Back to...

 

Messerschmitt
Me 110
Zware nachtjager

Me 163 B-1
Feldwebel Paul Gildner, één van de nachtjacht-Asse, en zijn radio-operator Unteroffizier Müller stijgen in hun Messerschmitt Bf 110 C van 1/NJG in maart 1941.

Inhoud

gotop   Het begin

Daar ze niet in staat waren om over dag zonder zware verliezen boven Duitsland te opereren voerden de bommenwerpers van het Britse Bomber Command hun opdrachten uit onder dekking van de nacht. Op 15 mei 1940 begon het Bomber Command van de RAF met het uitvoeren van aanvallen op de vijandelijke transport- en verbindingsinfrastructuur.
Joseph Kammhuber
General Joseph Kammhuber,
de uitvinder en oprichter
van de
'Himmelbett"-tactiek.
Deze aanvallen waren een soort vergelding voor de Duitse bombardementen op Rotterdam. Rond dit tijdstip beschikte de Duitse Luftwaffe nog over geen echte nachtjachteenheden. De FlaK was nog steeds verantwoordelijk voor het verdedigen van het luchtruim boven mogelijke doelen, maar bleek niet opgewassen tegen deze taak en Oberst, later General, Josef Kammhuber werd op 20 juli 1940 door Göring belast met het oprichten van een nachtjachtformatie. Tegen het einde van de maand bestond het Nachtjachtgeschwader NG1 uit de I Gruppe, uitgerust met Bf Me 110 C's van het hervormde Zerstörergeschwader ZG 76, de II Gruppe uitgerust met Junkers Ju 88's en III/NJG 1 met Me109's die spoedig door Bf Me 110's werden vervangen. Langzamerhand breidde de Luftwaffe haar getalsterkte aan nachtjachteenheden uit en tegen het eind van 1940 waren er reeds 165 vliegtuigen beschikbaar.
          De Me 110 C was de eerste versie die werd ingezet tijdens een nachtelijke operatie. Het toestel had een snelheid van 560 km/u op 7.000 m hoogte en een actieradius van 910 km. De bewapening bestond uit twee 20 mm MG FF kanonnen en vier 7,9 mm MG 17 machinegeweren die in de neus waren ingebouwd en nog een achterwaartsvurende MG 15. Rond dit tijdstip beschikten de Duitsers echter nog niet over speciale nachtjacht-uitrustingen. De dag- en nachtjagers konden dus gewoonweg onderling verwisseld worden.
          In het begin vielen de nachtjagers van Kammhuber de vijandelijke bommenwerpers op het zicht aan terwijl deze laatsten in de stralenbundels van de zoeklichten werden gevangen gehouden. Men stelde reeds snel vast dat deze methode afhankelijk was van de weersomstandigheden. Om minder van de weersomstandigheden afhankelijk te zijn voerde Kammhuber een systeem in waarbij de onderscheppingen werden geleid door grondstations.
Würzburg-Riese
Een Würzburg-Riese op het Nederlandse eiland
Walcheren. Deze foto werd door de Engelsen op 2 mei
1942 genomen. De soldaat links naast de kabine
werd bruikt om de grootte van het toestel te bepalen.
Hij liet een linie van radarstations uitbouwen die elk onderling 35 km van elkaar verwijderd waren opgesteld. Op deze manier werd een barrière opgetrokken waardoor elke indringende bommenwerper doorheen moest wilde hij in de bezette gebieden indringen. De linie had de vorm van een sikkel: het handvat ervan liep van noord naar zuid door Denemarken, het lemmet draaide door Noord-Duitsland, Nederland, België en Oost-Frankrijk naar de Zwitserse grens. Elk station beschikte over twee Würzburg-Riesen, radarsets met een effectieve reikwijdte van 45 km. Eén van deze radarschermen diende voor het opsporen van de bommenwerper, de andere werd gebruikt om de jager te leiden. Vanaf de bodemstations bekwamen de Luftwaffe-piloten aanwijzingen die naar hun doel leidden. Deze taktiek kreeg de codenaam 'Himmelbett'.
          De eerste variant van de Bf Me 110 die speciaal voor dit doel werd gebouwd was de F-4. Deze was voorzien van twee 1.300 pk DB 601 F motoren - de Bf Me 110 C beschikte over twee DB 601 A motoren die elk 1.100 pk leverden. Om de bewapening nog te versterken werden enkele F-4's uitgerust met een bijkomende bewapening die bestond uit twee 30 mm MK 108 kanonnen. Deze waren in een gondel onder de romp gemonteerd. De produktie van de F-4 begon in 1941 en tegen maart 1942 werden er elke maand 36 exemplaren van deze toestellen afgeleverd.
          Toen de Britse Geheime Dienst meer inlichtingen betreffende het Himmelbett-systeem kon verzamelen werd het duidelijk dat de RAF-bommenwerpers in een dichte groep moesten vliegen. Zodoende konden ze allen in één bepaalde sector de radarlinie doorvliegen met slechts het verlies van één of twee ongelukkige toestellen die door de radar waren opgepikt en door een nachtjager werden achtervolgd (een jacht achter een opgevangen toestel brengen duurde gewoonlijk ongeveer 10 minuten). De rest kon ongehinderd zijn koers verder naar het doel volgen. Deze taktiek werd voor de eerste maal toegepast op 30 mei 1942 tijdens de bekende 'Duizend-bommenwerpers-raid' op Köln. De normale voorziene duur van de aanval was op zeven uur berekend maar duurde 150 minuten langer. Elke minuut passeerden er zeven bommenwerpers op een bepaald punt van de route. Bij de terugkeer ontbraken er 41 toestellen van de in totaal 1.046 bommenwerpers die vertrokken waren, dit betekende een verlies van 3,8 %.
30 mm MK 108
Twee 30 mm MK 108 motorkanonnen in de neus van een Me 110 nachtjager.

gotop   Nachtjagerontwikkeling van de Bf Me 110

Bf Me 110 F-4:

De eerste Bf Me 110 nachtjager aangedreven door twee 601 F 1.300 pk motoren en voorzien van een bijkomende bewapening die uit twee 30 mm MK 108 kanonnen bestond die in een gondel onder de romp waren gemonteerd. Was de eerste variant met drie bemanningsleden.

Bf Me 110 G-4:

Werd aangedreven door twee 1.475 pk DB 605 B motoren. Deze versie droeg een voorwaartsvurende bewapening die bestond uit vier MG 17 machinegeweren en twee MG 151 machinegeweren. In de achterste sectie van de cockpit waren twee MG 81's gemonteerd. Het toestel was uitgerust met de FuG 212 radar. Er konden twee 300 l of één 900 l bijkomende afwerpbare brandstoftanks meegenomen worden. Installatie van twee 250 kg bommenrekken onder de romp en de vleugels wanneer de afwerpbare tanks niet werden meegevoerd.

Bf Me 110 G-4/U-7:

Geen achterwaartsvurende bewapening. GM-1. FuG 212

Bf Me 110 G-4/U-8:

Geen bommenrekken onder de romp, geen achterwaartsvurende bewapening. Plaats van de derde man ingenomen door een 550 l brandstoftank. FuG 212.

Bf Me 110 G-4/R3:

MG 81's opnieuw geïnstalleerd, voorwaartsvurende batterij vervangen door twee 30 mm MK 108. FuG 212.

Bf Me 110 G-4/R6:

Geen achterwaartsvurende bewapening. GM-1. FuG 212.

Bf Me 110 G-4/R7:

Idem als R3 maar geen achterwaartsvurende bewapening en een 550 l brandstoftank in plaats van de derde man.

Bf Me 110 H-4:

Twee MG 81's, bommenrekken onder de romp en de vleugels naar keuze. Voorwaartsvurende batterij bestaande uit vier 7,9 mm MG 17's en twee 20 mm MG 151's. Bijkomende MG 15 in de gondel. Bijkomende pantserbescherming voor de bemanning. FuG 212.

Bf Me 110 H-4/U7:

Idem als H-4 maar met GM-1 injectie.

Bf Me 110 H-4/U8:

Geen GM-1. 500 l brandstoftank in plaats van derde man. FuG 212.

gotop   Bf Me 110 in dienst

De invliegroute naar Köln liep deze nacht recht over de radarstations die werden gebruikt voor het leiden van de Bf Me 110's van II/NJG 1. De verdedigers kregen meer doelen in hun sector dan dat ze eigenlijk wilden. II/NJG 1 behaalde acht bevestigde overwinningen. De meest noemenswaardige actie bij NJG 1 werd geleverd door Leutnant Niklas en zijn radio-operator Unteroffizier Wenning. Ze waren met hun toestel opgestegen vanaf het vliegveld van St.Truiden in België en werden per radio naar het dichtstbijzijnde radarstation in het Himmelbett-systeem geleid. Wenning vertelt :
          'We moesten in ons gebied niet lang wachten. Op 3.050 m zagen we op een afstand van 500 m de eerste bommenwerper die we herkenden als een Wellington. Op hetzelfde moment moet ook de Tommy ons herkend hebben. Plotseling maakte hij een korte draai en dook van ons weg. We wilden hem achtervolgen maar hij gaf een zo sterk afweervuur waardoor we niet in staat waren om een gunstige schietpositie in te nemen, we vlogen over hem weg. Hij vuurde wild op ons en zijn spoortrekkers vlogen langs ons heen zonder dat we werden geraakt. Lt. Niklas legde onze machine op de rug zodat de inhoud van mijn navigatietas overal rondvloog. We vlogen terug op ons doel af en konden nu van op korte afstand onze kogels en granaten in zijn bakboordvleugel plaatsen. Het toestel vatte vuur. Tijdens deze gebeurtenissen was ons slachtoffer reeds gedaald tot op een hoogte van 1.820 m. We plaatsten nog in vuurbui in de romp en de vleugels en de vlammen verspreidden zich nu nog meer. We trokken ons op een veilige afstand terug en wachtten voor in het geval we nog een aanval zouden moeten uitvoeren. De Wellington stond nu in lichterlaaie, de vlammen werden steeds groter. Opeens kipte hij over zijn bakboordvleugel weg en stortte neer. Hij explodeerde op de grond.
          We waren buiten onszelf van vreugde. Het was onze eerste overwinning. Ik sloeg op de schouders van Niklas. Ondertussen waren we tot op 200 m gedaald om ons slachtoffer te bekijken. Van het leidstation kregen we een snelle positiebepaling door en waren klaar voor een nieuwe aanval. Ik onderging een geforceerde ademhaling zonder zuurstofmasker op 4.000 m. Toen ik me oprichtte was ik volledig verrast toen ik een Tommy onmiddellijk voor ons - op 700 m - opmerkte. Het was terug een Wellington. Hij zwenkte maar opende het vuur niet. Had hij ons gezien ? We gingen rechtstreeks op hem af. Het toestel groeide snel. Van op korte afstand openden we het vuur en plaatsten treffers in de romp en de vleugels. Dan zagen we flikkeringen van vuurstoten uit de staart. Ik wilde roepen 'Hij brandt' toen Niklas schreeuwde 'Ik ben geraakt '. Ik had de mondingsvlammen van de achterste toren voor inslagen gehouden. Nu konden we ons niet meer met de Tommy bezig houden, we hadden genoeg te doen met onszelf.
          Het gestadige dreunen van de motoren klonk geruststellend. De treffers in onze machine waren niet ernstig. We bevonden ons wel in een gevaarlijke situatie daar de piloot verwond was. Zijn linkerarm hing slap naar beneden en het bloed stroomde er langs. Ik kon Niklas' arm afbinden met een stuk touw.
          Ondertussen hadden we aanwijzingen gekregen om op een koers van 60º te vliegen. Maar hoe ? Ons instrumentenbord was geraakt en het kompas vernietigd. Rechts zat er een stand-by kompas maar dit was niet verlicht. Onze lamp was verloren gegaan tijdens de eerste aanval ( ze zat in de navigatietas).
          Niklas besloot in de tegenovergesteld richting te vliegen en zo zijn basis te bereiken. Ik vroeg over de radio om Stubbelfeld te verlichten (Dit was de codenaam van de basis in St.Truiden.) Niklas die ondertussen voorover was gezakt richtte zich op. Ik zei hem dat de basis niet kon verlicht worden daar er een koerier boven de basis hing (codenaam voor vijandelijk vliegtuig) . Niklas antwoordde daarop dat we moesten uitstijgen omdat hij niet verder kon. Daar we onze basis reeds dicht moesten genaderd zijn en het voor Niklas krankzinnig zou zijn geweest om met zijn verwondingen uit te stijgen vroeg ik hem nog wat te wachten. Plotseling zag ik de lichten van de basis opflitsen. Daar Niklas niet veel meer kon zien gaf ik hem aanwijzingen. We bevonden ons reeds boven de lichten voor hij ze zag. Een normale nadering naar de landingsbaan was onmogelijk. Met een zijslip trachtte hij op de noodbaan te geraken. Bomen schoven onder ons door. We zaten te laag. Opeens zag ik een dak van een huis onder ons door schieten. We vlogen met een snelheid van 300 km/u.
          Niklas kon niet meer. Hij zakte in zijn zetel weg. Ik hoorde een schrapend geluid en de aarde vloog langsheen de cockpit. Ik zat gespannen. Dit was dus een noodlanding. Het scheuren en splinteren werd luider. Dit had ik me anders voorgesteld. Dan een hevige schok en plotse stilte.
          Niklas die zijn hoofd had gestoten was terug bij bewustzijn en riep dat we het vliegtuig onmiddellijk moesten verlaten. Hij stelde zich recht maar viel terug daar hij zijn harnas nog aan had. Ik sleepte hem buiten en legde hem met zijn bloeddoordrongen vliegerpak een eind van het vliegtuig verwijderd in het gras. Er verscheen een dokter en verplegers die hem wegdroegen. Ik was omgeven door mensen die me allerlei vragen stelden.'
          Later op de dag werd het tweede door Niklas afgeschoten vliegtuig gevonden. (Niklas zelf herstelde en werd later gedood tijdens een actie tegen USAAF bommenwerpers bij een dagaanval).
          Het Duitse antwoord op de Britse bommenwerperstromen was het plaatsen van meer grondstations voor en achter de 'Kammhuber-linie'. Daarop begonnen de Britten dan hun invliegtijd in te korten en in meer compacte groepen te vliegen.
          Visuele aanvallen die geleid werden door grondstations waren goed voor maanverlichte nachten. Kammhuber voorzag echter dat de bommenwerpers ook zouden komen als er geen maanlicht was. Daarom had hij aan de firma Telefunken de opdracht gegeven om een zo kleine radarset te bouwen dat deze door de jagers kon worden meegenomen. In juli 1941 voerde men met een zulke set, de Lichtenstein BC, een eerste test uit in een vliegtuig. Deze radar had een maximaal bereik van 4 km en werd in februari 1942 in dienst genomen. In de herfst van 1942 waren alle nachtjagers met de Lichtenstein BS, of een eenvoudiger versie de C-1, uitgerust.
          Op het eind van 1940 was het duidelijk geworden dat de langverwachte vervanger voor de Bf Me 110, de Me 210, niet aan de gestelde vereisten voldeed. Om het gat te vullen werden de Bf Me 110's aërodynamisch 'opgekuist' en uitgerust met DB 605 B motoren die 1.475 pk leverden. Het nieuwe model kreeg de naam Bf Me 110 G. De produktie van de nachtjagerversie G-4 begon in het begin van 1942. In december waren er 30 F-4's en 37 G-4's per maand gebouwd. De modificaties die waren aangebracht om de toestellen als nachtjagers geschikt te maken waren er echter de oorzaak van dat de topsnelheid met 56 km/u verminderd was. De oorzaken daarvan waren vooral het monteren van de radarantennes en het aanbrengen van vlammendempers over de uitlaten en het bijkomende gewicht van de radarset en de matzwarte nachtcamouflage. Tegenover de lager en trager vliegende Britse bommenwerpers van het tweemotorige type Whitley en de viermotorige Stirling waren de Bf Me 110 G's superieur. Maar in het geval dat ze het moesten opnemen tegen de nieuwere Lancasters die over betere capaciteiten beschikten ondervonden de piloten dat ze slechts een gering voordeel in snelheid bezaten. Dikwijls bevonden de nachtjagers zich reeds buiten het 45 km bereik van het Himmelbett radarstation voordat ze een Lancaster konden onderscheppen. In dit geval moesten ze de achtervolging afbreken, zelfs al hadden ze een goed visueel contact of de vijand op hun radarscherm.
          Op het eind van 1942 omvatte de Duitse nachtjacht 389 vliegtuigen, daarvan waren er minstens 300 Bf Me 110's. Gedurende dit jaar verloor het RAF Bomber Command 1.291 bommenwerpers bij nachtaanvallen op doelen in het door Duitsland bezette gebied. Twee derden daarvan werden neergehaald door de jagers.
          Het is interessant om even de werkwijze van het Duitse Himmelbett-systeem te volgen zoals dit bestond in 1943. Om 01.06 Hr in de morgen van 22 juni 1943 was Leutnant Heinz-Wolfgang Schnaufer in een Bf Me 110 G-4 gestart en opgestegen van St.Truiden. Een grote formatie bommenwerpers die de Noordzee kruiste was ontdekt geworden en Schnaufer had de opdracht gekregen om een oogje in het zeil te houden boven het Himmelbett-station Meise, 20 km ten no van Brussel. Het doel van de bommenwerpersgolf was Krefeld in het Ruhrgebied.
Wolfgang Schnauffer
De topscorer van de Duitse
nachtjacht,
Major Heinz-Wolfgang Schnauffer,
hij haalde 121 bommenwerpers neer.
Hun invliegroute lag ten oosten van Meise. Om 01.20 Hr kreeg Schnaufer de melding dat er zich een eenzame bommenwerper ver van zijn route bevond en Meise naderde vanuit het westen. Aan de grond in Meise begonnen mannen van de 13de Kompanie van het 211de Regiment als een getraind team hun radaruitrusting te bedienen. Er was reeds een Würzburg-Riese op het toestel van Schnaufer afgesteld, een andere zwenkte naar het westen om de bommenwerper op te vangen. Onmiddellijk nadat de bommenwerper binnen het bereik van het station kwam gebeurde dit ook. Lt. Kühnel van 13/211 Reg. gaf een constante stroom van inlichtingen door aan Schnaufer en dirigeerde deze direct achter de bommenwerper. Achteraan in de Messerschmitt merkte Lt. Baro op zijn radarscherm een lichtreflex op van een vijandelijke jager op een afstand van ongeveer 2.000 m. Deze naderde snel. Schnaufer vertelde : 'Ik herkende op 380 m boven rechts een Short Stirling en slaagde erin een aanval op dit toestel uit te voeren die daarop onmiddellijk wegdook. Het toestel vatte echter vuur in de romp en de vleugels en vloog zo verder. Dan schoot hij opeens naar beneden en boorde zich op 3 km ten no. van Aarschot in de grond.'
          Bij het eerste licht begaf Kühnel zich naar het wrak van de neergeschoten machine om het te verifiëren. Daarna meldde hij : 'Om 06.00 Hr op 22.06.43 was ik bij het wrak van de door Lt. Schnaufer neergeschoten Stirling (op 22.6.43 om 01.33 Hr). Het wrak bevond zich op ongeveer 3 km ten noordoosten van Aarschot, in referentiemap NK 31b. De zevenkoppige bemanning bevond zich nog aan boord, allen waren dood. De Stirling was volledig vernield bij het neerstorten en daarna uitgebrand. Het richtingsroer en de achterste gevechtstoren lagen op ongeveer 1.300 m achter de rest van het wrak.' Het was de dertiende luchtoverwinning van Schnaufer.
          Hoe dan ook, het Himmelbett-systeem had ook zijn achillespees en deze bleef niet onopgemerkt voor de Britten.
Window
De Windowfolie (bij de Duitsers gekend als 'Düppel-streifen')wordt in
grote hoeveelheden op de aanvluchtroute afgeworpen.
Tijdens een aanval op 13 juli 1943 op Hamburg brak een nieuwe taktiek van de RAF het hele systeem af. Deze taktiek was zo eenvoudig als hij doeltreffend was : men wierp bundels aluminiumfolie af, bundels van 1.000 repen. Elk vliegtuig in de stroom wierp om de minuut zo een bundel af. Deze gingen in het kielzog van de vliegtuigen open en vormden op de Duitse radarschermen een wolk van veelvoudige radarecho's waardoor het lokaliseren van een vliegtuig onmogelijk werd. Deze Window-wolken, zoals de codenaam was, maakten het onmogelijk om nog geleide onderscheppingen uit te voeren.
          Windows verlamde het volledige Duitse Himmelbett-systeem. Het duurde echter niet lang voordat de Duitsers een nieuwe defensieve taktiek hadden ontwikkeld. In plaats van de bommenwerpers te onderscheppen als ze naar hun doel op weg waren, werden ze nu door de nachtjagers boven het doel zelf opgevangen. Boven de zoeklichten, het vuur veroorzaakt door de inslaande bommen en de doelmarkeerders waren de bommenwerpers duidelijk zichtbaar voor de aanvallende nachtjagers. Ze hadden geen radar nodig om hun prooien te kunnen lokaliseren. Deze taktiek noemde men 'Wilde Sau' en werd voornamelijk gebruikt door éénmotorige jagers.
Oberst Viktor von Lössberg
Tijdens de beginmaanden van 1944
bereikte de nachtjacht van de Luftwaffe
haar hoogtepunt door het succesvolle
gebruik van de 'Zahme Sau'-taktiek.
De schepper van deze taktiek was
Oberst Viktor von Lössberg.
Op weg naar en terugkerend van hun doel werden de bommenwerpers aangevallen door de Bf Me 110's. Deze probeerden in de bommenwerperstroom in te sluipen en dan hun slachtoffer uit te pikken. Deze taktiek waarbij de nachtjagers in de bommenwerperstromen infiltreerden, die door Oberst von Lossberg was ingevoerd, noemde men de 'Zahme Sau'.
          De Duitse nachtjagers gebruikten de Zahme Sau-taktiek voor het eerst op grote schaal in de nacht van 17 augustus 1943. De RAF had toen 597 bommenwerpers uitgestuurd om het onderzoekscentrum van de V-wapens te Peenemünde te vernietigen. Het was een heldere nacht met volle maan, een ideaal weer voor deze taktiek. Eén van de Luftwaffe nachtjachtpiloten die aan deze aanval deelnam was Oberleutnant Hans Meihsner van II/NJG 3 met een Bf Me 110. Op 18 augustus om 02.15 Hr was hij vanaf zijn basis Jagel gestart en had zich naar het radarstation Ameise begeven in het zuidoosten van Denemarken. Meihsner had geluk. Men had hem rechts van de bommenwerperstroom geplaatst. Hij verteld
          'Ongelukkiglijk was mijn radio gestoord en kon daardoor geen contact opnemen met Ameise zodat ik geen informatie doorgespeeld kreeg. Ondertussen was ik tot op 3.355 m gestegen en naderde de Apenrader Bocht. Mijn radio-operator Unteroffizier Josef Krinner pikte met zijn radarscherm verschillende echo's op. Deze bewogen zo snel zodat we eerst dachten dat het Düppel (Duitse benaming voor de Windowstroken) was. Toen de echo's zich onder ons bevonden ging ik in een duikvlucht over om snelheid te halen. Om 02.45 Hr zag ik de eerste Lancaster op ongeveer 300 m in front naar mij vliegen. Op 130 m opende ik het vuur in een positie iets rechts en 100 m lager. De derde motor van de bommenwerper vatte vuur. Toen ik het toestel passeerde scheerden er vuurbuien langs mijn bakboordzijde. Vanaf het begin van het gevecht waren onze beide toestellen gevangen door de eigen zoeklichten. Toen de Lancaster met een linkse boog trachtte te ontkomen kwam hij terug in mijn vizier en ik kon hem daarbij nog een vuurstoot laten incasseren. Hij stortte om 02.56 Hr neer op enkele honderden meter van Ufer.'
          'Ik vloog onmiddellijk oostwaarts verder daar mijn radio-operator een andere echo op zijn Lichtensteinscherm had opgevangen en ging in een duikvlucht over. Ik zag boven mij een Lancaster op westelijke koers. Door het goede zicht kreeg ik hem , toen hij afdraaide, onmiddellijk in mijn vizier. Ik vuurde vanuit een min of meer zelfde positie als bij de vorige bommenwerper en ook hier vatte één van de motoren vuur. Het toestel verdween in een duikvlucht en hij stortte om 03.01 Hr neer op de kust van de Apenrader Bocht. Ik zette mij op een meer noordelijke koers en reeds werd een andere echo opgepikt. De bommenwerper zelf kon ik op ongeveer 1.000 m zien vliegen. Mijn eerste aanval was terug dezelfde als de beide vorige. Zijn derde motor vatte vuur en terzelfdertijd werd ik door een zoeklicht verblind. De Lancaster trok op (misschien was de piloot ook verblind of wilde hij snelheid minderen om de bemanning te laten uitstijgen). Daarbij bevond de machine zich volledig horizontaal in mijn vlak. Ik trok ook op en naderde hem tot op 20 meter. Met enkele vuurbuien zette ik zijn tweede motor en de romp in brand. Het toestel stortte neer om 03.11 Hr op ongeveer 2 km ten westen van Ustrup.'
          Het toestel van Meihsner was volledig met olie van het vijandelijke toestel bedekt en moest daarom het gevecht afbreken daar ook zijn windscherm onder de olie zat. Hij landde om 03.30 Hr. De RAF verloor tijdens die nacht 41 bommenwerpers.
          Dit waren nu twee verschillende gevechtsmethodes, de vanaf de grond geleide taktiek van Schnaufer en de eenzame wolf taktiek van Meihsner. Beide waren succesvolle afweermethodes en werden uitgevoerd van op korte afstand, zoals voorheen tijdens de luchtgevechten bij de Slag om Engeland. Mannen die zich voor de opgave gesteld zagen waarbij ze hun vaderland moesten verdedigen vochten verbeten en goede gevechtsmethodes en taktieken hielpen als, ze succes kenden, om het moreel en de vechtlust hoog te houden.

gotop   Bewapening

De Bf Me 110's gingen in de strijd met een zware aanvalsbewapening. Toestellen zoals dit van Meihsner waren uitgerust met vier voorwaartsvurende 20 mm kanonnen. De munitiebanden waren samengesteld uit een spoortrekker ( met gedempt licht voor nachtgevechten), een pantserdoorborende kop, een spoortrekker, een hoogexplosieve kop en terug een spoortrekker. Deze volgorde werd in de volledige munitieband toegepast. Er waren omtrent 20 treffers nodig om een zware bommenwerper neer te halen. Latere versies van de Bf Me 110 G hadden een combinatie van twee 30 mm MK 108 kanonnen en twee 20 mm MG 151's. De eerste vuurden een combinatie van spoortrekkers en hoogexplosieve koppen af die grote beschadigingen aan de vijandelijke toestellen toebrachten. Over het algemeen waren drie treffers voldoende om een zware bommenwerper neer te halen.
          Om deze reeds zware bewapening nog sterker te maken werden er veel Bf Me 110's uitgerust met de Schräge Musik - 20 mm MG /FF of MG 151's die achter de cockpit in de rug gemonteerd waren.
Schräge Musik
De twee 20 mm MG/FF kanonnen van de
opwaartsvurende 'Schräge Musik'-installatie.
De wapens werden met trommels gevoed, de
lege trommels konden tijdens de vlucht vervan-
gen worden door de radio-operator, of indien
aanwezig de rugschutter.
Deze installatie kon bestaan uit twee of vier wapens die schuin naar boven waren gericht. De installatie verschilde van piloot tot piloot, de meeste wapens waren echter opgesteld onder een hoek van 70 tot 80º. Deze wapens werden door de piloot afgevuurd met behulp van een Revi Reflectorvizier dat boven zijn hoofd in de cockpit was geïnstalleerd.
          De taktiek van het visueel opsporen van vijandelijke toestellen was succesvol bij heldere nachten, maar betekenden in feite niets meer dan een noodoplossing die was ingevoerd totdat er nieuwe radarsets beschikbaar werden die toelieten dat er kon gewerkt worden zonder door de Windowstroken gestoord te worden. Op het eind van 1943 nam de nachtjacht van de Luftwaffe drie nieuwe apparaten in gebruik die de bemanningen moesten helpen om hun doelen te vinden : de Lichtenstein SN-2, Naxos en Flensburg. De Lichtenstein SN-2 was een volledig nieuwe radarset die op een frequentie werkte die niet door Windows kon gestoord worden. Hij had een maximaal bereik van 6.5 km. Naxos en Flensburg waren beiden radarsets die werden ingezet voor het opsporen van radarstralen. De eerste was gericht op de Monica - de Britse staartradar tegen vijandelijke achtervolgers, de tweede richtte zich op de stralen van de H2S - de Britse radar voor het blind bombarderen.

gotop   Nieuwe taktieken

Met deze nieuwe elektronische apparaten was de Luftwaffe nu ook in staat om in de donkerste nachten onderscheppingen uit te voeren. Het gevolg daarvan was dat de Zahme Sau taktiek volledig ontwikkeld kon worden tot zijn feitelijke opdracht - het uitvoeren van onderscheppingen over lange afstanden tegen indringers. Daardoor was het mogelijk om de bommenwerpers gedurende de volledige periode dat ze zich boven Duits bezet gebied bevonden aan te vallen.
          Een Zahme Sau onderschepping werd gewoonlijk als volgt uitgevoerd : De bemanningen zaten stand-by in hun onderkomens en speelden kaart of luisterden naar de radio. Als er een alarm werd gegeven moesten de bemanningen binnen de twee minuten klaar zijn om kunnen starten en opstijgen.
Schräge Musik
Major Rudolf Schoenert was één van de eerste
piloten die de 'Schräge musik' operationeel gebruikte.
Hij was tevens een pionier bij het gebruik van
de camouflagepatronen met lichte kleuren voor de
nachtjagers. Hij beëindigde de oorlog met
64 overwinnningen op zijn palmares.
Terwijl de piloten met hun startrun begonnen kregen ze reeds informatie over de positie, koers, hoogte en sterkte van de naderende bommenwerpers en eveneens de codenaam van de radarstations of bakens waarmee ze verbinding moesten houden na het opstijgen. Eens in de lucht stegen de nachtjagers tot op de hoogte van de bommenwerpers en namen verbinding op met de radarstations. Indien de bommenwerperstroom nog ver verwijderd was van de basis van de nachtjagers bleven de toestellen 'baken-crawlen' - tussen de bakens heen en weer vliegen. Eens dat de toestellen zich binnen het bereik van hun respectievelijke radarstations bevonden bleven ze daar met een vijftigtal rondzwermen totdat het bevel kwam om de bakens te verlaten en de bommenwerperstroom te onderscheppen. Ondertussen bleven ze een voortdurende stroom aan informatie ontvangen.
          De eerste aanwijzing die ze kregen was dat ze moesten opletten voor de door de bommenwerpers veroorzaakte luchtwervelingen. Wanneer ze visueel of radarcontact hadden met de bommenwerpers moesten ze eerst hun leidstation bericht geven over de plaats en in sommige gevallen ook over de richting van de bommenwerperstroom. Daarna mochten ze hun aanvallen beginnen en infiltreerden ze in de bommenwerperstroom om hun slachtoffers uit te kiezen.
          Met deze taktiek waren de nachtjagers van de Luftwaffe in staat om gedurende de eerste maanden van 1944 onder de bommenwerpers tamelijk zware verliezen toe te brengen. In januari gingen 55 bommenwerpers van 648 toestellen die Magdeburg aanvielen verloren en een week later werden er 43 bommenwerpers uit een stroom van 683 toestellen neergehaald bij een aanval op Berlijn. Deze hoge scores werden op 19 februari 1944 nog overtroffen bij een aanval op Leipzig door 823 bommenwerpers. Van deze werden er 78 neergehaald.
          De gevechten tussen de RAF-bommenwerpers en de Luftwaffe-nachtjagers bereikte nu zijn hoogtepunt. Het oorlogsdagboek van NJG 6 gaf voor een periode van 12 dagen in maart 1944 een idee over de intensiteit waarmee de strijd gestreden werd. NJG 6 nam aan de gevechten deel als een onderdeel van de 7. Jagddivision die verantwoordelijk was voor de verdediging van Zuid-Duitsland. Het Geschwader beschikte over twee Gruppen met Bf Me 110's : I/NJG 6 te Mainz-Funthen en II/NJG 6 te Stuttgart-Echterdingen. De eenheid opereerde ook met een aantal Ju 88's die als verkenners naar de bommenwerpers moesten uitzien en de door de bommenwerpers afgeworpen doelmarkeerders moesten opsporen.
15 maart : Doel Stuttgart. Eigen opstijgen te vroeg. Daardoor tekort aan brandstof. 26 Bf Me 110's en 3 Ju 88's stegen op. Drie viermotorige bommenwerpers zeker neergeschoten en twee waarschijnlijk. Vijf Bf Me 110's neergestort door gebrek aan brandstof, één maakte een noodlanding en een andere werd gedwongen om te landen in Zurich-Dübendorf (Zwitserland). (RAF-verliezen 36 van de 863 toestellen).
18 maart : Britse penetratie in het gebied Frankfurt - Mannheim - Darmstadt (doel Frankfurt). 24 Bf Me 110 en 2 Ju 88 opgestegen. 1 bommenwerper neergehaald, twee waarschijnlijk. 1 Bf Me 110 neergeschoten en geramd door vijandelijk toestel dat eveneens neerstortte. (RAF-verliezen 22 toestellen van 846).
22 maart : Doel Frankfurt. 21 Bf Me 110's en 2 Ju 88's opgestegen. Oberleutnant Becker scoorde zes overwinningen. De luchtsituatie was niet volledig duidelijk. De vijand draaide naar het noorden van Terschelling, vervolgens zuidwestelijk naar Osnabrück. Dit werd niet bevestigd. Vanaf Osnabrück geen contact meer. (RAF-verliezen 33 toestellen van 816).
23 maart : Valse rapporten bekomen over een vijandelijke bommenwerperstroom op oostelijke koers. Doel Parijs (in feite was het Lyon). 20 Bf Me 110's en 1 Ju 88 opgestegen. (RAF-verliezen 2 toestellen van 143).
24 maart : De vijand naderde over de Noordzee en Jutland naar Berlijn. De terugweg verliep over de noordelijke sector van ons gebied. De bemanningen hadden af te rekenen met zware ijsafzetting als ze door de betrokken lucht vlogen. Vergeefse pogingen om met de bommenwerpers contact te maken tijdens hun terugtocht. Onze eigen luchtkogels waren te hoog (6.110 m). Zeer gedisciplineerd vuur boven Berlijn. Korpsverbindingen konden goed gehoord worden ondanks vijandelijke tussenkomst. In actie waren 11 Bf Me 110's naar Berlijn, 5 Bf Me 110's tegen terugkerende stroom, 3 Bf Me 110's ingezet met Himmelbett-systeem en 1 Ju 88 verkenner. 1 overwinning door Oblt. Becker. (RAF-verliezen 72 toestellen van 811 - waarschijnlijk deden andere eenheden het beter).
26 maart : Rond 500 bommenwerpers naderen over de Zuiderzee op een oostelijke koers naar de Rijn. Dan draaien ze zuidwaarts af naar Essen - Oberhausen - Duisburg (Essen was het doel). Ons eigen verkenningsvliegtuig, een Ju 88 gevlogen door Hptm Wallner meldde enkele vijandelijke activiteiten boven het Ruhrgebied. De richting van de vijandelijke aantocht en terugtocht kon niet afgeleid worden uit de lopende commentaar. Onze eigen radar en bodemobservatieposten hadden de zwenking naar het zuiden te laat opgemerkt. Daardoor was het niet mogelijk voor de nachtjagers om zich in de bommenwerperstroom te begeven. Wegens de kronkelende naderingsroute en de sterke tegenwind arriveerde II/NJG 6 niet tijdig bij het doel en kwam daar pas aan bij het einde van de aanval. Zware ijsvorming werd gerapporteerd. 21 Bf Me 110's in Zahme Sau-operaties, 3 Bf Me 110's in Himmelbett-systeem, 1 Ju 88 op verkenning. Drie Bf Me 110's raakten door hun brandstof en stortten neer, één maakte een noodlanding. (RAF-verliezen 9 toestellen van 705).
          Bij de onderscheppingen hadden de Duitse piloten de opdracht gekregen de bommenwerpers te achtervolgen tot aan de grens van hun vliegduur en eens er contact was gemaakt mocht de achtervolging pas afgebroken worden als de brandstofvoorraad op zijn einde liep. Daarna moesten de piloten proberen hun vliegtuig neer te zetten op het dichtstbijzijnde vliegveld.
          Het grootste nachtgevecht, en tevens de grootste luchtslag, vond plaats op 30 maart bij een RAF-aanval waaraan 795 bommenwerpers deelnamen die Nürnberg aanvielen.
Major Helmut Lent
De tweede in de rij bij de topscorers
van de nachtjacht bij de Luftwaffe:
Major Helmut Lent, op zijn lijst stonden
er 102 neergeschoten bommenwerpers.
De bommenwerperstroom werd met succes opgevangen door 20 Gruppen tweemotorige jagers, ongeveer 200 toestellen. In de gevechten die daarop volgden werden er niet minder dan 94 bommenwerpers neergehaald. De getalsterkte van de nachtjagers bedroeg op dit ogenblik 565 toestellen en bestond uit Bf Me 110's, Ju 88's, Do 217's en He 219's. Daarvan waren er 320 of 60% Bf Me 110's.
          Tussen 18 november 1943 en 31 maart 1944 verloor het RAF Bomber Command 1.047 bommenwerpers, ¾ daarvan stond op de scores van de nachtjagers. In de herfst van 1944 had Major Lent, Kommodore van NJG 3 en Bf Me 110 piloot 102 bevestigde overwinningen op zijn naam staan. Lent werd dodelijk gewond op 5 okt 1944 toen zijn Bf Me 110 neerstortte wegens een motordefect.
          Voordat de oorlog ten einde liep werd deze score nog overtroffen door een andere Bf Me 110 piloot, Majoor Heinz-Wolfgang Schnaufer. Deze beëindigde de oorlog met 121 bevestigde overwinningen als Kommodore van NJG 4. Het is bewezen dat hij drie van zijn overwinningen behaalde door gebruik te maken van de Schräge Musik terwijl hij de bommenwerpers aanviel toen deze zich in een spiraal lieten afzakken. Zijn succesrijkste 24 uur beleefde hij op 21 februari 1945. In de vroege ochtend schoot hij twee bommenwerpers neer en 's avonds kon hij nogmaals in een bommenwerperstroom insluipen en nog eens zeven bommenwerpers in de diepte sturen. Schnaufer overleefde de oorlog maar vond de dood bij een verkeersongeval in Frankrijk.
          Van bij de invasie in Normandië in juni 1944 tot aan het einde van de oorlog vertoonde de Duitse nachtjacht een aanhoudend verval. Dit had de volgende oorzaken : 1) de verovering van Frankrijk sloeg een groot gat in het Duitse radar-verdedigingslinie die de waarschuwingstijd en de afweertijd sterk verminderde. 2) De RAF was in staat om het SN-2 radarsysteem te storen. 3) Vanaf de herfst van 1944 begonnen de Duitse brandstofreserves weg te slinken daar hun raffinaderijen en opslagplaatsen één voor één in puin werden gegooid. Op 31 december 1944 bezat de Duitse nachtjacht 913 vliegtuigen (daarvan 150 Bf Me 110's) maar een groot deel ervan moest aan de grond blijven wegens brandstofgebrek. 4) Gedurende deze periode was men ook begonnen met het inzetten van de nachtjagers tegen gronddoelen. De Bf Me 110's droegen onder de romp een ophangrek voor twee 225 kg bommen en indien er geen afwerpbare brandstoftanks werden meegenomen werden er nog eens twee 55 kg bommen onder elke vleugel opgehangen. Deze nachtelijke aanvallen tegen gronddoelen waren een veeleisende en gewaagde zaak. De verliezen waren dan ook overeenkomstig.
          Tijdens de laatste maanden van de oorlog waren de Duitse nachtjagers het voorwerp van de onwelkome attenties van de Britse Mosquitos van FG 100. Een typische aanval met een Mosquito werd later als volgt beschreven door Flight Lieutenant Winn van No. 85 Sqdn :
'Op patrouille in het gebied van Hannau verschillende Perfecto-echo's opgevangen.
Buitgemaakte Me 110 nachtjager
Een buitgemaakte Me Bf 110 G-4/R-7 nachtjager. Let op de afwerpbare
brandstoftanks onder de vleugels, het rompbommenrek en de radarantennes. (Foto: IWM)
Na 15 minuten jacht overgegaan op A-I (radarcontact) op zes mijl. Na 5 minuten radarcontact visueel contact op 5.000 ft hoogte, 1.500 ft afstand. Doel gevolgd in en uit de wolken. Doel begon aan een rustige afdaling naar zijn verlichte basis (Kitzinger) gevolgd door Mosquito. Na verschillende rondes rond het vliegveld besloot het doel te landen. Gevolgd en genaderd tot op 400 ft bleek het toestel een Bf Me 110 met neergelaten landingsgestel. De eerste vuurbui afgevuurd vanaf 100 ft miste. De tweede vuurbui trof de bakboordmotor en deed het toestel exploderen. Het toestel stortte neer om 05.21 Hr.'
          Het vliegveld was niet Kitzinger zoals de Mosquito-piloot geloofde maar Gerolzhafen, dat enkele km naar het no. gelegen was. De Duitse piloot was Oberfähnrich Erichsen. Hij en zijn radio-operator overleefden de aanval, alhoewel beiden zwaar gewond waren. Een maand later volgde de ineenstorting van het Dritte Reich.
          Zo eindigde ook de carrière van de Bf Me 110 die begonnen was op de eerste dag van de oorlog op de laatste dag van de oorlog.

gotop   Specificaties Bf Me 110 G-4/R3 driezitter nachtjager

Afmetingen :spanwijdte 18,65 m
lengte 15,10 m
hoogte 4,28 m
vleugeloppervlakte 38,63 m²
Motoren :2 x 1.475 pk DB 605 B 12 cyl vloeistofgekoelde V-motoren
Bewapening :twee 30 mm MK 108 kanonnen met 135 granaten in de bovenste neushelft
twee 20 mm MG 151 kanonnen met 300 en 350 granaten in de onderste neushelft
twee achterwaartsvurende 7,9 mm MG 81 machinegeweren in dubbele mounting achter de cockpit
bijkomende bewapening Schräge Musik met twee 20 mm MG FF kanonnen
Brandstof :1.270 l in vleugelcellen,
één 900 l of twee 300 l afwerpbare brandstoftanks
Gewicht :leeg 5.100 kg
normale belasting 9.410 kg
maximale belasting 9.910 kg
Capaciteiten :maximale snelheid 551 km/u op 7.000 m
500 km/u op zeespiegelhoogte
actieradius met 3.100 l brandstof 1.670 km
hoogteplafond 7.930 m
stijgsnelheid 703 m/min tot 5.490 m

gotop   Duitse nachtjachtcamouflage

Vanaf 1943 was de standaard Luftwaffe nachtjachtcamouflage een lichtblauwe grondkleur met een grijze spikkeling of slingerpatroon er overheen voor de bovenzijden van de vliegtuigen. Een dergelijk schema mag ongepast lijken voor de nachtelijke inzet, maar dit schema was bereikt na een aantal overwegingen en onderzoeken. Zelfs in de donkerste nacht is er nog licht. Vliegtuigen die gezien werden als een donkere vlek tegen een lichtere achtergrond waren gemakkelijk te volgen. Het camouflageschema was om die reden ontworpen, men wilde zo weinig mogelijk contrast met de achtergrond bereiken. Ook de RAF had zich aan een dergelijk camouflagepatroon gewaagd maar had het terug verworpen omdat men vond dat de vliegtuigen, die in de stralen van de zoeklichten waren terechtgekomen, nog duidelijker zichtbaar werden.

Bron : Aircraft Profile nr. 207 Messerschmitt Me Bf 110 Nightfighters
Das waren die deutschen Jagdflieger-Asse 1939-1945.
Herrschaft über die Nacht - Spione jagen Radar (Alfred Price)
Air Enthousiast
Pallas nr. 6
Fotobronnen : Bundesarchiv, IWM, Hans Seebrandt, SmithsonianInstitute, Gustav Tham, Wolfganck Falck, Bob Grinsell, Werner Held, US. Air Force, Hans-Joachim Jabs, Gene Stafford, Ossi Anttonen', Russische Nieuwsdienst, Ernie McDowell, Hans Redemann, Mihai Moisescu, Lee Barlow,

Alle foto's © Imperial War Museum konden gepubliceerd worden na contact met Mr. Geoff O'Connor -- GOconnor@iwm.org.uk-- en dank zij de vriendelijke toelating van Mr.Ian Carter --ICarter@iwm.org.uk-- van het I.W.M.

Top
TOP

Go to...   Messerschmitt Me 110 nachtjager Foto's

Go to...   Messerschmitt Me 110 Zware dagjager

Back to Luftwaffe  ---- Update okt 2006 Go to RAF  ----  Update 13 jan 2003 Go to USAAF ---  Update apr 2002


Valid HTML 4.0 Transitional

Informatie

email

Gastenboek

http://www.luchtoorlog.be