Sqdns uitgerust met Mustangs – zouden ontmoeten boven Nederland. De derde golf bommenwerpers, gevormd door de No. 6 Group (Canadian), kwam te laat op het RV-punt en miste haar escorte. Boven het objectief slaagden de Mustangs er in om verschillende aanvalspogingen van Me 262 op de bommenwerpers van de twee eerste golven uiteen te slaan en de toestellen te verdrijven. De derde golf had echter geen bescherming en verloor snel na elkaar 19 Halifax's en vier Lancasters tijdens de daaropvolgende gevechten.
Na deze actie eisten de Duitse piloten, die allen tot III./JG 7 behoorden, 10 Lancasters op en de boordschutters van de bommenwerpers vier straaljagers zeker en drie andere waarschijnlijk. Maar tijdens deze actie ging er in werkelijkheid geen enkele straaljager verloren. De snelheid van de straaljagers was iets volkomen nieuw voor het merendeel van de bombardementsbemanningen en in het officieel verslag staat vermeldt: 'de gebruikelijke tactiek van de straaljagers bestond uit een nadering van langs achter, op drie-kwart en uit een iets hogere positie. In bepaalde gevallen openden ze het vuur op 3 à 400 m. De gevechtsverslagen verduidelijken dat de snelheid waarmee deze jagers naderen zo groot was dat er slechts één enkele vuurstoot kon worden afgegeven'. Verschillende staarschutters meldden dat sommigen onder hen reeds begonnen te vuren toen de vijandelijke toestellen nog 900 à 1.000 m verwijderd waren, ze hadden daarbij niet de tijd om meer dan 200 kogels te verschieten voordat de jagers hen 3 sec later op 30 à 50 m afstand voorbijschoten. Sommigen vertelden dat ze geen tijd genoeg hadden om hun toren zo snel te draaien om de jagers op deze afstand te kunnen treffen, zelfs wanneer ze reeds het vuur openden vanaf 900 m...
De jagers openden het vuur met hun R4M raketten op een afstand van 8 à 900 m. De bemanningen van de zware RAF-bommenwerpers, die verspreid in 'Vics' van drie vlogen, en niet zoals de Amerikanen in strakke formaties, gebruikten hun kurkentrekker (corkscrew) wanneer ze door jagers werden aangevallen. Deze ontwikkeling, die iets nieuws was voor de piloten van de Me 262's, heeft waarschijnlijk bijgedragen dat het aantal verliezen aan bommenwerpers aanzienlijk daalde.
Tijdens een reeks defensieve opdrachten tegen de bombardementen van de RAF en de USAAF totaliseerde JG 7 op 31 maart 38 vluchten met de Me 262 en verloor daarbij zelf vier toestellen. De geallieerde archieven bevestigen dat er op die dag waarschijnlijk veertien zware bommenwerpers en twee jagers verloren gingen door de Me 262's.
Tegen het eind van de maand maart 1945 had de Me 262 zich ook een reputatie weten op te bouwen van effectieve tegenstander voor de Mosquito-bommenwerpers die 's nachts Berlijn aanvielen, en dit voorheen bijna ongehinderd konden doen. Kort na de oprichting werd Kommando Walter omgedoopt in 10.Staffel van Nachtjagdgeschwader 11. Oorspronkelijk had de eenheid haar basis op Burg bij Magdeburg maar de geallieerden hadden dit vliegveld zodanig bestookt dat het onbruikbaar was geworden en de toestellen maakten daarom van een recht stuk Autobahn in de nabijheid gebruik om te landen en op te stijgen. Op 24 januari bestond het persoonlijke palmares van Welter met zijn Me 262 nachtjager uit vier viermotorige bommenwerpers en twee Mosquito's.
![]() |
| Een Me 262 B-1a/U1nachtjager, uitgerust met twee 30 mm kanonnen en FuG 218 'Neptun' in de neus en twee afwerpbare brandstoftanks onder de romp. In geval de toestellen werden ingezet als jachtbommenwerpers werden de bijkomende brandstoftanks vervangen door bommen. Dit toestel werd gefotografeerd op Wright Field, na de oorlog. (Foto: Coll. A. Pelletier) |
In april 1945 vond het grootste aantal schermutselingen tussen de Me 262 en de Amerikaanse vliegtuigen plaats want naast JG 7 en KG (J) 54 was ook het elite-Jagdverband JG 44 in actie gekomen, aangevoerd door Galland vanaf München-Riem. Het eerste noemenswaardige gevecht van de maand vond plaats op 4 april, er werden toen bijna 1.000 bommenwerpers tegen de vliegvelden van Parchim, Perleberg, Wesendorf, Fassberg, Hoya, Dedelsdorf en Eggebeck ingezet, ook de duikbotenfabriek in Kiel werd bij deze aanval 'onder handen genomen'. De Amerikaanse piloten hadden ondertussen hun tactiek voor het overrompelen van de Duitse straaljagers tijdens de fase van het starten en opstijgen en tijdens de naderingsvlucht naar hun basis verbeterd, tijdens het bombardement zelf namen de Mustangs dan wachtposities in in de buurt en boven de vliegvelden.
Major Rudolf Sinner van III./JG 7 verwijderde zich van Parchim, vergezeld van zeven andere straaljagers, en steeg naar de bommenwerpers door een gat in de wolken, toen hij plotseling de Mustangs vanuit de zon op zich zag neerduiken. Daar ze nog niet voldoende snelheid hadden bereikt om te kunnen ontsnappen verbraken ze de formatie en maakten in duikvlucht rechtsomkeer naar de FlaK-stellingen rond het vliegveld. De belagers van Sinner waren Mustangs van de 339th FG. Captain Kirke Everson schreef in zijn rapport: 'Omstreeks 0915 hr dook de Red Section door de wolken om een verkenning te maken van een vliegveld te Parchim, terwijl de andere secties op een hoogte van 10.000 ft bleven rondcirkelen. Er bevonden zich verschillende Me 262's op weg naar de wolken en onze sectie dook onmiddellijk op hen af. Lt Croker en ikzelf hebben het dichtstbijzijnde toestel aangevallen, dit verdween onmiddellijk in de wolken om te ontsnappen. Toen kwam hij terug uit de wolken te voorschijn en bevond zich op ongeveer 600 yard afstand op 2.000 ft hoogte. We hebben hem op twee volgende vuurbuien 'getrakteerd' waarop zijn rechter motor vuur vatte. Hij verdween terug in de wolken, maar we bleven hem op de staart zitten.'
Sinner bevond zich in een bijna uitzichtloze situatie. De duikende Mustangs waren sneller dan hij en, door de lage hoogte waarop hij vloog, kon hij niet duiken om zijn snelheid op te voeren. Hij telde reeds acht Mustangs die zich in een positie trachtten te manoeuvreren om hem naar het Walhalla te sturen. Hij trachtte zich onder bescherming van de wolken te verbergen en incasseerde reeds de eerste treffers. Zijn gashendels waren volledig naar voor gedrukt maar de straaljager versnelde slechts in een tergend langzaam tempo. In een poging om zijn snelheid op te jagen drukte Sinner op de afvuurknop van zijn R4M raketten maar deze werkte niet en de raketten bleven op hun plaats. Toen hij terug geraakt werd door de geallieerde jagers werd zijn rechter motor in brand geschoten en vulde zich de cockpit met rook. Hij wierp zijn cockpitdak af en sprong uit de Messerschmitt die nu bijna een snelheid van 700 km/u had bereikt. Hij had het geluk niet door het staartstuk geraakt te worden en zijn valscherm opende zich juist voordat hij op de grond neerkwam. Met verbrande vingers en een verbrand aangezicht werd hij naar een hospitaal overgebracht.
Lt Franz Schall, die samen met Sinner vanaf Parchim was opgestegen, werd eveneens door een Mustang aangevallen en neergehaald, hij kon zich zonder verwondingen met zijn valscherm redden.
De Messerschmitt 262's van de andere bases slaagden er ondertussen in om ongehinderd op te stijgen en zich als jagers te gedragen daar ze hun snelheid maximaal konden benutten. Ongeveer op hetzelfde ogenblik dat Sinner aangevallen werd bij Parchim leidde Leutnant Fritz Müller enkele andere Me 262's vanaf de basis van Lärz tegen de vijand. Müller kon gemakkelijk aan de Thunderbolts ontsnappen die het luchtruim voor de bommenwerperformaties vrij hielden en kreeg daarbij een formatie Liberators in het oog die in zuidoostelijke richting vlogen, naar Bremen. Met grote snelheid naderden hij en zijn andere toestellen hun prooi: 'Ik vuurde al mijn R4M's af vanop een afstand van 600 m op een punt 50 m voor het eerste toestel. Ze troffen een Liberator in het midden van de formatie in de vleugels en de romp. Hij steeg, vertraagde en ging naar beneden;'
Müller zag zijn slachtoffer terug in een vlakke vlucht overgaan en dacht reeds dat hij een tweede aanval zou moeten uitvoeren. 'Maar voordat ik me terug in positie kon brengen en vuren met mijn boordwapens begon de Liberator in een grote bocht snel naar links te dalen. Ik zag zes valschermen die zich openden. De Liberator zette zich op de staart en verdween op 2.000 m hoogte in een wolkenbank in de omgeving van Bremen.'
Het is bijna zeker dat de formatie die door Müller en zijn makkers werd aangevallen tot de 448th BG behoorde. Er waren drie B-24's uit deze formatie neergehaald. Volgens de archieven van de Luftwaffe waren er die 4de april 47 vluchten uitgevoerd door Me 262's, 44 ervan hadden contact gehad met de vijand en hadden daarbij een bevestigde score geboekt van 7 neergehaalde bommenwerpers en twee jagers en beschadigingen aan minstens drie ander bommenwerpers. Acht straaljagers waren verloren gegaan en vijf hadden beschadigingen opgelopen: vijf piloten werden gedood of bleven vermist, drie werden er gewond.
VDe Duitse piloten die in maart en april 1945 overstapten op de Me 262 waren geschokt door de chaos die er tijdens deze laatste weken van de oorlog heerste, en kregen zelfs de tijd niet om een echte omvormingscursus te volgen. Één onder hen was Leutnant Walter Hegenah, een ervaren jachtpiloot met verschillende overwinningen op de Me 109 en FW 190. Toen hij werd overgeplaatst naar III./JG 7 nam hij deel aan een omscholingcursus: 'Onze theoretische cursus duurde juist geteld één enkele namiddag. Men had ons uitleg gegeven over de straalmotoren en hun werking, het gevaar bij verkeerde behandeling op grote hoogtes en de armzalige versnelling bij lage snelheden. Men had vooral veel aandacht geschonken aan de juiste bediening van de gashandels zodat er geen brand kon ontstaan. We kregen echter geen toelating om de motoren onder de motorkappen zelf te bekijken – men verklaarde ons dat deze zeer geheim waren en dat we niet meer moesten weten dan nodig was !'
Tegen het eind van de maand maart voerde Hagenah een vlucht uit in een Me 262 met dubbele besturing, een Me 262B tweezitter. Daarna maakte hij een solovlucht en werd daarop geschikt verklaard voor de inzet met de straaljager. Daar hij werd omgeschoold bij een operationele eenheid mocht hij geen andere oefenvluchten uitvoeren, enkel operationele. Er bestonden ook nog andere problemen: 'Toen ik juist bij III./JG 7 toekwam waren er geen toestellen genoeg, noch reservemotoren. Soms was er ook geen brandstof J-2 beschikbaar. Ik was er zeker van deze bestond en dat de productie aan de vereisten voldeed maar de situatie in deze fase van de oorlog was zodanig dat alle transporten in het honderd liepen en dat het juiste materiaal niet altijd bij de juiste eenheden terechtkwam.'
Ervaren piloten beschikten over voldoende kennis om ook blindvluchten uit te voeren. De omscholing op de Me 262 verliep voor Hagenah zonder veel problemen, maar er waren ook andere piloten die veel minder ervaring hadden en deze ondervonden dan ook meer moeilijkheden om zich aan te passen: 'In onze eenheid moesten de piloten om op de Me 262 te vliegen minstens een honderdtal vluchturen op hun actief hebben. Ze waren in staat om op te stijgen en het toestel aan de grond te zetten, maar daarnaast had ik steeds het gevoel dat ze niet veel kaas hadden gegeten van gevechtsvliegen. Het was bij na een misdaad om deze kerels met zo weinig ervaring operationele vluchten te laten uitvoeren. Deze jonge mannen deden hun uiterste best maar moesten hun gebrek aan ervaring zeer duur betalen...'
Tegen het eind van de eerste week van april 1945 had de Luftwaffe meer dan 1.200 Me 262's in ontvangst genomen. Op 9 april waren er echter slechts 200 toestellen – één op zes – in dienst bij de gevechtseenheden. Deze waren als volgt verdeeld:
Waarschijnlijk is de getalsterkte van 200 straaljagers in dienst bij de gevechtseenheden nooit overschreden. Van alle andere toestellen die waren overgenomen geworden waren er een groot aantal door vijandelijke vliegtuigen aan de grond of in de lucht vernietigd geworden, of verloren gegaan bij ongelukken. Nog andere toestellen waren achtergebleven op spoorwegen tijdens hun transport naar de eenheden of stonden achtergelaten op vliegtuigparks. Tijdens de laatste oorlogsmaand werden de Luftwaffe geconfronteerd met de destructieve kracht van de geallieerden die voornamelijk gericht was tegen vliegvelden en communicatiecentra en kon om die redenen slechts een heel klein percentage van de afgewerkte 262's inzetten.
Op 10 april werden de opdrachten van de Me 262 voortgezet met 55 vluchten tegen een 1.100-tal zware bommenwerpers en hun sterke jagerescorte die militaire objecten in de omgeving van de vliegvelden van Oranienburg, Neuruppin, Briest, Zerbst, Burg bij Magdeburg, Rechlin, Lärz en Parchim aanvielen.
Walter Hagenah was één van de jagers die opsteeg om de aanvallers te onderscheppen en vloog daarbij zijn eerste operationele actie met een Me 262. Hij vertrok vanaf Lärz met een jonge Feldwebel als vleugelman, een onervaren piloot. Toen ze beiden tot op 5.000 m, boven de wolken, waren geklommen ontdekte Hagenah een bommenwerperformatie op 6.000 m. Met zijn vleugelman zette hij zijn stijgvlucht verder naar de bommenwerpers toe. De beide Duitse straaljagers werden opgemerkt door een zestal hoogvliegende Mustangs die onmiddellijk de aanval in duikvlucht inzetten. Toen de spoortrekkers van de vijandelijke jagers de beide straaljagers begonnen in te sluiten kon Hagenah in een lichte duikvlucht met bochtenwerk uit het schootsveld ontsnappen. Zijn vleugelman, die angst had gekregen door de spoortrekkers die links en rechts van hem passeerden, begon te panikeren. Op dit ogenblik hadden de vijandelijke jagers gewacht en in een tijd van niets moest hij een hele reeks treffers incasseren waarop bij neerstortte en te pletter sloeg.
Tijdens het verloop van de aanval hadden de Mustangs Hagenah in feite geïgnoreerd. Van op een tamelijk grote afstand zag hij dat de Mustangs terug verzamelden en hun koers in westelijke richting vervolgen. Hij zette de achtervolging in om zich te wreken. : 'Ik naderde snel langs achter maar toen ik op ongeveer 500 m was genaderd begon de Leader met zijn vleugels te wakkelen en ik begreep dat ze me opgemerkt hadden. Ik lanceerde mijn 24 R4M raketten.'
Hagenah was er zeker van dat één of twee raketten de vijandelijke jagers troffen, maar bij opzoekingen in geallieerde rapporten werd er geen enkele bevestiging voor dit feit gevonden.
![]() |
| In de bossen van Beieren ontdekten de geallieerden in de fabriek van Neuberg am Donau deze Me 262's, bijna afgewerkt en klaar voor hun eerste vlucht die zou worden uitgevoerd vanaf de nabijgelegen autobaan. |
VDe gevechten van 10 april werden gevolgd door een snelle daling van de inzet van de Me 262 wnt de geallieerde legers drongen nu snel steeds dieper Duitsland binnen, zowel vanuit het westen als het oosten. Op die dag viel Hamburg terwijl de aanvalsspits van de Amerikanen naar Nuremberg wees. In het oosten maakte het Rode Leger zich klaar om de Oder over te steken, in een positie op ongeveer 60 km van Berlijn. Het slechter worden van de militaire situatie weerspiegelde zich bijna onmiddellijk in de gevechtsorders van de gevechtseenheden, en de eenheden die op de Me 262 vlogen in het bijzonder, want de reeds ver uitgeputte voorraden werden slechts beschikbaar gesteld aan een klein aantal bevoorrechte Gruppen. De volgende dag, op 11 april, werden I./JG 7 en I./KG (J) 54 opgeschrikt: als vanzelf waren KG (J) 6 en II./KG (J) 54 verdwenen, de Me 262 jachteenheden die gevlogen werden door de vroegere bommenwerperpiloten, zonder dat ze zelfs operationeel waren geworden. De overblijvende straaljagereenheden werden naar sectoren overgebracht die niet direct gevaar liepen overrompeld te worden door de geallieerde opmars: Schleswig-Holstein en Denemarken in het noorden en Beieren, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije in het zuiden.
![]() |
| Het 50 mm kanon Mk 214 werd experimenteel gemonteerd als vervanger voor de vier 30 mm MK 108 kanonnen. Het wapen bracht echter geen tevredenstellende resultaten, voornamelijk te wijten aan de lage mondingssnelheid. Het wapen was voorzien om de zware viermotorige Amerikaanse bommenwerpers te vernietigen. |
Tijdens de negen operationele maanden had de Me 262 niet echt veel bijgedragen tot de 'eindoverwinning', daarvoor waren er te weinig toestellen in de lucht kunnen gaan en beschikte de Luftwaffe over te weinig ervaren piloten en voldoende brandstof. Een studie van de Britse en Amerikaanse archieven toont aan dat de Me 262 verantwoordelijk was voor de vernietiging van 150 geallieerde vliegtuigen terwijl hij zelf in 100 gevallen het onderspit moest delven. De acties die hij uitvoerde als jachtbommenwerper waren zo weinig van betekenis dat ze amper in de geallieerde archieven als dusdanig vermeld staan.
Het ontbreken van het succes had veel oorzaken: eerst en vooral was er het feit dat ze slechts in kleine groepen werden ingezet. Na oktober van 1944 produceerden de verschillende fabrieken van Messerschmitt meer 262's dan dat de Luftwaffe kon inzetten: tegen het einde van de oorlog waren er meer dan 1.400 geproduceerd geworden. Nochtans waren er nooit meer dan 200 toestellen tegelijkertijd bij de operationele eenheden beschikbaar en – waarschijnlijk nooit gebeurd – meer dan zestig toestellen per dag in de lucht, ongeacht de aard van de opdracht : nachtjager, dagjager, verkenner of jachtbommenwerper. De chaotische toestand van het Duitse transportsysteem tijdens de laatste zes maand van de oorlog, tengevolge van de niet ophoudende geallieerde luchtaanvallen, had eveneens een rampzalige invloed op de inzet van de Me 262.
Ongetwijfeld was de Messerschmitt Me 262 het beste jachtvliegtuig dat in de Tweede Wereldoorlog tot inzet kwam. Maar zijn superioriteit ten opzichte van de beste geallieerde jagers, zoals de Mustang, was niet voldoende om het numerieke te kort aan vliegtuigen van de Luftwaffe tijdens de laatste maanden van de oorlog voldoende te compenseren.
Na de oorlog ondervroegen de geallieerde inlichtingen-officieren een groot aantal Duitsers die operationeel op de Me 262 gevlogen hadden. Hun rapport, samengevat onder de benaming 'The Me 262 as a Combat Aircraft' geeft een fascinerend inzicht van de technische karakteristieken en de inzet van deze machine. Het volgende is gebaseerd op dit rapport. Technische karakteristieken
Gemodificeerde stuurknuppel:
Bij een snelheid van 800 km/u werden de bediening van de rolroeren en het op hoogte houden van de Me 262 tamelijk lastig met de traditionele stuurknuppel, om deze mechanische problemen op te lossen werd een nieuwe stuurknuppel in gebruik genomen, deze zou bij de serievliegtuigen ingebouwd worden. Hij was voorzien van een telescopisch uiteinde die kon vergrendeld worden en toeliet dat de hefboom werd verhoogd.
Automatisch gas geven:
De gashendel werd langzaam geopend tot aan 6.000 t/m om de motoren voor te verwarmen. Boven de 6.000 toeren kon de hendel verder geopend worden tot dat een weerstand werd bereikt. Eens deze weerstand bereikt zorgde een automatische regelaar voor de druk en de brandstoftoevoer die een te grote brandstoftoevoer en een te brutaal opwarmen van de motoren moest verhinderen. Tegen het einde van de oorlog was er een nieuwe regelaar ontwikkeld die, hoe ver de gashendel ook was geopend, een langzame versnelling en drukregeling verzekerde. Deze nieuwe regelaar werd nog tot aan het eind van de oorlog ingebouwd en werkte uiterst tevredenstellend.
Starthulp:
Met de Me 262 werden er verschillende soorten van starthulp uitgeprobeerd: twee raketten van 495kgp verkorten de startrun van een toestel zonder bommen of raketten met 250 à 300 m. De startrun van een toestel zonder bommen of raketten duurde niet langer dan 400 m met twee startraketten van elk 990 kgp.
Berekening van het bereik:
Het bereik en de snelheid van de Me 262 was afhankelijk van verschillende omstandigheden zolas de temperatuur en de luchtdruk. Om de piloten te helpen bij het voorbereiden van hun vlucht was er door Messerschmitt een speciale berekeningformule aan de eenheden meegedeeld.
Nieuwe parachutes:
De grote snelheid van de Me 262 maakte het voor de piloten gevaarlijk om het toestel in volle vlucht te verlaten met een gewone parachute, want indien de piloot zijn valscherm onmiddellijk opende nadat hij zijn cockpit had verlaten kon de schok die werd veroorzaakt door het openen van het valscherm de piloot ernstig verwonden. Daarom werden er twee nieuwe valschermen ontwikkeld. Eén ervan was voorzien van metalen ringen die dienden om de spanning juist onder de koepel en de omvang van de koepel met onmiddellijk werking te verminderen. Eenmaal dat de schok van het openen was opgevangen gleden de ringen naar beneden en kon de valscherm zich volledig openen. Het tweede valscherm was het 'Bänderschirm' waarbij de koepel werd gevormd door aparte zijden banden (in plaats van de gebruikelijke volle koepel). Deze valscherm opende zich aanzienlijk trager en het dalen gebeurde sneller. Deze valscherm werd snel ter zijde gelegd want de piloten hadden behoefte aan een valscherm dat zich snel opende ingeval ze op lage hoogte moesten uitstijgen.
Opstijgen en landen:
De afstand van de startrun was grotendeels afhankelijk van de heersende temperatuur en de luchtdruk. De volgende getallen zijn van toepassing voor een gevechtsklaar vliegtuig, volgetankt en uitgerust met 24 R4M raketten:
Start vanaf een graspiste 1.800 tot 2.000 m
Start vanaf een harde baan 1.500 tot 1.800 m.
De afstand van de landingsrun met een minimale brandstofvoorraad en zonder raketten bedroeg 1.100 m, zowel op een graspiste als op een verharde baan.
Hoogteplafond:
Het hoogteplafond dat met een Me 262 tijdens testen werd bereikt bedroeg 11.200 m, het operationele plafond voor de gevechtsformaties bedroeg 9.150 m omdat het op grotere hoogtes moeilijker was om de formatie te houden, en omdat ook het gevaar voor brand op grotere hoogtes toenam. Dit risico voor brand was ook op hoogtes onder de 6.000 m bij ongeregelde bediening van de gashendel aanzienlijk groter.
Onderhoud:
De Jumo 004 van de 262 was voorzien voor een gebruik van 25 à 35 uren, maar in praktijk werd de werkingsduur teruggebracht tot 10 uur. Theoretisch had men drie uur nodig om een motor te vervangen en af te stellen, in praktijk bedroeg dit tussen de 8 en 10 uur wegens de problemen die men ondervond met het verbinden van de aansluitingen en een gebrek aan ervaren mecaniciens.
Het voltanken duurde tussen de 8 en 15 minuten onder operationele omstandigheden, afhankelijk van het debiet van de pomp.
Vliegen op één motor:
De Me 262 vloog goed op één motor, en daarbij werden konden snelheden tussen de 450 en 500 km/u voor 2,5 uur aangehouden worden.
Bij gelijkaardige testen werd er naar een hoogte van 7.600 m geklommen en vervolgens één van de motoren afgesteld. Om de motor opnieuw te kunnen starten moest er gedaald worden naar een hoogte onder de 3.000 m. Ook het landen met één motor was mogelijk maar was nogal gevaarlijk en moest, indien mogelijk; vermeden worden.
Bewapening:
De standaardbewapening bestond uit vier 30 mm kanonnen MK 108. De concentratie van de kanonnen in de neus bewees zich als ideaal, maar in bochten ondervond men problemen doordat de centrifugale krachten de patroonbanden vervormden. Dit probleem werd veel te laat opgelost door een modificatie in het voedingssysteem. De inslag van de kanonnen was gecentreerd op een punt tussen de 400 en 500 m vóór het toestel.
Tegen de bommenwerpers gebruikte de Me 262 van JV 44 24 R4M raketten, 12 onder elke vleugel. Elk raket bevatte 500 gr hexogeen (zeer brisante springstof die een grote drukverplaatsing veroorzaakte). De raketten werden onder verschillende instelhoeken afgevuurd in een ruimte die op 600 m afstand overeenkwam met de ruimte die een viermotorige bommenwerper innam. Er zijn veel overwinningen met deze raketten geboekt en het was voorzien om een Me 262 met tot 48 van deze R4M's onder de vleugels uit te rusten zodat hun uitwerking kon verhoogd worden. Hun traject die ze vlogen was bijna hetzelfde als dit van de 30 mm granaten, ze werden dan ook afgevuurd met behulp van een normaal vizier.
In januari 1945 werd er, met speciale toelating van Göring, een nieuwe jachteenheid opgericht door Generalmajor Adolf Galland. Deze eenheid kreeg de benaming Jagdverband 44 ( JV 44) of Jagdverband Galland. Aanvankelijk opereerde de eenheid, die gevormd was uit JG 7, en over 40 à 50 piloten (waarvan 20 nieuw of onervaren) beschikte, vanaf München-Riem en nadien vanaf Salzburg-Maxglan waar ze op 3 mei 1945 werden gevangengenomen door de Amerikaanse troepen.
Tijdens de korte operationele periode zette Galland met de meest ervaren piloten verschillende gevechtsprocedures voor de Me 262 op punt. Zij voerden daarbij ook een aantal aanvallen uit tegen vijandelijke bommenwerperformaties en bereikten enkele successen ten koste van tamelijk zware eigen verliezen die werden toegebracht door de alom tegenwoordige escortejagers.
Zelden namen er meer dan 16 vliegtuigen van JV 44 tegelijkertijd deel aan een opdracht, met als resultaat dat ze tijdens hun aanvallen tegen de Amerikaanse bommenwerpers steeds in een numerieke minderheid waren tegenover de begeleidingsjagers. Hun hoofdopdracht bestond uit het vernietigen van viermotorige bommenwerpers en het gevecht met de escortejagers moest, indien mogelijk, zoveel mogelijk vermeden worden. Het optreden van de Me 262 werd dus steeds gekenmerkt door hun inferieure numerieke aantallen en de beperking wat betreft de gevechtsdoelen.
Door de grote radius van de draaicirkel en de middelmatige versnelling van de Me 262 opereerde men over het algemeen per Kette (een operationele formatie die bestond uit drie toestellen) daar deze basisformatie praktischer was dan de Schwarm (die uit vier toestellen bestond). JG 7 opereerde over het algemeen met Schwarmen, terwijl JV 44 de voorkeur gaf aan de Kette omdat door het gebrek aan manoeuvreerbaarheid het opereren in grotere formaties bemoeilijkte. Bij het bochtenwerk moesten de beide toestellen die achter de leider vlogen, lager vliegen om het oogcontact met hun kopman niet te verliezen daar het zicht naar onder zeer beperkt was.
De formatie met drie toestellen kreeg nog om een andere reden de voorkeur: door de hoge snelheid die het toestel op lage hoogte kon behalen en wegens de relatief beperkte actieradius was het verzamelen na het opstijgen moeilijker dan bij de conventionele jagers. Het was dus noodzakelijk dat elk element tezelfdertijd opsteeg en de verharde startbanen van de Duitsers waren juist breed genoeg om drie Me 262's naast elkaar te laten vertrekken.
Voor de aanval op de bommenwerpers werd er over het algemeen geopereerd in Staffelformatie, gewoonlijk negen toestellen verdeeld over drie Ketten. Tijdens het naderen van de doelen bestond de standaardformatie uit een leiderselement en twee anderen, die iets hoger en aan beide zijden van het leiderselement vlogen. De tussenafstand tussen de elementen bedroeg ongeveer 100 in de hoogte en 150 m in afstand. De beide achterste elementen vlogen op ongeveer 300 m tussenafstand. Indien er meer dan één Staffel opsteeg vloog de tweede op een van de flanken in een iets hogere positie. Wegens de hoge snelheid van de Me 262 bestond er geen behoefte aan hoogtebescherming.
De formaties werden vanaf bodemstations door radar geleid. Vanaf het moment dat er oogcontact met de bommenwerpers was gemaakt manoeuvreerden de straaljagers zich in een gunstige positie om in groep langs achter aan te vallen. De beslissing voor de aanval werd bepaald op het ogenblik dat de hoogte en de koers van de bommenwerpers was vastgesteld (gewoonlijk was dit ruimschoots op voorhand gebeurd).
Om de effectiviteit van de aanvallen te verhogen viel elke Staffel een andere groep bommenwerpers aan. De meest geschikte nadering begon op 5.000 m achter en 2.000 m hoger dan de bommenwerpers. De eigenlijke aanval begon op 2.000 m achter de bommenwerpers.
De Me 262's, die in drie Ketten vlogen, doken na elkaar naar een hoogte die 500 m lager lag dan de bommenwerpers en 1.500 m verder naar achter. Dan stegen ze terug om te vertragen en naderden de laatste 1.000 m de bommenwerpers op gelijke hoogte. De korte duikvlucht werd uitgevoerd om de snelheid tot ongeveer 850 km/u op te voeren en op die manier aan de escortejagers, die altijd in de buurt waren, te ontsnappen. Om beter te kunnen mikken was het aangeraden de snelheid iets te minderen. Het was voor de straaljagers van levensbelang om in formatie te blijven en aan te vallen over de ganse lengte van de groep bommenwerpers zodat deze hun afweervuur niet konden concentreren.
De piloten van JV 44 hadden op hun voorruit twee lijnen geschilderd die een ruimte afbakenden die door een viermotorige bommenwerper werd opgevuld op een afstand van 700 m. Op deze afstand werden de R4M raketten op het geviseerde doel afgevuurd. Toen alle R4'M's waren afgevuurd werden de bommenwerpers bestookt met de 30 mm MK 108 kanonnen. Daarbij mikten de piloten op het silhouet van hun doel daar de afstand nog te groot was voor een preciezer mikken. In de praktijk was het moeilijk om zich achter een bommenwerper tijdig in een gunstige vuurpositie te manoeuvreren.
De drie Ketten naderden de bommenwerpers tot op 150 m en maakten zich toen van hen los. Door hun hoge snelheid moesten de Me 262's zich niet onder de bommenwerpers 'laten vallen' maar konden de formatie overvliegen of er onderdoorvliegen terwijl ze hun onderzijde in een bocht door de bommenwerpers lieten bewonderen. Terwijl ze onder of boven de formatie wegvlogen bleven ze zo dicht mogelijk bij de vijandelijke toestellen waardoor ze de MG-schutters de tijd ontnamen om gericht vuur af te geven.
Indien ze nog over voldoende brandstof en munitie beschikten voerden ze nog een aanval uit op een andere groep bommenwerpers die verder vooraan vloog. Wanneer ze over nog voldoende snelheid beschikten was dit geen probleem, was hun snelheid tijdens hun eerste aanval echter te veel gedaald dan vormden ze een gemakkelijke prooi voor de escortejagers die ondertussen hun posities hadden kunnen innemen. Wanneer de straaljagers te ver verspreid waren en over niet voldoende brandstof beschikten om dit te doen keerde elk toestel afzonderlijk naar zijn basis terug en rekende daarbij op zijn snelheid om aan de geallieerde jagers te ontsnappen. Door de lichte duikvlucht waarmee ze zich van de bommenwerpers verwijderden konden ze de escortejagers meestal gemakkelijk achter zich laten.
Er werden bij sommige gelegenheden ook frontale aanvallen met een Me 262 uitgevoerd maar de naderingssnelheid van de beide toestellen was zodanig hoog dat het onmogelijk was om te mikken, gericht te vuren en het resultaat van de aanval waar te nemen.
De Duitse piloten waren ervan overtuigd dat wanneer de Me 262 in grote groepen was ingezet geworden hij uiterst doeltreffend zou zijn geweest tegen de dagelijkse bommenwerperstromen. Maar hun numerieke minderheid en het gebrek aan brandstof en ervaren piloten amputeerde een groot gedeelte van de capaciteiten van de Me 262
Inzet tegen jagers en jachtbommenwerpers
De Me 262 werd de lucht ingestuurd tegen de bommenwerperformaties omdat er geen andere geschikte jagers beschikbaar waren en omdat hij in staat bleek de bommenwerpers met succes aan te vallen en zelfs een ernstige bedreiging voor deze laatsten vormde. Maar de piloten van de Me 262 ondervonden ook dat de straaljager uiterst geschikt was voor het opsporen en vernietigen van vijandelijke jagers en jachtbommenwerpers. Het is zeker dat wanneer de Me 262's met enkele honderden exemplaren tegen de geallieerde escortes waren ingezet geworden ze er de geallieerden toe gedwongen hadden om ook straaljagers in te zetten of om hun dagelijkse aanvallen tegen Duitsland drastisch in te krimpen.
De twee voornaamste voordelen van de Me 262 als jager waren zijn snelheid en zijn stijgvermogen. Hij was zonder twijfel minder wendbar dan de conventionele jagers die nog met zuigermotoren vlogen, maar deze twee capaciteiten maakten veel goed en bezorgden de straaljager twee bijkomende troeven voor luchtgevechten: verrassing en superioriteit in de hoogte. Op de hoogtes waarop de luchtgevechten gewoonlijk werden uitgevochten konden de Duitse piloten beslissen over het feit als ze de confrontatie wilden aangaan of vermijden. Ze konden stijgen en zich tezelfdertijd van de geallieerde formaties verwijderen. Omdat ze meestal vanuit de hoogte konden aanvallen hadden de geallieerde escortejagers een beperkt voordeel, maar wanneer hun aanval mislukte verkeerden ze onmiddellijk in het nadeel omdat ze de stijgende straaljagers niet konden achtervolgen.
Me 262's gingen verloren doordat ze zich lieten verleiden tot het 'rollen' met geallieerde jagers, en vooral met de P-51 Mustang: de Duitse piloten minderden snelheid om beter te kunnen wenden maar vergaten daarbij dat de Mustang ook dan nog wendbaarder was. Indien de geallieerden een defensieve cirkel vormden was het aanzienlijk gemakkelijker om te duiken en te vuren, een halve rol te maken alvorens te stijgen en daarna opnieuw aan te vallen. Wanneer de Me 262 zich tot een 'dogfight' liet verleiden was hij steeds in het nadeel.
Bij een aanval langs onder kon de Me 262 gemakkelijk vuren tijdens zijn stijgvlucht. Bij een aanval vanuit de hoogte was hij snel te dichtbij en moest opnieuw stijgen en draaien om een nieuwe aanval uit te voeren.
Tegen jachtbommenwerpers op een hoogte van 5.000 m of lager bezat de Me 262 nog een grotere superioriteit. Zijn snelheidmarge tegenover conventionele jagers was het grootst op lage hoogtes en de jachtbommenwerpers waren nog trager door hun bommenlast en bijkomende pantsering. De snelheid van de Me 262 liet toe dat de piloten op lage hoogte vlogen en de vijandelijke jachtbommenwerpers konden waarnemen tegen een bewolkte achtergrond, die ze dan, eens hun prooi uitgekozen, in stijgvlucht aanvielen. Met een conventioneel vliegtuig was een dergelijke aanval niet mogelijk.
Slechts bij zeldzame gelegenheden vielen de Me 262's de geallieerde escortejagers aan, enkel dan wanneer een aanval op de bommenwerpers onmogelijk was. De geallieerde jagers ondervonden echter spoedig dat het een goede tactiek was om de aanvallende straaljagers aan te vallen voordat deze de bommenwerpers hadden bereikt die zelfs een gemakkelijke prooi vormden voor conventionele Duitse jagers. Maar alhoewel ze tegen de geallieerde jagers opgewassen waren en er toch een tamelijk aantal straaljagers bij de Duitse jachteenheden beschikbaar waren, kregen deze de opdracht om hun aanvallen hoofdzakelijk tegen de bommenwerpers te richten: er was niet voldoende brandstof beschikbaar om ook nog eens de geallieerde jagers gericht aan te vallen.
Inzet van de Me 262 als bommenwerper in lichte duikvlucht:
Bij KG 51 werd de Me 262 uitgerust met een bom van 500 kg, of twee bommen van 250 kg. Zijn precisie bij het afwerpen was te vergelijken met deze van de FW 190. Wegens zijn hoge snelheid was het mogelijk op lage hoogte te opereren, zelfs onder de oppermachtige geallieerde luchtsuprematie. Tijdens hun operationeel debuut kregen de 262's van KG 51 geen toelating om onder de 4.000 m te opereren, een hoogte die totaal werd beheerst door de geallieerden, zodat er geen toestellen in vijandelijke handen zouden vallen. Hun bombardementen waren daardoor uiterst onnauwkeurig.
Als bommenwerper opereerde de Me 262 in formaties van vier toestellen die in tirailleur aanvielen en vanaf 5.000 m een lichte duikaanval uitvoerden voordat ze hun bommen dropten. Ze vlogen gewoonlijk met een tussenruimte van 100 m. Het doel werd schuin aangevlogen en, omdat dit soms achter de linker of rechtermotorkap verdween, hielden de piloten een koers aan van 30° terwijl ze door gebruik te maken van hun normaal vizier het doel aanvlogen. Daarbij bereikten ze een snelheid van 850 tot 900 km/u. Om niet aan het doel voorbij te schieten verminderden ze hun toerental van de motoren tot 6.000 t/m en, indien nodig, verscherpte ze hun duikhoek. Gewoonlijk werden de bommen op 1.100 m afgeworpen. Voordat ze hun duikaanval begonnen was het van levensbelang dat hun achterste brandstoftank was leeg gevlogen en dat ze hun neus na de aanval niet te brutaal optrokken zodat de vleugels niet afbraken. Veel piloten en toestellen gingen verloren door één van deze oorzaken.
Bij herhaalde gelegenheden werden de Me 262's ingezet om geallieerde troepen aan te vallen maar de piloten waren ervan overtuigd dat het toestel voor zulke opdrachten niet geschikt was. De mondingsnelheid van de MK 108 was zo laag dat ze verplicht waren om aan te vallen op 350 m of nog minder om enige precisie te bereiken, bovendien beschikte de machine over een te kleine munitievoorraad. De Me 262 beschikte daarbij over geen aangepaste pantsering.
Jagdverband JV 44
Enkele bekende piloten van JV 44 waren naast Galland (Ritterkreuz – Brillanten): Oberst Gunther Lützow ( Ritterkreuz – Schwertern), Oberstleutnant Gerhard Backhorn (Ritterkreuz – Schwertern), Oberstleutnant Wolfgang Späte ( Ritterkreuz – Eichenlaub), Major Erich Hohagen (Ritterkreuz), Major Walter Krupinski (Ritterkreuz – Eichenlaub), Major Karl-Heinz Schnell ( Ritterkreuz), Oberleutnant Hans Grünberg ( Ritterkreuz), Oberleutnant Alfred Heckmann (Ritterkreuz) en Leutnant Helmut Neumann (Ritterkreuz).
Nadat ze een korte periode vanaf Brandenburg operationeel waren geweest, tezamen met JG 7, werd de eenheid die nu over 50 piloten beschikte, op 31 maart overgeplaatst naar München-Riem. De nominale getalsterkte bedroeg 25 vliegtuigen, maar door moeilijkheden met de Jumo 004 motoren en de landingsgestellen waren er amper 15 toestellen gelijktijdig operationeel.
In tegenstelling tot JG 7, dat steeds opereerde in elementen (Schwarmen) van vier, bestond bij JV 44 een Kette uit slechts drie toestellen. Meestal waren de toestellen uitgerust met R4M raketten en vlogen meestal in V-formatie (de laatste machine het laagst). Om de raketten af te vuren maakten de piloten gebruik van een standaard Revi.
Jagdgeschwader JG 7
Het JG 7 werd opgericht onder bevel van Luftwaffe-veteraan Oberst Johannes Steinhoff, ex-Geschwaderkommodore van JG 27 'Herzas'. De eenheid was uitgerust met Me 262's en een aantal Me 109 G's, en had haar basis te Brandenburg. De eerste Gruppe die in dienst werd gesteld was III./JG 7 onder bevel van Major Erich Hohagen, operationeel had Major Rudi Sinner het commando. Sinner scoorde de eerste overwinning toen hij op 26 december 1944 een P-38 Lightning neerschoot boven Füllsteinhorn. III./JG 7 was toen reeds overgeplaatst naar Parchim bij Schwerin.
Kort na de oprichting van de III. Gruppe werd de Geschwaderstab gevormd maar deze werd niet operationeel voordat Major Theodore Weissenburger (van JG 5) het bevel van Steinhoff overnam. Ook I. en II./JG 7 zouden worden opgericht onder respectievelijk Major Desdorffer te Brandenburg en Major Erich Rudorffer te Neumunster, maar in feite bestonden deze beide Gruppen uit slechts enkele ongeregelde elementen.
Op aandringen van Sinner werden er bij de E-Stelle Rechlin met Jagdgruppe 10 en III./JG 7 door testpiloot Fritz Wendel testen uitgevoerd met de R4M raketten. Ook andere lucht-luchtraketten zoals de R.100.BS die in samenwerking met de Oberon-radar werden ingezet en de Kramer X4 wapens werden bij deze gelegenheid getest. Maar zoals de Me 262 kwamen ook deze wapens te laat om nog van enige betekenis te kunnen zijn in het verloop van de oorlog.
Me 262 Nachtjager
In oktober 1944 testten Oberst Hajo Herrmann van Jagddivision 30 en Oberleutnant Behrens van de E-Stelle Rechlin een Me 262 (W.Nr. 130056), die uitgerust was met de SN-2 radar, als nachtjager. Ze vonden dat het toestel uitstekend geschikt was voor deze opdracht en er werd toelating gegeven voor het bouwen van de Me 262 B-1a als nachtjager. Deze variant, de Me 262 B-1a/U1 was uitgerust met de FuG 218 Neptun V radar, FuG 35O ZC Naxos, FuG 16 zy S/E, FuG IFF 125, FuG 120a Benardine en FuG 125. De antenne-opstelling van deze verschillende radarsets verminderde de snelheid van het toestel met 53 km/u.
De hoofdvariant van de nachtjager die in productie ging was de B-2a, deze had een verlengde romp in de staartsectie (9 cm). Dit liet toe dat de machine een brandstofvoorraad van 2.900 l meenam. Dit was een grote verbetering betreffende de actieradius. Achter de cockpit werden er twee bijkomende 30 mm MK 108 kanonnen als 'Schräge Musik' geïnstalleerd.
De eerste experimentele nachtjachteenheid was Kommando Stamp, genoemd naar de bevelhebber Majoor Gerhard Stamp van I./JG 300. De eenheid kreeg later de naam Kommando Welter (naar Major Kurt Welter) en was uitgerust met 10 nachtjagers Me 262. De eenheid had zijn basis te Berlijn en werd ingezet voor de verdediging van de stad. In april 45 werd de eenheid toegewezen aan NJG 11 als 10./NJG 11 en werd ingeschakeld bij de 'Wilde Sau' tactiek. De andere Staffeln van deze eenheid opereerden met de Me 109 G-14.
Tegen het einde van 1944, toen de geallieerden steeds verder naar het hart van Duitsland doorstootten werden er eveneens experimenten uitgevoerd met Me 262's die werden uitgerust met startraketten. Deze stuwraketten moesten er voor zorgen dat de toestellen nog sneller de onderscheppingshoogte konden bereiken. De eerste variant die voor dit experiment werd gebruikt was een Me 262 C-1a en werd onder de romp uitgerust met een Walter HWK 109-509A stuwraket met vloeibare brandstof. De raketuitlaat bevond zich onder de gemodificeerde staart en werd gevoed door een tank met 900 liter C-Stof die in het toestel zelf was gemonteerd en door twee afwerpbare vleugeltanks met elk 300 liter T-stof (beide stoffen – T en C – vormden eveneens de brandstof die werd gebruikt voor de inzet van de Me 163 Raketenjäger 'Kraft Ei'). De enige gebouwde versie, Me 262 C-1a W.Nr. 130186, vloog op 27 februari 1945 met Flugkapitän Karl Baur aan de stuurknuppel. Het toestel bereikte vanuit een staande start een hoogte van 11.500 m in 4,5 minuten.
Een tweede gelijkaardig model was Me 262 C-2b die werd aangedreven door twee BMW 003 motoren en uitgerust werd met een raketmotor BMW 109-718 die een stuwkracht van 1.227 kgp leverde. Er werd een testvlucht uitgevoerd met Me 262 C-2b W.Nr. 170078, ook hier was Baur de piloot. Deze aandrijving bewees zich echter als te gecompliceerd en werd opgegeven ten gunste van de C-3a. Deze variant was voorzien om uitgerust te worden met een Walter 109-509 A-2 raketmotor onder de middensectie van de romp. Er kwam echter geen enkel toestand in deze vorm klaar voor het einde van de oorlog.
Voorbeelden van Me 262's die bij de verschillende eenheden werden ingezet:
Bronnen: Adolf Galland: "Die Ersten und die Letzten",
Aircraft Profile nr. 130 "The Messerschmitt Me 262"
Fana de l'Aviation nr: 323 , 324, 325: Alfred Price "Messerschmitt Me 262."
(*) door de aanwezigheid van een stenograaf konden een groot deel van deze gesprekken opgeslagen en bewaard blijven.