Back to...

 

III./ZG 26
Me 110 in Afrika
(1941-1943)

Patrouillevlucht
Twee Me 110's komen toe op Kreta, het vaartuig op de voorgrond is waarschijnlijk een
U-Jäger -duikbootjager. De censuur heeft hier getracht de toestellen onherkenbaar te maken door een deel
van de kenletters te 'verminken' - bij het voorste toestel werd de individuele letter 'K' weggewerkt en de
'S' in een '8' veranderd. (In feite een slechte poging want de eenheidscode (3U) is nog volledig zichtbaar).

Begin

III./ZG 26 ontstond uit IV./JG 134, een eenheid die werd opgericht op 1 augustus 1938 te Dortmund. De eenheid werd uitgerust met eenmotorige Me 109 Dora's en kreeg tijdelijk de naam J.GR 126, tot augustus 1939, alvorens de tweemotorige Me 110 in ontvangst te nemen en vanaf februari 1940 III./ZG 26 te worden.
          In deze periode stond de eenheid onder bevel van Hauptmann Hans Schalk. Het was met de Me 110 dat de Gruppe deelnam aan de Blitzkrieg in mei-juni 1940. Een tijdlang opereerde III./ZG 26 vanaf Rouen en verplaatste zich vervolgens naar Arques, St. Aubin en Caen om nadien bij de Slag om Engeland te worden ingezet. Zoals ook de andere Zerstörer-eenheden leed de Gruppe daarbij aanzienlijke verliezen. Op 8 december 1940 verliet de Gruppe Caen en begaf zich naar München-Neubiberg om nieuwe toestellen in ontvangst te nemen die over een grotere actieradius beschikten. Nadat de eenheid met de nieuwe toestellen was uitgerust volgde op 9 januari 1941 een overplaatsing naar Palermo, op Sicilië, onder bevel van Major Karl Kaschka (die reeds sinds september 1940 het bevel over de eenheid voerde).
          Er is reeds veel geschreven, misschien wel teveel, over de gebreken van de Me 110. Net zoals de Ju 87 Stuka werd deze tweemotorige jager ook deels het slachtoffer van de Britse propaganda. Ondanks de gebrekkige leiding tijdens de Slag om Engeland hebben de Stuka en de Me 110 aan het Oostfront en in het Middellands Zeegebied op grote schaal hun nut veelvuldig bewezen. Het valt echter niet te loochenen dat de tweemotorige zware jager niet deze prestaties bracht die van hem werden verwacht.
Escortevlucht
Twee Me 110 E's tijdens een escortevlucht voor een knovooi. Hun camouflage is aangepast aan de
opdracht en bestaat uit een donkergele bovenzijde en een grijsblauwe onderzijde. De toestellen dragen
het embleem van 9./ZG 26 en hebben bijkomende brandstoftanks onder de vleugels opgehangen voor de
lange vlucht boven de Middellandse Zee.
          Het toestel voldeed naar bestvermogen wel aan de nieuwe opdrachten die hem werden toevertrouwd. Deze opdrachten bestonden uit de inzet als begeleidingsjager, jachtbommenwer-
per, grondaanvals-
vliegtuig en soms zelfs als transportvliegtuig. Bovendien mag zijn rol bij de nachtjacht niet worden vergeten, een opdracht waarvoor hij uitstekend was geschikt. Een taak waarvoor hij bijzonder geschikt was in het Middellands Zeegebied, was de inzet als begeleidingsjager voor scheepskonvooien. Het Coastal Command van de RAF zette voor deze taak de Hudson, Anson en Beaufighter in.
          Het grootste deel van hun tijd brachten de bemanningen van de III./ZG 26 door bij deze uiterst gevaarlijke, vermoeiende opdrachten waarbij geen roem of eretekens te rapen vielen. Grote afwerpbare brandstoftanks die onder de vleugels van de Me 110 werden opgehangen lieten toe dat het toestel ongeveer 5 uur in de lucht kon blijven.

Eerste gevechten in Middellands Zeegebied.

Tijdens de eerste weken ondersteunden de Me 110's van III./ZG 26 het Duits-Italiaans offensief tegen Malta. Hun eerste opdracht, op 16 januari, was het escorteren van He 111 bommenwerpers die een aanval op het eiland uitvoerden. Drie dagen later namen zelfs enkele Me 110's deel aan de aanval tegen het vliegdekschip Illustrious waarbij ze twee Fulmars (gestart vanaf het vliegdekschip) neerhaalden.
          Maar op 10 februari 1941 ontscheepte in Tripoli een tot dan toe vrijwel onbekende Duitse generaal die het bevel zou voeren over het expeditiekorps dat in Noord-Afrika het terrein moest heroveren dat de Italianen waren kwijtgespeeld aan de Britten: Erwin Rommel. De eerste Duitse contigenten die in Afrika voet aan land zetten waren eenheden van de Luftwaffe met op kop III./ZG 26 dat op de vliegvelden Castel Benito, Sirte en Arco Philaenorum aankwam. De adjudant van Gruppenkommandeur Karl Kaschka was Oberleutnant Fritz Schulze-Dickow, die enkele weken later het bevel zou overnemen van 8./ZG 26. Staffelkapitän van 7./ZG 26 was Oblt. Matthes, die reeds spoedig door Oblt. Georg Christl werd afgelost. De 8. Staffel stond onder bevel van Oblt. Prang (deze eenheid bleef achter op Sicilië) en de 9.Staffel onder Hauptmann Bohrt. De zware jagers waren vergezeld door de Ju 87 B's van Stukageschwader 3 dat tijdens de Slag om Engeland ook zeer zware verliezen had geleden.
Escortevlucht
Drie Me 110 D-3's van 8./ZG 26 kruisen op lage hoogte de Libische kustlijn.
          Op 14 februari begonnen de Me 110's aan hun missies zonder daarbij veel roem te oogsten want een Me 110 D-2 van 7./ZG 26 (3U + FR van Uffz. Johannes Lippki) werd getroffen door de Flak bij El Agheila. Het toestel maakte een noodlanding op vijandelijk gebied en de bemanning werd gevangen genomen. Enkele dagen later, op 17 februari, was het de beurt aan 3U + FS van Leutnant Hesterkamp en Ogfr Bracht om door de Britse luchtafweer te worden neergehaald. Beide bemanningsleden vonden daarbij de dood.
          Maar ook tijdens de eerste luchtgevechten op Afrikaans grondgebied, op 19 februari, waren de Me 110's van de partij. Tijdens een escortevlucht voor Ju 87 Stukas van II./StG 2 boven El Agheila werden de Stuka's aangevallen door 3 Australische Hurricanes. Ofw Richard Heller en de Oostenrijker Lt. Alfred Wehmeyer haalden twee van deze jagers neer. FO Gatward stortte met zijn toestel neer en het toestel van FL Jack Perin, die een Ju 87 tot noodlanden had gedwongen, was in brand geschoten. De piloot kon zichzelf redden na de landing. Wehmeyer die tijdens het gevecht eveneens verwondingen had opgelopen door de wapens van Perin, moest zijn Me 110 neerzetten op het water maar hij en zijn radio-operator konden gered worden door de Seenotstaffel. Wehmeyer kon nadien nog een korte maar gevulde carrière in Afrika afwerken.
Escortevlucht
Me 110 3U + NS van 8./ZG 26 in zijn rol van waakhond voor de Ju
52/3m's van KGzbV 1. De transporttoestellen (op de achtergrond)
vliegen zo laag mogelijk in een poging om aan het zicht van
vijandelijke toestellen te kunnen ontsnappen.
          In maart was er maar een beperkte luchtactiviteit. Op 10 maart stortte een Me 110 van 2.(H)/14 (een verkenningseenheid) neer bij Zliten in een zandstorm, Lt. Uebele vond de dood. Op 23 maart verloor III./ZG 26 twee toestellen: 3U + AT werd door flak neergehaald en de bemanning Uffz. Ohler en zijn radio-operator gingen in gevangenschap en 3U + NS moest een noodlanding uitvoeren, de piloot Uffz. Macht liet het leven, zijn radio-operator werd gevangen. Op 29 maart viel een Me 110 een Sunderland-vliegboot van no. 230 Sqdn aan die met beschadigingen kon ontkomen.
          Op 31 maart voelde Rommel zich sterk genoeg om een gewapende verkenning uit te voeren tegen het vijandelijke front. Op die dag kwamen Australische Kittyhawks van 3. RAAF in gevecht met twee machines van 7./ZG 26 en Sqdn.Ldr Campbell kon een Me 110 neerschieten. Ofw. Josef Bracun en Uffz. Kasper bleven vermist.

Opmars met Rommel.

Op 24 maart lanceerde het Afrika korps zijn eerste aanval tegen El Agheila. De stad viel; op 31 maart was het de beurt aan Marsa Brega. De verovering van de Cyrenaïca was begonnen. De toestellen van III./ZG 26 waren ononderbroken in de lucht voor het uitvoeren van grondaanvallen tegen de terugtrekkende Britse colonnes, bevoorradingswegen en verdedigingsstellingen en het escorteren van de zeer verwondbare Ju 87's. Op dit ogenblik hadden de Britten 'het vel van de beer verkocht' door aan hun front in Afrika troepen te onttrekken om deze in Griekenland te versterken. Deze onderschatting van de situatie zou hun duur te staan komen...
          Op 3 april vielen elf Hurricanes van 3. en 73. RAAF Sqdn 8 Stuka's aan die werden geëscorteerd door 8 Me 110's van III./ZG 26. Er werden vijf Me 110's opgeëist maar in de Duitse archieven staat er enkel de beschadiging (door een grondaanval) van een Me 110 E-1 vermeld.
          's Anderendaags eiste III./ZG 26 drie Hurricanes op ... maar ook hiervan kon geen bevestiging worden gevonden.
          Op 5 april bestookten zes Me 110's een vliegveld van de Britten in de buurt van Derna en vernielden daarbij twee Blenheims en een Lysander aan de grond en beschadigden vijf andere toestellen (een andere bron vermeld vijf vernietigde Blenheims, twee Lysanders en een Hurricane). De Britse afweer nam aan dat ze één van de aanvallers had neergehaald die in zee neerstortte. Zoals men ziet was de eenheid bij alle soorten opdrachten betrokken: grondaanvallen, escortes en vrije jacht.

          Nu even terug naar de Staffel die op Sicilië was achtergebleven. Op 5 april verbleven ze te Tarento en Grottaglie op Italiaans grondgebied. De volgende dag vielen de 110's het vliegveld van Mostar-Ortijes aan en vernielden daarbij verschillende Joegoslavische S.79's. Ofw Heller eiste zelfs een Joegoslavische Me 109 E op in de buurt van Sarajevo. Op 7 april keerden de toestellen terug naar Sicilië.

          De overwinningen en verliezen in Afrika volgden elkaar snel op: op 8 april viel een Blenheim van no. 55 Sqdn onder het vuur van een Me 110. 's Anderendaags werd er een Messerschmitt neergehaald door FO Goodman van no. 73 Sqdn in de buurt van Derna (Fw Jaculi werd gedood en de radio-operator Uffz Walla werd gewond) en een tweede, Me 110 3U + OR, stortte bij Tobroek door onbekende oorzaken neer, (Lt. Heinrich Schultz en Gfr Pia werden vermist.) en tijdens een verkenning ging een machine van 2.(H)/14 verloren. Daarbij vond Uffz Sträten de dood. Daar tegenover haalde Oblt. Georg Christl van 7./ZG 26 boven Tmimi zijn derde Hurricane (Sgt. Elsworth van no. 73 Sqdn,) van de maand neer. Op 11 april werd het verlies van een Hurricane van no. 6 Sqdn door een Me 110 gemeld. Op 14 april werd Tobroek het doel van een sterke Duits-Italiaanse gevechtsformatie die uit een 70-tal Ju 87's, een aantal Me 110's en een Staffel CR 42's en G50's bestond. No. 75 Sqdn stuurde een aantal toestellen in de tegenaanval. Daarbij werden verschillende Stuka's en Italiaanse toestellen neergehaald. Ook de Australiërs leden een paar verliezen, Sgt. Webster werd door een Me 110 neergehaald en gedood. Ook 3. RAAF Sqdn mengde zich in de gevechten boven Tobroek. FO Arthur en Lt. Tennant werden door drie zware jagers aangevallen en meldden twee waarschijnlijke overwinningen. Duitse verslagen maken melding van het verlies van één Me 110. Rommel bleef nog vier dagen doorgaan met zijn bestorming van Tobroek, maar de luchtactiviteiten van III./ZG 26 waren gering.
Aussies
Mannen van het andere 'veldpostnummer'. Australische jachtpiloten van 3.RAAF Sqdn.

          De vijandelijke activiteiten waren niet het enige gevaar waaraan de Messerschmitts werden blootgesteld zoals op 15 april toen het toestel van Unteroffizier Schwärzel neerstortte bij Tripoli nadat hij door een zandstorm was verrast. De volgende dag werd Ofw Reimann en Gfr Grzik, met Me 110 E-1, 3U + ZR, van de 8. Staffel als vermist gemeld tijdens het escorteren van een maritiem konvooi dat manschappen voor de 15. Pz.Div. aanvoerde. Het konvooi zelf werd volledig vernield bij Sfax door Britse destroyers die hun basis op Malta hadden. Een andere Me 110 stortte neer tijdens een transfervlucht en Uffz Schwerzel, Uffz. Bock en Prüfmeister Kox vonden de dood. Dit betekende het verlies van een dozijn Me 110's voor III./ZG 26 sinds het begin van zijn tussenkomst in het Middellands Zeegebied.
          Op 18 april bestookte een Blenheim van no. 45 Sqdn de Duitse bevoorradingsroute met bommen en werd daarbij door een Me 110 verrast en neergeschoten.
          Op 23 april vond het laatste groot luchtgevecht boven Tobroek plaats waarbij de RAF zware verliezen te slikken kreeg. In de voormiddag waren er 20 Stukas, 30 Me 109's en 10 Me 110's tegen de bezetters van Tobroek ingezet.
Tobroek
Luchtfoto van Tobroek en onmiddellijke omgeving.
          Boven de Afrikaanse woestijn waren het nu de Me 109 E's van I./JG 27 die in zuivere jachtstijl hun aanwezigheid duidelijk maakten en daarbij de ondankbare taken overlieten aan de Me 110. Daarbij mag een eigenaardig incident vermeld worden dat op 25 april plaatsvond tijdens een luchtgevecht. De Hurricane Mk I V7763 van F/O Thomas Patterson (Canadees van no. 274 Sqdn met 7 overwinningen op zijn naam) botste in volle vlucht tegen de Me 110 E-1 van Lt Oskar Lemcke in de buurt van Bardia. De beide piloten en de schutter van de Me 110, Unteroffizier Petters, vonden daarbij de dood. Dezelfde dag werd Unteroffizier Hohmann gedwongen zijn Me 110 D-2, 3U + JS, bij Sollum aan de grond te zetten aan de verkeerde kant van het front. Op 27 april schoot P/O Goden (no. 274 Sqdn) tijdens een verkenningsvlucht boven de Halfayapas een Me 110 neer.
          Op 2 mei gaf Rommel de aanval tegen Tobroek voorlopig op terwijl andere Duits-Italiaanse strijdkrachten Sollum, Fort Capuzzo en de Halfayapas bezetten. Maar de luchtstrijdkrachten van het Afrika Korps bleven met hun aanvallen verder gaan. Diezelfde dag plaatste de luchtafweer enkele treffers in 3U + NS van Gfr Krelle/Gfr Wohlert die in vijandelijk gebied een noodlanding moesten uitvoeren en gevangen werden genomen. Bovendien werden er nog vier andere toestellen beschadigd, waaronder het toestel van Uffz. Heinz Richter.
Halfayapas
Halfayapas. Luchtfoto van een oprukkende kolonne.
          Op 11 mei stortte Oblt. Friedrich Thallmeier (Stab III./ZG 26) met een Me 110 neer in zee tijdens een testvlucht.
          De laatste Britse vluchten ten zuiden van Kreta werden op 31 mei gevlogen en er werden, daarbij enkele Ju 88's neergehaald. Lt Williams van 24. SAAF Sqdn haalde een Me 110 neer.

Tegenaanval van de Commonwealth-troepen

Nadat de Britten versterking hadden gekregen in de vorm van nieuwe tanks die waren aangevoerd met het konvooi 'Tiger', dat op 12 mei voor Alexandrië anker wierp en 306 tanks en 50 Hurricanes aan boord had, lanceerden ze op 15 mei 1941 'Operation Brevity'. Dit was echter maar van korte duur. Op 20 mei (de dag van de Duitse invasie met parachutisten op Kreta) verscheen om13.30 hr no. 274 Sqdn boven het vliegveld van Mechili. FL Honor schoot daarbij een Me 110 neer die juist in de lucht ging en vernietigde nog een Ju 52 aan de grond. Nadat Kreta door de Duitse troepen veroverd was werd een Staffel van III./ZG 26 afgedeeld op het eiland. Deze moest ingezet worden voor het escorteren van maritieme konvooien in de Oostelijke Middellandse Zee of voor het begeleiden van de Ju 52's op weg naar Afrika.
          8./ZG 26, die nu nog alleen in Afrika verbleef, werd op 14 juni geconfronteerd met het Britse offensief 'Battleaxe'. 2.(H)/14 verloor in de buurt van de Halfayapas een Me 110 in een luchtgevecht met twee Engelse jagers. Uffz Otto Unger en Lt. Friedrich Giesselmann werden gevangen. In het begin van juni had de Staffel reeds twee toestellen verloren door luchtafweer en werd nu voor allerlei doeleinden ingezet. Op 17 juni deden de zware jagers dienst als transportvliegtuigen en hadden het ingesloten Duitse garnizoen bij de Halfaya-pass voorzien van munitie. Bij deze gelegenheid was Oblt Fritz Schulze-Dikow er in geslaagd zijn eerste overwinning te boeken door een Hurricane neer te halen. Om 18.30 Hr was 1. SAAF Sqdn weer in de lucht en Lt. Conradie en Lt. Bester meldden beiden een neergeschoten Me 110. Op 17 juni werd ook de Britse aanval tot staan gebracht en kon het Afrika Korps terug naar het oosten opmarcheren, Tobroek zou opnieuw ingesloten worden.
          Op 30 juni escorteerde 8.ZG/26 met vijf machines, samen met 12 G-50's en 10 Me 109's, een formatie Ju 87 Stukas die een maritiem konvooi dat werd geëscorteerd door no. 73 en no. 250 Sqdn, gingen aanvallen dat Tobroek van voorraden probeerde te voorzien. Er ontstond een gevecht en de 7 P-40 Tomahawks van no. 250 Sqdn meldden twee neergehaalde Messerschmitts, één door Sgt. White en één door PO Wells. Fw Walter Schöne met Uffz Karl Rohde, een oorlogscorrespondent en Uffz Friedrich Wiesböck met Gfr Wolfgang Otto werden boven zee vermist.
          In juli gingen de Me 110's verder met het uitvoeren van grondaanvallen en leden daarbij weinig verliezen. Op 8 juli om 08.00 Hr vielen enkele Me 110's het vliegveld van Maaten Bagush aan en vernietigden een Blenheim van no. 113 Sqdn aan de grond.
          In de vooravond van 15 juli vloog no. 73 Sqdn en een deel van no. 229 Sqdn patrouilles boven enkele lichters die op weg waren naar Tobroek toen ze enkele Me 110's ontdekten. De Hurricanes volgden de Duitse toestellen en kwamen zo terecht op een groep van 15 Stuka's van II./StG 2 die door Me 109 en 110's werden geëscorteerd. De Engelsen konden de Duitse begeleiders ontwijken en de Ju 87's zwaar toetakelen. Er werden zes Stukas neergehaald en een Me 110 die op de score van PO Wareham kwam.
          In de loop van de maand augustus kwamen de eerste Duitse nachtjagers toe in de woestijn. Hauptmann Helmut Peters bracht zijn Me 110's van 1./NJG 3 van Griekenland over naar Derna. Tot dan toe waren de Wellingtons van de Britten tijdens hun nachtelijke aanvallen bijna volledig ongemoeid gelaten en hadden slechts zeer geringe verliezen te betreuren. Dit zou nog zo een tijdje blijven duren want de Me 110-nachtjagers werden voornamelijk overdag als verkenners en als grondaanvalsvliegtuigen ingezet.
          Op 7 augustus ging een Me 110, die nog steeds zijn Stammkennzeichen DE + XM droeg, ten zuiden van Kreta tijdens een verkenningsvlucht verloren door onbekende oorzaak. Lt. Helmut Mackensen en Uffz Alfred Welzel werden vermist. Op 11 augustus vond er een treffen plaats tussen 12 Tomahawks van 2. SAAF Sqdn en vier Me 110's van 8./ZG 26. Lt. Stone eiste het neerhalen van een Me 110 op. Dit was waarschijnlijk Me 110 3U + AS, het toestel werd op 12 augustus als neergestort gemeld ten zuidwesten van Sidi Barrani, Uffz Werner Seiler en OGfr. Hermann Schmidt vinden de dood. Op 21 augustus viel 8./ZG 26, onder bevel van Oblt. Schulze-Dikow (bevelhebber van de eenheid sedert 27 juli) een formatie Maryland-bommenwerpers en hun escorte aan in de buurt van Sidi Barani. Ze werden bijgestaan door Me 109's van I./JG 27. Er ging een Me 110 verloren door Lt. Pennel (2. SAAF Sqdn)en waarschijnlijk nog een tweede, de rest van de eenheid eiste verder nog vier waarschijnlijk neergehaalde Me 110's op. De Staffelkapitän behaalde een overwinning op de Sqdn.Ldr. van 1. SAAF Sqdn, een van de succesvolste Zuid-Afrikaanse jachtpiloten.
Me 109 E van JG 27
Een Me 109 E van JG 27 tijdens een escortevlucht voor Ju 87 Stuka's.
          De maand augustus eindigde met een duidelijke rustpauze in de luchtactiviteiten. In de laatste week werd er nog een Maryland van no. 39 Sqdn in de buurt van Bir Sofafi neergeschoten door een Me 110 die door III./ZG 26 als haar 33ste overwinning sinds de aankomst in Afrika werd gemeld.
          Op 3 september kwam het bij Sollum tot een luchtgevecht tussen drie Me 110's van 8./ZG 26 en Hurricanes (verkenners) van no. 451 Sqdn. Sgt. Readett werd neergehaald. Een Me 110 van 9./ZG 26 (Kreta) ging door een ongeval verloren, de bemanning bleef ongedeerd. Voor de rest van de maand was er weinig activiteit voor de zware jagers, en ook oktober werd door een rustige periode gekenmerkt.
          In november ging het er terug warmer aan toe. Op 7 november ging een Me 110 van 7./ZG 26 (Sicilië) verloren door een ongeval. Op 15 november werd elk inzetbaar vliegtuig aan Duitse zijde in de lucht gestuurd en werden de Britse troepen, 400 km verwijderd, in de oase van Giarabub aangevallen. Men vermoedde dat er zich daar een Maryland en twee P-40 eenheden ophielden (een verkenner had ongeveer 60 toestellen gemeld). Om 09.20 Hr. werd het no. 33 Sqdn in de strijd geworpen tegen negen Ju 88's en zes Me 110's van 8.ZG 26 die de Maryland-bommenwerpers die aan het tanken waren en de langs beide zijden van de startbaan opgestelde Curtiss P-40's met bommen en boordwapens bestookten. Toen de Hurricanes van no. 33 Sqdn zich op de Me 110's wilden storten werden ze zelf aangevallen door Me 109's. De machine van Staffelkapitän Oblt. Schulze-Dickow, 3U + DS werd door lichte luchtafweer getroffen. Schulze-Dickow was zelf verwond en kon zijn machine, waarvan de linkermotor een grote rookwolk uitbraakte en stil viel, op ongeveer 7 km van het Britse vliegveld aan de grond zetten. Terwijl de andere Me 110's een afweerring boven het neergekomen toestel vlogen landde de Rottenflieger van de Staffelkapitän Ofw. Swoboda naast het vernielde toestel en nam de ongelukkige piloot mee naar de thuisbasis. Volgens een latere melding van een verkenner waren er 22 Britse toestellen aan de grond vernietigd geworden.
          De volgende dag hadden 12 Tomahawks van 2. SAAF Sqdn een ontmoeting met een Me 110 boven Capuzzo. Tijdens zijn jacht op de Messerschmitt werd Lt. Lacey zelf door een Me 109 aangevallen maar deze kon verjaagd worden door de andere P-40's. Lt. Lacey schoot de Me 110 neer. Waarschijnlijk was dit een machine van 2(H)./14 met Oblt Fritz Strassner als piloot, hij werd op die dag tijdens een transfervlucht van Martuba nar Kreta vermist.
          In de loop van de maand verzamelde de volledige III./ZG 26 zich terug op Derna, de 7.Staffel kwam terug van Sicilië en de 9. Staffel van Kreta. Bij het begin van de terugtocht van de As-troepen werden er terug twee Staffeln naar Kreta overgeplaatst om van daar uit escortevluchten uit te voeren voor de Ju 52's die voorraden voor het Afrika Korps aanvoerden.

Operatie Crusader

In de nacht van 17-18 november gingen er enorme wolkenbreuken over de Cyrenaïca neer. De volgende morgen begon de Britse 'Operation Crusader'. De droge wadi's waarin de Duitse jachtpiloten hun tenten hadden opgeslagen werden veranderd in alles meesleurende watermassa's. JG 27 was bijna verdronken in de woestijn. Alle vliegtuigen op het vliegveld van Gazala en Tmimi stonden tot over de wielen in het slijk verzonken en moesten aan de grond blijven.
Beaufighters van no. 272 Sqdn
Een flight Beaufighters van no. 272 Sqdn boven de woestijn.
Dit was een uitstekende gelegenheid voor de Britten om hun offensief tot goed gevolg te brengen. Rommels strijdkrachten die vijf dagen later een aanval en masse op Tobroek wilden uitvoeren werden volledig overrompeld. De Britse jagers profiteerden van de gelegenheid daar er geen enkele Duitse jager kon starten. Bij luchtgevechten met Italiaanse toestellen konden verschillende Italiaanse machines worden neergehaald. De Beaufighters van no. 272 Sqdn konden tegen de middag een paar Ju 52's neerhalen. Rond 14.00 Hr. startten vijf Ju 52's vanaf Tmimi en ook deze werden alle vijf door Beaufighters in brand geschoten en vernield. Er werden bij die gelegenheid ook nog een Hs 126 en een Fi 156 vernietigd. Later op de dag, nadat de wind de startbanen gedeeltelijk had opgedroogd konden de jagers terug opstijgen en zich terug in de strijd werpen. De Britten hadden slechts een handvol toestellen verloren op die dag.
          Ook de volgende dag konden de Duitsers maar en paar jachttoestellen in de lucht sturen. Opnieuw maakten de Beaufighters van no. 272 Sqdn gebruik van de situatie en konden aan vijftal Stuka's en twee Me 109's aan de grond op Tmimi vernietigen. Er konden enkele Hurricanes door de opgestegen Me 109's beschadigd worden.
          20 november was een dag van harde pantserslagen en versterkte luchtactiviteiten. Om 06.00 Hr. maakten 20 Tomahawks van no. 112 en 3. SAAF Sqdn een offensieve verkenning. Tussen El Aden en Acroma maakten ze contact met vijf of zes Me 110's. De Engelse jagers melden vier neergeschoten Zerstörer.
P-40 Tomahawk
Een Tomahawk van 3.RAAF Sqdn.
De Tomahawk van PO Gibbes was zo zwaar getroffen zodat hij op zijn eigen vliegveld neerstortte, ook de machine van PO Jeffries was zwaar beschadigd geworden. 8./ZG 26 verloor minstens één machine tijdens dit luchtgevecht, die ten zuiden van El Aden neerstortte, waarbij Fw. Werner Ludwig en OGfr Martin Graf gewond werden. De radio-operator van een twee Me 110, Ogfr Rolf Schöne, liep eveneens verwondingen op zodat men kan aannemen dat ook deze machine moest noodlanden. Dezelfde dag en ook op 21 en 22 november vonden er voortdurend luchtgevechten plaats waarbij aan beide zijden toestellen en bemanningen verloren gingen. Op 23 november werd een Me 110 op verkenning door twee Hurricanes van no. 33 Sqdn, gevlogen door PO Winsland en FO Anderson, neergeschoten.
          Op 24 november vlogen Hurricanes en Tomahawks van no. 80 en 4. SAAF Sqdn grondaanvallen tegen een vijandelijke colonne bij Sidi Rezegh. Ze werden op hun beurt aangevallen door 12 Me 110's van III./ZG 26. Vier van de Duitse toestellen werden neergehaald. De overwinningen werden gedeeld door Lt. Greenberg, Lt. Visser. Lt. Chadwick, Sgt Comfort, Lt. Richardson, FO Tulloch en Sgt. Foskett. De tegenstander van Foskett die een noodlanding moest uitvoeren had vier man aan boord die uit de machine konden ontkomen. FO Tulloch (no. 80 Sqdn) werd neergeschoten en kwam om het leven, Lt. Thorpe kwam niet naar zijn basis terug maar werd door een tank opgevist en maakte de gevechten aan de grond mee. Op de verlieslijst van III./ZG 26stond vermeld dat de bemanningen Lt. Herbert Gassner/Gfr. Gerhard Redding en Oblt. Hans Kolle/OGfr Jürgen Luckmann gevangen werden gemaakt. Ofw Richard Heller, Ritterkreuz-drager van 8./ZG 26, en zijn radio-operator maakten na de aanval een noodlanding. Ze werden opgepikt door een BMW met bijwagen en naar het dichtstbijzijnde vliegveld teruggebracht.
          Ook 25 november was voor de Me 110's van III./ZG 26 en 2(H)/14 geen goede dag. Lt.Col. Wilnot leidde een jachtverband van Zuid-Afrikaanse Hurricanes en schoot bij Sidi Omar een Me 110 brandend neer. Bij het neerstorten werden er twee vrachtwagen in brand gestoken en een derde geramd. Sgt. Comfort (80 Sqdn) schoot eveneens een Me 110 neer. Eén van deze neergeschoten machines behoorde tot 2.(H)/14 en de piloot, Lt Ebergard Kuhnt, werd naar het lazaret van Bardia gebracht en van daar door een Italiaanse torpedoboot afgehaald, richting Tarento. Het schip werd getorpedeerd en Kuhnt ging in gevangenschap. Het hoogtepunt van de dag was een jachtpatrouille door 19 Tomahawks van no. 112 en 3. SAAF Sqdn in de buurt van Sidi Rezegh, in de namiddag. Ze maakten contact met ongeveer een 70-tal toestellen van de As. Op 400 m hoogte vlogen Me 110's, op 1.800 m bevonden er zich Ju 87's en nog een groep Me 110's hingen op 3.000 m, daarboven Ju 88's, CR 42's en als dakbescherming deden Me 109 E4 en F's en G-50's dienst. PO Bowker schoot een Me 110 neer, FO Humphreys een CR 42 en nog een CR 42 en Me 110 waarschijnlijk. De Australiërs melden daarnaast nog zeven zekere en één waarschijnlijke overwinning en acht beschadigde vijandelijke toestellen. De schutters waren Sgt Wilson (een Me 110 en twee Fi 156), Sgt Reid (een Me 110), Sgt. Baillie (twee G-50), Wg.Cdr. Jeffries (en Me 110) en FO Jackson (een Me 110 waarschijnlijk). Sgt Glascow en FO Evans kwamen niet meer terug. Twee bemanningen van 8./ZG 26 werden vermist: Oblt. Bidlingmaier/Uffz Gerhard Becker en Lt. Jörn Scharf/Uffz. Hermann Bolger. Scharf werd gevangen genomen.
          Er vonden die dag nog verscheidene gevechten plaats tussen Me 109's en andere Engelse eenheden waarbij ook hier aan beide zijden verliezen te betreuren vielen.
          Op 26 november kwam een Me 110 van 2.(H)/14 niet meer terug.
          De volgende dagen waren de luchtactiviteiten veel beperkter van omvang en werd er voornamelijk aan de grond slag geleverd, Rommel voerde zijn tanks bij Tobroek in de tegenaanval en kon tussen Sidi Rezegh en Tobroek de smalle Britse verdedigingsgordel doorbreken en de 7th Britse tankdivisie zware verliezen toebrengen. Deze gevechten bleven tot in het begin van december voortduren waarbij de Duitsers de Britten in Tobroek terug ingesloten hadden.
          Op 2 december kon Lt. O'Neil van no. 238 Sqdn enkele treffers plaatsen in een Me 110. Op 4 december werd de Kommandeur van III./ZG 26, Major Karl Kaschka, in de omgeving van Trigh Capuzzo neergeschoten (met twee brandende motoren), waarschijnlijk door Sgt Dodd van no. 274 Sqdn. Oblt. Weymeyer landde naast de plaats waar de Me 110 was neergestort en trof er Kaschka stervend aan, de boordschutter Uffz Hermann Mühlhäuser was reeds dood.
          Een patrouille van 21 Tomahawks (no. 112 en 3 SAAF Sqdn) op 8 december boven het frontgebied werd om 12.30 Hr. verrast door 6 Me 109's en 2 Me 110's. Het toestel van Sgt. Alves werd zwaar beschadigd. Toen een half uur later de Me 109's en 110's een straat in de buurt van het vliegveld van de Tomahawks bestookten werd het 2. SAAF Sqdn in de lucht gestuurd. De Zuid-Afrikanen konden verhinderen dat de Duitse toestellen het vliegveld zelf aanvielen, maar de Me 110's slaagden er toch in een landende DH 86 neerhalen. Lt. Saville schoot een Me 110 waarschijnlijk neer, en van no. 73 Sqdn, dat zich ook in de gevechten had gemengd, meldde FO Scade een zekere, en FO McDougal een waarschijnlijke overwinning. Het III./ZG 26 verloor die dag werkelijk drie van zijn toestellen. Een toestel stortte in gevolge zijn beschadigingen bij het landen op Derna neer, Lt. Hermann Weber en Uffz Willi Welledorf werden daarbij gedood. De bemanningen van twee andere Me 110's geraakten in gevangenschap: Oblt. Otto Reitsperger, Lt. Winfried Woldt en Ogfr. Otto Berchner.
Hurricanes
Een Flight Hurricanes II C in een mooie formatievlucht, maar zeer onpraktisch.
De Duitse jagers noemden de formatie de 'Idiotenreihe'.
          Op 9 december begon de wekenlange druk van het Britse offensief in de woestijn vruchten te dragen want Rommel besloot diezelfde dag wegens gebrek aan voorraden tot een verdere terugtocht. De RAF was met sterke krachten in de lucht en had dan ook overeenkomstig hoge verliezen. Het eerste contact met de vijand werd gemaakt door Tomahawks en Hurricanes van no. 250 en het RNFS Sqdn. Tussen El Aden en Bir el Gobi merkten ze vijf Me 110's en 10 Me 109's op waarvan FL Bary en PO Waddy samen een Me 110 brandend in de diepte stuurden.
          Op 12 december waren de Zuid-Afrikaanse Marylands van reeds vroeg in de ochtend op jacht naar transportvliegtuigen. Deze keer waren de Duitse op post. De eerste paar van 12. SAAF Sqdn ontmoette acht Ju 52's waarvan er twee door Lt. Ruse werden neergeschoten, vier andere bekwamen treffers te incasseren. De twee Marylands die om 13.00 Hr. startten kwamen niet meer terug. Ook 21. SAAF Sqdn kreeg verliezen te slikken. Een paar toestellen maakten contact met Me 110's en beide Marylands werden boven zee door Oblt. Schulze-Dickow en Uffz. Wegmann neergeschoten. Ook een tweede paar Marylands werd onderschept waarvan er één werd neergehaald. In de namiddag verloor no. 55 Sqdn twee Blenheims in luchtgevechten met Me 110's boven zee. Eén van deze Blenheims werd waarschijnlijk neergeschoten door een Ju 88 van I./NJG 2. (Dit was de eerste overwinning van deze eenheid in het Middellands Zeegebied). Later op de dag ging een Me 110 verloren door Tomahawks van no. 112 en 3. SAAF Sqdn. De Tomahawks zelf leden grotere verliezen: twee kwamen met elkaar in aanraking in de lucht en PO Eggleston stortte neer. PO Jefferies, Sgt Alves en Sgt Houston keerden niet terug en de machine van FL Humphreys kreeg talrijke treffers.
          Op 13 december waren de Beaufighters van no. 272 Sqdn terug boven zee. FO Roman merkte een Do 24 op die geëscorteerd werd door een Me 110. Hij schoot de jager neer en beschadigde de vliegboot.
          Op 22 december viel de RAF het vliegveld van Magrun aan in verschillende golven. Bombardementen en grondaanvallen volgden elkaar op. Er werden 8 vliegtuigen (4 Ju 87's, 2 Ju 52's, een MC 202 en een Do 17) neergehaald en vier toestellen aan de grond (1 Ju 87 en 3 Ju 52's) vernietigd. Kort nadat de Britse jagers verdwenen waren landden er 16 Ju 52's met Me 110 escorte, ze brachten zoveel brandstof mee dat alle jagers konden volgetankt worden. Aangezien de Britse tanks echter reeds tot op 25 km ten oosten van het vliegveld waren genaderd werden de aanwezige vliegtuigen teruggetrokken naar Arco Philaenorum en Sirte. Voordat alle toestellen echter vertrokken waren werden nog vier toestellen in brand geschoten door de Zuid-Afrikanen. Drie Me 110's van III./ZG 26 schoten een Sunderland van no. 230 Sqdn neer die op weg was van Malta naar Kreta.
Bevoorrading
Een ander zicht op Derna. Ju 52/3m transporttoestellen hebben zopas grote aantallen vaten met brandstof
aangevoerd voor het Afrika Korps. Dergelijke verzamelingen aan toestellen waren een uitstekend
doelwit voor de Britse jagers.
          Op 24 december verloor III./ZG 26 twee Me 110's tijdens een transfervlucht naar Kreta. Ze verdwenen zonder spoor na te laten. Aan boord bevonden zich de Kommandeur van de Gruppe, Hptm Thomas Steinberger, Fw Max Hohman en Uffz. Herbert Müller.
          Op 31 december maakte men bij III./ZG 26 de bilan op. Het zwaartepunt van de opdrachten lag bij de scheeps- en Ju 52-escortes. Met een versterkte Staffel dekte de eenheid de terugtocht van het Afrika-Korps, vloog grondaanvallen op Engelse colonnes, bevoorradingswegen en opslagplaatsen tot aan de Egyptische grens en vertraagde daarmee een weinig de Britse opmars. De Me 110 hadden in 1941 in Afrika 2.962 vluchten uitgevoerd, waarvan er 483 grondaanvallen waren. De verlies aan vliegend personeel bedroeg in totaal 98 man waarvan 11 gevallen, 6 dodelijk verongelukt, 27 vermist en 9 gevangen, 45 gewonden.

Begin 1942

Bij het begin van 1942 was de Gruppe verbrokkeld. De 7. Staffel ondersteunde de terugtocht van het Afrika-Korps, de 8. Staffel verbleef in Duitsland en de 9. Staffel verbleef gedeeltelijk op Malta (Twee verliezen in januari. Op 7 januari stortte Me 110 3U + JT van 9./ZG 26 neer bij de start. Uffz Werner Steinbrück en Gfr Ewald Steffen vonden daarbij de dood). Op 16 januari werd een Me 110 boven zee neergeschoten. De gevechtssterkte van 7./ZG 26 bedroeg op dit ogenblik 8 Me 110's, daarvan waren er vier operationeel.
          Op 21 januari begon Rommel met het uitsturen van verkenningseenheden in de richting van Agedabia om de sterkte van het Britse 8ste Leger te testen. 7./ZG 26 moest doorgaan met ondersteuningsopdrachten. Op 28 januari heroverden Rommels troepen Bengazi. De 7. Staffel verloor een Me 110 ten noorden van Ghemines met Ofw Franz Sander en Ogfr Günther Lepinat. De machine moest een buiklanding uitvoeren en beide bemanningsleden gingen in gevangenschap, waar Lepinat dan op 4 februari stierf. Bij een aanval op een Britse colonne ten oosten van Bir Hacheim werd Oblt. Ludwig Schott, Staffelkapitän van de 'Pinguins', op 10 februari verrast door de verkeerde tijdontsteking van zijn bommen. Deze explodeerden te vroeg en zijn machine stortte door de explosie neer. Schott werd hierbij gedood samen met een Kriegsberichter die als radio-operator meegevlogen was. Oblt. Wehmeyer volgde hem als Staffelkapitän op.
          Vanaf 22 februari keerde 8./ZG 26 naar de Middellandse zee terug. De volledige Gruppe verbleef nu hoofdzakelijk op Kreta en Sicilië om tegen Malta te opereren en voor het uitvoeren van escortevluchten voor de konvooien die de onontbeerlijke voorraden voor Rommel moesten aanvoeren. De laatste week van februari en gans de maand maart 1942 werden met deze opdrachten gevuld. Ook april bracht geen verandering in het opdrachtenschema. Op 13 april vielen de Me 110's van 7./ZG 26 aan verrassingsaanval uit op een onbemand Brits vliegveld midden in de woestijn. De bemanningen landden op het vliegveld en staken alle installaties en benzinevoorraden in brand. Op 21 april werd een me 110 van 4.(H)/12 bij Bir El Chaulat neergeschoten en brandde aan de grond uit. Lt Lengitz en zijn radio-operator vonden daarbij de dood. Op 2 mei begeleidden drie Me 109's negen Me 110's bij een griondaanval ten oosten van Segnali. Een Me 110 vloog daarbij te laag, raakte de grond en moest een noodlanding uitvoeren. Een ander toestel landde naast de verongelukte machine en nam de bemanning aan boord. Op 9 mei, tijdens een thuisvlucht van 12 Kittyhawks van 3. SAAF Sqdn die Bostons hadden geëscorteerd die schepen hadden aangevallen in de haven van Benghasi, ontdekten de Britse jagers een door twee Me 109's geëscorteerde Me 110. Sqdn. Ldr. Gibbes kon enkele treffers in de Me 110 plaatsen. Op 10 mei ontvingen de Duits-Italiaanse luchtstrijdkrachten versterkingen voor het door Rommel geplande nieuw offensief. Tijdens de eerste weken van mei werden er in totaal 40 Ju 87's, 30 Me 109's en 15 Me 110's van Sicilië naar Afrika overgevlogen. Door de versterkingen beschikte het Afrika Korps daarmee over 260 vliegtuigen. (9/ZG 26 op Malemes, Kreta beschikte toen over 11 Me 110's en 7./ZG 26 te Derna had 12 toestellen - Ook 4.(H)/ 12 beschikte over enige Me 110's).
          Een Engelse formatie van vijf Beaufighters (no. 252 Sqdn) en 9 Kittyhawks (no. 250 Sqdn) die met bijkomende brandstoftanks waren uitgerust ondernamen op 12 mei een poging om een Ju 52-konvooi te onderscheppen. (Er waren een Beaufighter en Kittyhawk naar Gambut moeten omkeren wegens motorschade). Dezelfde dag waren 14 Ju 52's van TG 1 en twee Me 110's van ZG 26 in Malemes op Kreta gestart. Elk transporttoestel had 20 soldaten met uitrusting aan boord. Major Stein leidde het verband. Kort na de start moesten een Ju 52 en Me 110 terugkeren. Op 70 km van Derna maakten beide verbanden contact en het Engelse verband stootte in en eerste aanval frontaal doorheen de Duitse formatie. Daarna volgde er een verward gevecht. De Britten meldden nadien 16 overwinningen op Ju 52's en twee neergeschoten me 110's. Waarschijnlijk hadden de foute meldingen in het feit dat bij de eerste aanval verschillende toestellen dezelfde tegenstander hadden beschoten. In werkelijkheid werden er 9 Ju 52's neergehaald die in zee of op het strand neerstortten. Twee Ju 52's konden een noodlanding uitvoeren, een andere transportmachine landde op 50 m van het lazaret van Derna. Ook de enige Me 110 werd neergehaald. Uffz Baumann, de piloot, werd door een snelboot gered en meldde een neergeschoten vijand. De Ju 52 van Major Stein en deze van Uffz Zillmer konden een normale landing uitvoeren in derna. Het toestel van Zillmer had wel een hoop treffers te slikken gekregen, de radio-operator, Uffz Graf von Polier, had met zijn MG 15 een Beaufighter neergehaald.
          In de laatste week van mei werden de drie Zerstörerstaffelen van ZG 26 in Derna samengetrokken. Tezamen met Stuka-Geschwader 3 en 12/LG 1 vormden ze 'Gefechtsverband Siegel', waarvan Oberst Sigel, de Kommodore van StG3, de CO werd. Op 24 mei werd Me 110 3U + BD van Stab III./ZG 26 bij een verkenning boven zee vermist, de bemanning bestond uit Lt. Helmut Scheid, Uffz. Brandner en Ogfr. Ott.

Het 'Rommelt' opnieuw.

Op 26 mei begon het grote offensief van Rommel op de linie Gazala tot Bir Hacheim. Er zouden zes weken van uiterste hevige en verwarde gevechten volgen die tenslotte tot de volledige uitputting van beide kampen zou leiden. Tijdens deze weken vond één van de ongelukkigste terugtochten van de Britse troepen tijdens de WO 2 plaats. Toch leidde deze slag tenslotte tot de ondergang van de Duits-Italiaanse strijdkrachten in Afrika. Auchinleck beschikte voor deze slag over ongeveer 1.000 tanks, Rommel had er maar 600 en een derde daarvan waren Italiaanse modellen. De Britten beschikten bovendien over 18 jachtsqudrons en nog en aantal bommenwerpereenheden met Bostons, Baltimores en Wellingtons.
          De Duitse Luftwaffe kon op de eerste dag van de slag 224 vluchten uitvoeren. De volgende dag wren er dit 221, een zeer goede prestatie voor de Afrikaanse omstandigheden. In de morgen van 27 mei was een Me 110 beschadigd geworden door Lt. Muir van 5 SAAF Sqdn. Om 09.10 hr waren er dan vier Me 110's van 7./ZG 26 gestart in Derna onder bevel van Oblt. Wehmeyer. Boven Tobroek ontmoetten de Zerstörer een Hurricane Sqdn en vormden een afweerring. Tijdens de daarop volgende gevechten schoten zowel Wehmeyer als een andere piloot elke en Hurrican neer. De Messerschmitt van Uffz Josef Ammersbach en Later op de dag, tegen de avond, werd Me 110 3U + ET van 9./ZG 26 boven Tobroek door een voltreffer van de luchtafweer geraakt en stortte neer. Staffelkapitän Oblt. Johannes Bergfleth en Fw. Karl Schupfner vonden de dood.           Op 28 mei vond het laatste luchtgevecht plaats tegen de avond. Een Rotte Me 109's van II./JG 27 escorteerde een Me 110 tijdens een verkenning in de richting El Aden. De 109's kwamen in gevecht met enkele Kittyhawks van 5 SAAF. Sqdn. Lt Pare, die op verkenning was werd door de Me 109's neergehaald, de piloot kon de eigen linies ongedeerd bereiken.
          In april en mei hadden de Me 110's van III./ZG 26 verschillende nachtvluchten uitgevoerd waarbij Oblt. Wehmeyer met ondersteuning van een schijnwerperbatterij een Boston boven Derna had neergehaald.
Alfred Wehmeyer
Het toestel van de Oostenrijkse Leutnant Alfred
Wehmeyer (blootshoofds), een ex-Gebirgsjäger.
Hij kwam bij 7./ZG 26 in maart 1941 en werd in
februari 1942 Kapitän. In totaal boekte hij 18
overwinningen waarvan 13 in het Middellands
Zeegbied. Wehmeyer viel op 1 juni 1942 en
ontving posthum het Ritterkreuz. Zijn toestel
droeg de naam 'Annamirl'.
          In de late morgen van 30 mei escorteerden 8 toestellen van III./JG 53 een verkenningsvlucht van zes Me 110's. Eén van de escortetoestellen, de Stafelkapitän van 7./JG 53 Oblt. Pufahl, werd per vergissing door een Ju 88 neergeschoten.
          Op 1 juni bevonden er zich vier Me 110's tezamen met vier Ju 88's van I./KG 54 in de lucht onder escorte van me 109's. Om 18.30 maakten tien Kittyhawks van no. 112 Sqdn en 3. SAAF Sqdn een alarmstart tegen deze formatie. Vier van deze Britse toestellen konden door de escortejagers in de diepte gestuurd worden. III./ZG 26 leed zware verliezen. Me 110 3U + HR gevlogen door de Staffelkapiän van de 7. Staffel, Lt. Alfred Wehmeyer en zijn radio-operator Uffz Karl-Heinz Biwer en 3U + US met Oblt. Karlheinz Bittner en Uffz Kurt Zitzmann stortten na voltreffers van de luchtafweer neer, 3U + BS van Ofw. Otto Polenz en Fw. Ernst Hörning werden bij aan grondaanval neergehaald. De zes bemanningsleden vonden allen de dood. Bittner was Staffelkapiän van 10./ZG 26 en Polenz was een veteraan van de Spaanse Burgeroorlog.
          Op 2 juni vond Staffelkapitän Hptm Hubert von Kühlwetter van 4.(H)/12 met zijn bemanning de dood tijdens en verkenning. Hij was boven Gazala in zwaar afweervuur terechtgekomen en sloeg ten zuidwesten van Acroma te pletter. Om 17.45 hr vlogen voor de eerste maal Spitfires van no. 145 Sqdn een inzet boven de woestijn en FL Sabourin en Sgt. James beschoten met resultaat een Ju 88. 6 juni werd gekenmerkt door de Kittyhawks die de ganse dagen aanvallen uitvoerden tegen de Duitse tanks die bij Knightsbridge een zwaar pantsergevecht uitvochten. Ze vernielden daarbij 70 voertuigen van allerlei aard. Er werd het verlies gemeld van een Me 110 in het gebied van Rotondo-Mteifel. Uffz Walter Kanoldt werd vermist, Lt. Rolf Mitlacher werd gevangen.
          Op 17 juni, 's avonds, verplaatsten de Britse jagers zich naar de vliegvelden in het gebied van Sidi Azeiz. Door deze overplaatsingen waren tijdens de acht volgende dagen de luchtactiviteiten aan beide zijden sterk verminderd. In de buurt van Derna stortte Me 110 3U + DS van 8./EG 26 neer tijdens een landingsbocht. Ofw. Hans Swoboda en Fw. Heinz Pampuch, een ervaren bemanning, vond hierbij de dood.
          20 juni stond in de Britse berichten vermeld als een succesrijke dag voor de Me 110's van III./ZG 26 die met grondaanvallen kort voor Rommels tanks de Engelsen aan de grond hielden.
          Op 24 juni kreeg Me 110 3U + HR van 7./ZG 26 een voltreffer van de luchtafweer te slikken bij Marsa Matruk en stortte boven zee neer. De piloot kon zich in een reddingsvlot redden, de radio-operator Ogfr. Gotthard Kunke verdronk.
          III./ZG 26 verloor nu gemiddeld acht toestellen per maand wat zoveel betekende als het verlies van een Staffel per maand.

Voor de poorten van Kaïro

Op 1 juli 1942 probeerde Rommel voor de eerste maal de versperring bij El Alamein te doorbreken die hem nog van de Nijldelta scheidde. Hij viel an bij Alamein en Deir el Shein. De vliegvelden bij Fuka werden door vier Beaufighters overvallen waar ondermeer een me 110 aan de grond vernietigd werd. Op 3 juli moest Uffz Wegmann (III./ZG ) Bij El Daba door een luchtafweertreffer een noodlanding uitvoeren. Op 5 juli overvielen zeven Kittyhawks van no. 450 Sqdn die een gewapende verkenning uitvoerden, een vliegveld en beschadigden daar zeven Ju 88's en en Me 110. Een uur later stootte no. 213 Sqdn op vier Ju 88's en vier Me 110's. FL Westlazke, Fsgt. Stephenson en Sgt. Ballantyne melden het neerhalen van twee Me 110's en een Ju 88.
Kittyhawks
Een flight Kittyhawks boven de woestijn.
Het moet zich hier waarschijnlijk om een deel van een formatie van negen Me 110's van 9./ZG 26 en een Schwarm van III./JG 53 gehandeld hebben die een luchtgevecht meldden. Ze werden door ongeveer 35 Curtiss en Hurricanes aangevallen. 3U + JT werd door twee jagers boven zee neergeschoten waarbij Lt. Walter Sedlacek en Uffz Gerhard Haeseler om het leven kwamen.
          Op 7 juli vlogen toestellen van III./ZG 26 bij Fuka grondaanvallen tegen Britse commando-troepen. Me 3 U + LS kreeg daarbij een voltreffer van de afweer in de cockpit De piloot Uffz Schreckenbeck werd daarbij gewond en moest een noodlanding uitvoeren. Een andere Me 110 landde naast het eerste toestel en nam de bemanning aan boord. Het vliegveld van Fuka, de basis van III/ZG 26, werd een half uur lang door Britse commando's beschoten zonder dat er schade werd toegebracht.
          Op 9 juli vielen Beaufighters van no. 252 Sqdn tussen Tobroek en Kreta 18 Ju 52's aan, die door me 110's geëscorteerd werden. Het succes van mei kon niet herhaald worden. Een Beaufighter kwam niet meer terug nar zijn basis.
          Op 11 juli stortte Me 110 F3 + A van 4.(H)/12 neer tijdens een verkenningsvlucht. De bemanning vond de dood.
          Op 13 juli werd een Me 110 van III./ZG 26 tijdens een transfervlucht van Kreta naar Derna met de bemanning Fw. Fritz Hackenbroich en Uffz. Adolf Köpf vermist.
          Op 19 juli bezaten Rommels pantsereenheden nog slechts 28 operationele tanks en deze kregen het bevel zich in te graven als bescherming tegen luchtaanvallen. De Duitse jagers vlogen die dag 131 vluchten. 8 jabo's van no. 250 Sqdn voerden tezamen met een formatie Bostons een aanval uit op het vliegveld van Bir el Abd. De Kittyhawks wierpen zeven bommen op het vliegveld waarna ze met hun boordwapens een Me 110 en nog enkele Stuka's, Ju 88's en een Ju 52 beschadigden. Daarbij werd PO Crofton waarschijnlijk door flak neergehaald want hij keerde niet meer bij zijn eenheid terug.
          Op 23 juli begeleidden 19 Me 110's van III./ZG 26 onder bevel van Hptm Herzberg 30 Ju 52's die een Italiaans infanteriebataljon aan boord hadden naar de oasa Siwa. De oase was echter reeds door de Britten ontruimd.
          Op 24 juli startten Kittyhawks en Tomahawks van no. 233 Sqdn en no. 239 Wing voor een escortevlucht voor 18 Bostons en 12 Baltimors die Quotifiya gingen aanvallen. Vele Kittyhawks droegen zelf bommen mee. Onderweg maakten ze contact met 7 Me 109's van II./JG 27 die een Me 110 van 4.(H)/12 escorteerden en een Rotte van I./JG 27 De Me 110 BG + GI had Oblt. Josef Hofbauer aan boord, de verbindingsofficier van de II. Gruppe. (Hij wilde vliegervaring opdoen en vluchten tegen de vijand mee te maken om op die manier het EK I te kunnen ontvangen. Het was zijn 13de vlucht tegen de vijand). Ondanks de tamelijk grote escorte konden zich drie Curtiss op de Messerschmitt stortten en deze neerhalen. Door toeval werd Hofbauer uit het toestel geslingerd en kon hij zijn valscherm openen. Toen hij neergekomen was stelde men twee schotwonden, een hoop splinters en zware brandwonden vast. De piloot van het toestel Fw. Birckner viel en de waarnemer Oblt. Brauner stierf twee dagen later.
Alfred Wehmeyer
De Me 110 kreeg grote aantallen escortevluchten toegewezen voor de Ju 52/3m's.
Op de achtergrond grote stofwolken veroorzaakt door landende toestellen.
Deze foto werd op Derna genomen.
          Ten zuiden van Kreta moest een Me 110 van 7.ZG/26 op zee neergaan. De bemanning, Fw. Lindhoff en Uffz. Krause werden gewond. Ten noorden van Tobroek werd een andere Me 110 in een gevecht verwikkeld met een Hudson. De Duitse radio-operator, Uffz. Spohn werd door het afweervuur van de Britse boordschutter in de zijdelingse stand van de Hudson verwond.
          Op 5 augustus werd het gros van III./ZG 26 overgeplaatst naar Kastelli op Kreta. Enkel 8./ZG 26 bleef nog op Afrikaans grondgebied achter .
          Op 21 augustus, boven zee ten zuidwesten van Kreta, vielen negen B-24's van de 98th BG een konvooi aan. Twee Me 110's van III./ZG 26 en een Me 110 van het Jagdkommando Kreta onderschepten de bommenwerpers. De Zerstörer meldden twee neergehaalde B-24's. Op 22 augustus stortte een Me 110 van 8.ZG/26 tijdens een onderhoudsvlucht door motorpech bij Derna neer. Fw. Karl Aumüller verloor het leven.
          Tegen het eind van de maand kwamen de eerste Me 110's van III./ZG 1 uit Duitsland in Afrika toe en versterkten de Jabo-Gruppe. Na een periode van tamelijke rust, die begonnen was na het Britse offensief van 21 juli om Rommels troepen van de Egyptische grens te verdrijven, zetten de Duitse troepen zich weer in beweging. Ze werden langer als verwacht door de Britten opgehouden. (Ondertussen was Generaal Auchinleck vervangen geworden en had op 15 augustus General Montgomery het bevel over het 8ste Leger overgenomen.) De grote adempauze voor de grondtroepen was voorbij.
          September was een kalme maand voor de bemanningen van de Me 110's en alleen de luchtafweer vormde een bedreiging. De verliezen aan Me 110's in september, net als in augustus bedroegen amper drie toestellen, twee liepen er beschadigingen op.
          Op 7 september maakte Fw. Wegmann alleen een onderscheppingsvlucht op twee B-24's. Het werd een lange strijd want de twee bommenwerpers vlogen uiterst handig en dekten elkaar tijdens de aanvallen van de Duitser. Uiteindelijk kon Wegmann toch één van de toestellen neerschieten en keerde terug met meer dan vijftig treffers in zijn eigen toestel, Me 110 3U + AD, een splinternieuwe machine die eigenlijk toebehoorde aan de Gruppenkommandeur Hptm. Christl. Op 26 september stortte Me 110 3U + MS van 8./ZG 26 tijdens een konvooibegeleiding in zee neer, de piloot Uffz Willi Schmalenberg verdronk. Op 29 september keerde Ofw. Haugk met zijn Me 110 van een escortevlucht boven zee terug en ontdekte een Liberator-formatie van elf toestellen die hij onmiddellijk aanviel. Hij haalde twee van de bommenwerpers neer en dwong de rest om te keren. Zijn succes werd later door de Duitse Inlichtingendienst bevestigd.

          Op 1 oktober voerden 8 Liberators een dagaanval uit op een konvooi ten noorden van Derna en werden door drie Me 110's en een Ju 88 aangevallen. Een Me 110 werd neergeschoten en stortte in zee neer. Een tweede dook met een zwarte rookwolk achter zich weg, dit was ook het geval bij de Ju 88. Op 2 oktober stortte boven het eiland Dia bij Kreta de Me 110 3U + SR neer, waarschijnlijk per vergissing door eigen jagers neergehaald. De bemanning met Fw. Ludwig Ortwerth en Gfr. Heinz Pannenberg werd vermist. 2 oktober was ook de dag waarop Hauptmann Hans Jochen Marseille in Derna werd begraven.
          Op 6 oktober ondernamen 8 Liberators van het 160th Sqdn terug een dagaanval tegen een konvooi ten zuiden van Kreta en opnieuw verschenen er een Ju 88 en drie Me 110's. De bommenwerper van FO Duplex droeg de hoofdlast van het gevecht. Een Me 110 stortte in zee, een tweede ging brandend neer en de Ju 88 dook weg met een stilstaande motor en de andere in brand.
          Op 11 oktober werd een Me 110 van 7./ZG 26 bij een luchtgevecht boven zee ten noorden van Tobroek neergeschoten. Oblt. Karl Will en Gfr. Kurt Bohrer werden vermist.
          Op 20 oktober stortte Me 110 3U + ER door motordefect neer, Fw. Johannes Schulze en Uffz. Friedrich Hecht werden gedood.

De slag bij El Alamein

Om 21.40 hr in de nacht van 23 op 24 oktober begon een trommelvuur uit meer dan 1.000 kanonnen op een front van 10 km breedte. Het was het begin van de Slag bij El Alamein. Twintig minuten later steeg de infanterie uit hun loopgraven en stormden Zuid-Afrikanen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Indiërs en Schotten door de doorgangen in de mijnenvelden en rukten honderden tanks op. De doorbraakpoging van de 1st en 10th Tankdivision in het midden en de 7th Tankdivision bij Himeimat in het zuiden mislukte echter. In de dagen die daarop volgden werden de Duitse jachteenheden die uitgeput waren naar Sicilië overgebracht om uit te rusten en kwamen die eerste delen van de vervangers in Afrika toe. De Me 110's van 8./ZG 26 gingen door met hun dagelijkse opdrachten en de twee andere eenheden op Kreta hadden de handen vol met het escorteren van de Ju 52's die voorraden aanvoerden voor het in het nauw gedreven en terugwijkende Panzerarmee Afrika.
          Op 8 november bereikten de Britse troepen Marsa Matruk. De grootste gebeurtenis van die dag was echter de landing van de landing van de Anglo-Amerikaanse troepen in Frans-Noord-Afrika. De Duitsers moesten zich nu naar twee kanen verdedigen.

De laatste gevechten

Ondanks de dreigende situatie en de terugtocht bleef het einde van het jaar een kalme periode voor III./ZG 26. Op 18 november werd nog een Me 110 zwaar beschadigd door een grondaanval op de piste van Bizerte. De eenheid trok zich spoedig terug naar Trapani, op Sicilië, om de begeleidingsvluchten te verzekeren die nu van vitaal belang waren voor het overleven van de Duits-Italiaanse strijdkrachten In Afrika. Op 2 december werden twee machines van 7./ZG 26 bij Lampedusa neergehaald door Spitfires van no. 149 Sqdn dat op Malta was gestationeerd. De Zerstörer escorteerden een 30-tal Ju 52's. Op 21 december werd aan Ofw. Haugk het Ritterkreuz overhandigd voor zijn prestaties als 'Zerstörerflieger'.
          Rond dit tijdstip werd III.ZG 26 versterkt met een 10. Staffel die uitgerust was me nachtjagers Ju 88 C. In januari 1943 kreeg de Gruppe zijn eerste Me 110 G's met DB 605 A motoren. Deze toestellen werden zeer snel in de strijd geworpen boven Tunesië. Ondanks de zware grondgevechten die er plaats vonden bleef het verlies aan toestellen beperkt. III./ZG 26 verloor in januari amper drie toestellen en een vierde was tamelijk beschadigd. Op 31 januari wierpen twee Me 110's zich in de strijd met 11 P-38's om twee He 111 te beschermen. De twee 'Samaritanen' werden beiden neergeschoten.
          In februari gingen er 7 toestellen verloren, zeven ander waren beschadigd. Op 3 februari leverde een Schwarm het escorte voor twee bevoorradingsschepen onder leiding van Fw. Günther Wegmann en werden in de buurt van Bizerte verrast door 12 Lightnings. Drie Me 110's werden neergehaald en Wegman kon ontkomen met een machine die door kogels was doorzeefd.
          In maart gingen twee Me 110's verloren, als gevolg van een bombardement werden er nog eens vier beschadigd. Op 17 februari kon Wegmann 'wraak' nemen voor de verliezen van 3 februari toen hij met en Schwarm enkele Beaufighters en Beaufort kon verrassen die een konvooi aanvielen. De Duitsers konden vier vijandelijke toestellen neerhalen.
          Op 5 april lanceerden de geallieerden operatie 'Flax' die tot doel had de Duits-Italiaanse ravitaillering te desorganiseren. Trapani werd op 5 en 9 april gebombardeerd, dertien Me 110's van III./ZG 26 werden daarbij zwaar beschadigd. 8 ervan waren nog enkel schroot, vier andere waren niet meer operationeel.
          Op 11 april gingen er opnieuw 2 Zerstörer verloren bij Cap Bon tijdens een escorte-opdracht. De Gruppe wreekte zich door het neerhalen van zeven Lightnings van de 82nd FG, vier ervan kwamen op de score van Lt. Paul Bley. (Volgens de Amerikanen werden er slechts drie P-38's neergehaald die dag) Ook 17 april was een 'goeie' dag voor III./ZG 26. De Me 110's vielen B-17's aan die Palermo hadden gebombardeerd en haalden er vier van neer voor het verlies van slechts één eigen toestel. De zware bewapening van de Me 110 kwam hier tot zijn volle recht.
Achtergebleven
Een in de woestijn achtergelaten Me 110 van III./ZG 26.
          Op 10 april kostte een bombardement op Trapani het leven aan vier leden van III./ZG 26. De Gruppe bleef nog een paar weken op de basis van Trapani, maar onder druk van de gebeurtenissen werd ze overgeplaatst naar Ciampino (Rome). In augustus 1943 vetrok III.ZG 26 naar Plantlünne in het Reich en verliet daarmee definitief het Middellands Zeegebied.
          Op 13 mei werden de gevechten in Afrika stopgezet door de capitulatie van het Panzerarmee Afrika; Het laatste toestel van III./ZG 26 dat verloren ging was de machine van Uffz Hans König en Fw. Alfred Müller, de radio-operator, die vermist werden gemeld op 6 mei toen ze op weg waren van Trapani naar Aquino in Italië.
          De waarde van een eenheid werd niet bepaald door het aantal overwinningen. In twee en een half jaar operationele inzet in het Middellands Zeegebied had III./ZG 26 in totaal 'slechts' 132 Luftsiege behaald tijdens 9.910 opdrachten. De toestellen hadden alle soorten escortes uitgevoerd en een groot aantal grondaanvallen uitgevoerd. Dit alles ging ten koste van 252 vliegers, gevallen, gewond of gevangengenomen. Maar in zijn geheel is het moeilijk om een bilan op te maken van de ze Zerstörer-eenheid in Afrika. Hoeveel geallieerde piloten moesten hun aanval op een konvooi - in de lucht of op zee- niet afbreken bij het naderen van de begeleidingsjagers ? Hoeveel bommenwerpers die op weg waren om een colonne van de AS aan te vallen moesten hun bommen niet voortijdig in een noodworp kwijtgeraken? De bijdrage die III./ZG 26leverde aan de strijd in Noord-Afrika valt niet te becijferen, maar heeft wel haar invloed gehad op de gebeurtenissen.

Ritterkreuzträger van III./ZG 26

Als de overwinningen van een eenheid niet haar waarde bepalen kunnen toch de decoraties die de manschappen ervan mochten in ontvangst nemen een weergave zijn van de geleverde inspanningen.
Richard HellerRK op 21.8.41
Fritz Schulte-DickowRK op 7.3.42
Georg CristlRK op 18.3.42
Alfred WehmeyerRK op 4.9.42
Hemuth HaugkRK op 21.12.42
Otto ReitspergerDeutsches Kreuz in Goud
Karl-Heinz Bittneridem
Gottfried Kowatschidem
Paul Herzbergidem
Herbert Oberhageidem
Hans Swobodaidem

Bron: 'Luftkampf zwischen Sand und Sonne' - Ring/Shores (Motorbuch Verlag - Stuttgart)
Avions nr 81 december 1999

Top
TOP

Go to...   III./ZG Foto's (1)

Go to...   III./ZG Foto's (2)

Go to...   Messerschmitt Me 110 dagjager

Go to...   Messerschmitt Me 110 nachtjager

Back to Luftwaffe  ---- Update okt 2006 Go to RAF  ----  Update 13 jan 2003 Go to USAAF ---  Update apr 2002


Valid HTML 4.0 Transitional

Informatie

email

Gastenboek

http://www.luchtoorlog.be