Goed bewapend en snel, de kenmerken van Görings paradepaardje, de zware jager Me Bf 110. Hij was echter niet wendbaar genoeg om het tegen de snelle eenmotorige jagers van de RAF te kunnen opnemen.
Het jaar 1934 kan aanzien worden als het jaar van de zware jagers. In Polen won de P.Z.L.P. 38 Wolf een wedstrijd, in Frankrijk werden de basisbepalingen voor een zware jager ontwikkeld en in Duitsland werden de militaire vereisten voor een zware jager uitgegeven. Het concept van de Kampfzerstörer, zoals het toestel in Duitsland werd genoemd, kreeg de toestemming van Göring, die uiteindelijk verantwoordelijk werd voor de constructiekenmerken van een meerdoelen-zware jager. Het toestel moest de volgende eigenschappen bezitten :
Diep in het vijandelijk gebied kunnen binnendringen met als opdracht de lucht vrij te houden van vijandelijke vliegtuigen zodat de bommenwerpers hun opdracht konden uitvoeren,
escorte-bescherming leveren voor bommenwerperformaties,
het vroegtijdig kunnen onderscheppen en vernietigen van vijandelijke bommenwerpers en
in te zetten zijn als jachtbommenwerper diep in het vijandelijke achterland
De technische constructievereisten leidden tot een tweemotorige, volledig metalen, met zware kanonnen bewapende en met een bommenruim uitgeruste jager die bovendien over een bemannig van drie koppen beschikte. Deze vereisten werden aan Arado, Dornier, Focke-Wulf, Heinkel, Henschel, Gotha en de BFM (Bayerische Flugzeugwerke-Messerschmitt) doorgegeven.
De BFM, Focke-Wulf en Henschel dienden hun ontwikkelingsvoorstellen in. De ontwikkelingsvoorstellen van Focke-Wulf en Henschel die zeer dicht aan de vereisten aansloten, kregen de opdracht om elk drie prototypes te bouwen. Focke-Wulf voor de FW 57 en Henschel voor de Hs 124, BFM had de vereisten voor de zware jager terzijde geschoven en zich op hoge prestaties geconcentreerd. Het was aan Ernst Udet te danken dat de BFM tenslotte ook de opdracht bekwam voor het bouwen van een prototype onder de benaming Bf 110.
Het model van Focke-Wulf, de FW 57, was het grootste van de drie zware jagers en had een vleugelspanwijdte van 27,06 m. Het toestel werd door twee 910 pk DB 600 12 cilinder vloeistofgekoelde motoren aangedreven en beschikte over twee 20 mm kanonnen die door de cockpit naar voor uitstaken en een machinegeweer dat in een elektrisch aangedreven in de romp ingebouwde geschuttoren was opgesteld. De Hs 124 werd door twee Junkers Jumo 21 OC 12 cylinder vloeistofgekoelde V-motoren aangedreven die elk 600 pk leverden. De naar voor vurende kanonnen waren in een geschuttoren van Mauser opgesteld.
Voordat de fabrikatie van deze prototypes kon beginnen had het Reichsluftfahrtministerium bijkomende vereisten aan het vliegtuigtype gesteld. Hiervoor waren er nieuwe plannen uitgegeven. Het ontwikkelingsteam van Messerschmitt, dat de vereisten voor het bommenruim had terzijde geschoven, beantwoordde daardoor onverwachts het dichtst aan de nieuw gestelde vereisten.
De Bf 110 had de lange slanke lijnen van een jager met laag ingeplante vleugels en een haaiachtige vorm en werd door twee Daimler Benz DB 600 A motoren aangedreven. Het toestel was eveneens uitgerust met de door Handley Page ontworpen vleugelranden met automatische splitkleppen en een staart die door een dubbele staartvin werd gekenmerkt.
De Bf 110 V1 vloog de eerste maal op 12 mei 1936 met Rudolf Opitz aan de stuurknuppel. Het type was uitgerust met motoren die merkbaar te zwak waren en het testprogramma leed voortdurend onder de gebreken die door de ingebouwde DB 600 A-motoren werden veroorzaakt.
Het prototype, de Bf Me 110 V-1 werd voor de eerste maal op 12 mei 1936 in Augsburg door Rudolf Opitz gestart en een paar dagen later met een snelheid van 566 km/u in horizontale vlucht getest. Spijtig genoeg stelde men vast dat de DB 600 A motoren uiterst onbetrouwbaar waren. Het vliegtuig schommelde hevig tijdens de start- en landingsfase en men vreesde ervoor dat het bij het starten of landen over de kop zou gaan. Men paste de stand van het landingsgestel aan en kon daarmee het gevaarlijke schommelen uitschakelen.
Het probleem van de te zwakke motoren kon niet zo gemakkelijk opgelost worden want het tweede prototype, Bf Me 110 V-2, was pas klaar op 24 oktober 1936. Dit toestel was direct aan de Luftwaffe-Erprobungsstelle Rechlin overgedragen geworden en alhoewel de piloten zich tevredenstellend uitspraken over de hoge snelheid van het toestel waren ze toch teleurgesteld over de slechte wendbaarheid. De snelheid van de V-2 lag hoger dan die van de Me 109 B-1 die rond het zelfde tijdstip aan de jachtpiloten werd geleverd. Er werden ondanks de negatieve meldingen van de testpiloten toch A-0 voorseriemodellen in opdracht gegeven.
Ondertussen waren de FW 57 en de Hs 124 niet geschikt bevonden voor de rol van zware jager en daardoor kreeg de Bf 110 Zerstörer een produktie-opdracht. De tweemotorige machine voldeed niet alleen aan de nieuw gestelde verwachtingen maar overtrof in sommige aspecten zelfs de militaire vereisten. De vier A-0 modellen die voor de operationele testen werden gebouwd moesten met twee 986 pk DB 600-Aa motoren worden uitgerust. Toen de toestellen zover waren afgewerkt dat de motoren konden worden ingebouwd, verklaarde men de DB 600-Aa motoren voor niet geschikt. In plaats daarvan bouwde men twee Junkers Jumo 210 B motoren in.
Het eerste van deze vier toestellen was klaar in augustus 1937. Men stelde toen vast dat deze machine over aanzienlijk te weinig motorkracht beschikte want bij een testvlucht was er een maximale snelheid van slechts 483 km/u gemeten geworden. De A-0 verschilde op verschillende punten van de V-machines. De bewapening bestond nu uit vier 7,9 mm MG 17 machinegeweren die in de neus waren ingebouwd, de motorgondels waren smaller geworden maar ook langer, het staartwiel was niet intrekbaar en achter in de cockpit was er een rugwaartsvurende draaibare 7,9 mm MG 15 ingebouwd.
In maart 1938 was men bij de Bayerische Flugzeugwerke begonnen aan de serieproduktie van een verbeterde versie. De rompneus werd omgevormd en bezat nu een nieuwe aërodynamische vorm. In deze neus werden twee 20 mm MG FF kanonnen ingebouwd. Als de produktie zover gevorderd was dat men de verbeterde DB 601 A motoren kon inbouwen waren deze nog steeds niet beschikbaar. Men besloot daarom een verbeterde versie van Jumo in te bouwen.
De voorserie Me Bf 110 A-0 werd met twee Junkers Jumo 210 Da motoren van elk 680 pk uitgerust die twee verstelbare tweeblad VDM-Hamilton propellers aandreven.
In april startte de eerste machine van het type Bf Me 110 B-0 en werd door twee Jumo 210 Ga motoren van elk 700 pk aangedreven. In juli 1938 kwamen de eerste B-1's van de band. Bij het bezoek van de Franse Marèchal de 'l Air, Generaal Vuillemin, maakte de Luftwaffe van de gelegenheid gebruik om haar nieuw tweemotorig vliegtuig voor te stellen. De Generaal werd naar Augsburg gebracht en mocht er getuige van zijn hoe de Bf Me 110 B-1 zijn wapens inzette en zich als zware jager voorstelde. Daarna liet men zien hoe de B-1's van de band liepen. Deze toestellen werden met korte tussenpozen voorgesteld en weggevlogen. Wat de Franse officier niet wist was dat de voorserie B-0 en de weinige B-1's van de band kwamen, wegvlogen, buiten zijn gezichtsbereik landden en later schijnbaar terug van de band kwamen.
Er waren maar 45 exemplaren van de met de Jumo aangedreven machines gebouwd toen men de produktie stopzette. De eerste Zerstörergruppe/LG 1, een scholingseenheid, kreeg enkele van deze toestellen toegewezen. I./ZG 1 (voorheen JG 141) en I./ZG 76 (voorheen III./JG 132) namen enkele toestellen aan voor inzet bij hun trainingselementen.
Bf Me 110 B-1 had een bewapening van vier 7,9 mm machinegeweren en twee 20 mm kanonnen
Bf Me 110 B-2 had geen kanonnen maar een camera, was voorzien als verkenner
Bf Me 110 B-3 had in plaats van de kanonnen een bijkomende radioset en werd als scholingstoestel ingezet
Eind 1938 was de DB 601 A-1 als motor voor de serieproduktie beschikbaar. De voorbije maanden waren echter geen verlies geweest. Het ontwikkelingsteam had zijn tijd goed benut met de verbetering van het nieuwe model en met het verhogen van zijn inzetwaarde. De diepe en vormeloze radiatorelementen onder elke motor waren vervangen door vlakke glycolradiatoren die naast de vleugelwortels waren gemonteerd. Kleinere olieradiatoren werden naar het onderste gedeelte van de motorgondels verplaatst en de vleugeltippen werden afgerond zodat de vleugelspanwijdte met 60 cm werd verminderd.
De eerste toestellen van de C1 serie werden in januari 1939 aan I(Z)./LG 1 in Greifswald overgedragen. De C1 bezat de niewe UDM drieblad verstelbare propeller als standaarduitrusting. ' Schwarzmänner' bij het naar buiten duwen van een C-1.
De inlaatopening voor de carburator werd verplaatst naar een opening in de boven- zijde van de vleugel buiten de motorgondel. De maximale snelheid bedroeg nu 605 km/u op een hoogte van 6.000 m, de reikwijdte bedroeg 1.259 km. Met bijkomende af- werpbare brandstof- tanks bedroeg die 1.577km. Tegen eind januari 1939 werden
vliegtuigen van de Bf Me 110 C-1 serie aan 1.(Z)/LG 1, een opleidings- en testeenheid in Greifswald uitgeleverd. Het aantal beschikbare machines kon verhoogd worden zodat in de lente en het begin van de zomer I./ZG 1 en I./ZG 76 hun operationele vliegtuigen in ontvangst konden nemen.
De verschillende versies waren:
Bf Me 110 C-2 jager bezat een FuG 10 in plaats van de vroegere FuG IIIa
Bf Me 110 C-3 jager met de verbeterde MG FF kanonnen
Bf Me 110 C-4 jager nieuw was de ingebouwde pantsering voor de bemanning
Bf Me 110 C-4/B Jabo een jachtbommenwerperversie die met een paar ETC 250 bommenrekken onder de vleugels was uitgerust waardoor twee 250 kg. bomen konden meegenomen worden. Deze versie werd aangedreven door twee DB 601 N motoren i.p.v. de DB 601 A-1
Bf Me 110 C-5 werd als verkenningstoestel ingezet. In plaats van de MG FF kanonnen was er een Rb 50/30 camera in de bodem van de cockpit ingebouwd.
Bf Me 110 C-5/N verkenningsversie, gelijkend op de C-5 maar met DB 601 N motoren
Bf Me 110 C-6 jage de beide 20 mm MG FF kanonnen waren door een enkele Rheinmetall Borsig 30 mm MK 108 vervangen
Bf Me 110 C-7 Jabo droeg een ETC 500 bommenrek onder de romp voor twee 500 kg bommen. DB 601 N motoren.
Aanvankelijk was het voorzien dat de Bf Me 110 zou getest worden in de Spaanse Burgeroorlog, maar deze was gedaan voordat de machine gevechtsklaar was. Daardoor vond de eerste inzet met de Zerstörer plaats in Polen.
Op 1 september begon Operatiopn Weiß, de Veldtocht tegen Polen. De Zerstörer-eenheden waren van in het begin bij de gevechtshandelingen betrokken. I.(Z)/LG 1 en I./ZG 1 waren bij de Luftflotte I (Kesselring) ingedeeld en langsheen de oostgrens van Polen ingezet. I./ZG 76 kwam met Luftflotte 4 (Lohr) in het zuiden langsheen de Pools-Tsjechoslowaakse grens tot inzet. De 2./ZG 76 bracht als eerste zijn toestellen over de Poolse grens. De voornaamste opdracht van de Bf Me 110 was het slaan van bressen in de verdedigingsgordel van de vijandelijke jachtvliegtuigen zodat de bommenwerpers ongehinderd hun opdrachten konden uitvoeren. Wolfgang Falck, Oberleutnant en Staffelkapitän van 2./ZG 76 herinnerde zich : "We hadden het bevel gekregen om 06.00 Hr te starten en de He 111's van KG 4 naar Krakau te begeleiden. Iemand stelde enthousiast voor om reeds eerder te vertrekken zodat we ons een uur vroeger dan de bommenwerpers in het gevechtsgebied zouden bevinden." Alle piloten volgden dat voorstel en liepen naar hun machines om niet te moeten achterblijven. "Spijtig genoeg konden we de bommenwerpers niet vinden voordat we boven Krakau waren. Gelukkig was er niets waartegen we de bommenwerpers zouden moeten beschermen. Afgezien van een paar verspreide Flakwolkjes was er zelfs geen luchtafweer te bespeuren. Nadat de bommenwerpers hun bommen hadden gedropt begeleiden we ze terug naar het front. Als we de frontlijn naderden kon ik brandende steden zien die vernietigd waren. Pas nu kwam ik tot besef dat de oorlog begonnen was. Nadat onze brandstofvoorraad ver opgebruikt was zetten we koers naar onze basis en lieten de bommenwerpers achter ons. Na het verlaten van de bommenwerpers keek ik naar beneden en zag een eenzame He 46 - een Legerverkenner - volledig alleen en zonder enige bescherming zijn opdracht uitvoeren. Ik ging naar beneden om hem te escorteren. Plotseling bemerkte de piloot mijn toestel en begon als een wildeman te draaien en keren en de schutter begon als een waanzinnige op mij te vuren. Snel draaide ik weg en besefte dat ik net mijn vuurdoop had gekregen van één van onze eigen toestellen. Enkele minuten later merkte ik een ander toestel op. Ik meende het te herkennen als een PZL 23 - een vijand waarmee ik in het gevecht kon gaan. Toen ik hoogte probeerde te winnen en in de zon draaide merkte ik een rode vlek op zijn vleugels. Nu was ik volledig zeker dat het een Pools vliegtuig was. Wij waren er niet van op de hoogte gebracht dat het wit-rode kenteken van de Polen met camouflage was beschilderd en enkel nog het rode gedeelte zichtbaar was. Zo zette ik mij achter zijn staart en opende het vuur. Gelukkig waren mijn schietkunsten niet beter dan die van de wilde schutter van de verkenner. Toen het toestel wegdraaide om te kunnen wegkomen zag ik dat ik een Stuka had aangevallen. Terzelfdertijd stelde ik vast dat wat ik voor een rood vlak van het nationalteitskenteken had aanzien, oorspronkelijk een rode E was geweest. Ik meldde het gebeuren na mijn landing en zo snel als het kon werden nadien alle gekleurde Staffelkentekens van onze vliegtuigen met zwarte verf overschilderd." Falck en de rest van I./ZG 76 kenden deze dag geen succes.
In de noordelijke frontsector vloog het met Bf Me 110 uitgeruste I.(Z)/LG 1 escortevluchten voor de He 111 P's van KG 27 tegen Warschau. Op het moment dat de bommenwerpers begonnen met hun bommen te droppen doken er 30 PZL 11 C's op van de Pawlikowski-Jachtbrigade om de bommenwerpers aan te vallen. Binnen de kortste keren waren er vijf Poolse jagers door de Zerstörer neergeschoten zonder dat deze zelf verliezen hadden geleden.
Op de tweede dag van de Veldtocht vond er een treffen plaats tussen I./ZG 76 en een aantal PZL 11's boven Lodz. Leutnant Lent en Oberleutnant Nagel konden er elke één neerschieten. De Poolse piloten slaagden erin om zelf drie Me Bf 110's af te schieten. Maar de georganiseerde weerstand van de Poolse Luchtmacht verdween als sneeuw in de zon daar de meeste van haar toestellen reeds aan de grond waren vernietigd. Daardoor kregen de zware jagers nu de gelegenheid om grondaanvallen en andere gelijkaardige opdrachten uit te voeren. Slechts af en toe kwam het tot een klein luchtgevecht met Poolse toestellen.
Tijdens de Poolse Veldtocht gingen er in totaal slechts twaalf toestellen verloren, maar de ervaringen die men tijdens de gevechten had opgedaan hadden duidelijk gemaakt dat er noodzakelijke verbeteringen aan de Bf Me 110 moesten worden uitgevoerd. Zo was de bewapening bijvoorbeeld enkel in beperkte mate te gebruiken tegen beweeglijke jagers.
Oberleutnant Wolfgang Falck kon tijdens de oorlog in Polen drie luchtoverwinningen boeken.
Na de Veldtocht tegen Polen werd de I./ZG 76 terug overgeplaatst naar de Rijn en vloog verkenningsvluchten langsheen de Duits-Franse grens. Op 17 december werd de Gruppe naar Javer verplaatst om het daar aanwezige 'Kommando Schumacher' te versterken - als reactie op de steeds groter wordende activiteit van de RAF boven de Helgoland Bocht. De volgende dag vertrokken 24 RAF Wellingtons van No. 9, 37 en No. 149 Sqdn voor een aanval in functie van hun bewapende verkenningen. Twee ervan moesten voortijdig terugkeren, de eerste door motorschade, de tweede volgde het eerste toestel door een misverstand. De 22 overblijvende RAF-bommenwerpers werden reeds zeer vroeg, toen ze zich nog ver over zee bevonden, door de verkenners opgemerkt.
'Kommando Schumacher' startte met 32 Bf Me 109's en 16 Bf Me 110's.
Falck en zijn piloten van 2./ZG 76 staan op het vliegveld van Jever voor de machine van de Staffelkapitän, kort nadat ze geland zijn na het luchtgevecht boven de Bocht van Helgoland. Van de 12 Wellingtons kon ZG 76 er negen neerhalen.
Deze laatsten brachten met hun 20 mm kanonnen zware schade toe onder de bommenwerpers. Sommigen van de Bf Me 110's openden reeds het vuur toen ze nog buiten het bereik van de 7,7 mm wapens van de Wellingtons waren. De overgebleven toestellen werden gedwongen om in een ordeloze vlucht terug te keren waarbij ze tot op 100 km voor de Engelse kust door de Duitsers werden achtervolgd. Slechts 10 van de Wellingtons konden naar Engeland terugkeren, twee ervan stortten neer bij de landing. Van de 12 neergehaalde toestellen kwamen er 9 op de score van I./ZG 76.
Staffelkapitän Falck en zijn Rottenflieger vlogen een verkennings- vlucht ten noordwesten van Borkum, niet ver van het eiland Texel. "We vlogen richting Nederland en toen we de vijand in de lucht herkenden begonnen we stijgen. De bommenwerpers waren nog tamelijk ver verwijderd. We konden de Flak-wolken boven Wilhelmshaven zien Dan draaiden de Tommy's af richting Engeland." Vanuit zijn hogere positie kon Falck een Wellington neerschieten en zijn Rottenflieger, Feldwebel Fresia, kon er twee in de diepte sturen voordat hij moest wegdraaien nadat hij getroffen was door een salvo van een boordschutter van een Wellington. Met beide motoren uitgevallen slaagde deze er nog in naar een vliegveld op het eiland Wangerooge te zweven. Fresia verklaarde later : "Dit was de enige keer in mijn leven dat ik als zweefvliegpiloot in actie was."
De Bf Me 110's hadden bewezen wat ze in het gevecht waard waren. In het begin van 1940 bedroeg de produktie meer dan 100 toestellen per maand. I. en II./ZG 26 hadden hun Me 109's ingeleverd voor de Bf Me 110. In februari volgde I./JG 144 die eveneens haar Me 109's inleverde en omgevormd werd in II./ZG 76. Het aantal Zerstörergruppen was daarmee tot vijf gestegen. Daarna volgden I. en II./ZG 2, III./ZG. 26 en I./ZG 52. Göring zijn plan was de hemel te vullen met zijn elitevliegtuig.
Op 8 april werd Hauptmann Falck, die ondertussen tot Gruppenkommandeur van I./ZG 1 was benoemd, naar Hamburg bevolen waar hij zich in het Hotel Esplanade moest melden. Hier was het hoofdkwartier van de 10. Fliegerdivision ondergebracht. Toen hij binnenkwam in een speciaal bewaakte ruimte bevonden er zich reeds een aantal andere Gruppenkommandeure. Daar werd hen verteld dat ze de volgende dag Denemarken en Noorwegen zouden binnenvallen.
De volgende dag werd Denemarken bij verrassing aangevallen waarbij zoveel mogelijk vliegvelden werden ingenomen en vliegtuigen buitengevecht gesteld.
Het technisch personeel van de Luftwaffe volgde onmiddellijk na de eerste golf infanteristen die het land binnendrongen. De vliegvelden werden voornamelijk veroverd en bezet door valschermtroepen. Een groot deel van aan de grond vernietigde vliegtuigen kwam op rekening van de Bf Me 110's. De Gruppe van Falck had zijn derde Staffel afgegeven voor de inzet in Noorwegen. Falck en zijn Staffel waren betrokken bij het uitschakelen van de gevechtsvliegtuigen op het vliegveld bij Kopenhagen.
In Noorwegen daarentegen, was de situatie heel anders en verliep de bezetting niet zo snel en relatief eenvoudig als in Denemarken.
De infanterie landde op vijf verschillende plaatsen langs de Noorse kust. Na X+175 hadden de Bf Me 110's van I./ZG 76 de opdracht om boven de vliegvelden van Oslo-Fornebu en Stavanger-Sola te verschijnen en daar de hemel van vijandelijke luchtstrijdkrachten vrij te houden. Daarbij moesten ze een scherm vormen boven de grondoperaties van de paratroepen die 10 minuten later zouden landen. 20 minuten nadat de para's geland waren en hopelijk het vliegveld veroverd hadden zouden de eerste Ju 52's landen met nog meer gevechtstroepen aan boord. Deze moesten dan beginnen met het verder veroveren van gebied rond het vliegveld, het vliegveld zelf beveiligen en eventuele weerstand opruimen. Dit was een eenvoudig plan, maar een plan waar geen minuut mocht bij verloren gaan want de Bf Me 110's zouden maar brandstof hebben voor twintig minuten beveiliging boven de vliegvelden.
Oblt. Hansen die acht Bf Me 110's van I./ZG 76 aanvoerde was stipt op tijd boven Fornebu en werd meteen door negen Gloster Gadiators die uit de zon kwamen aangevallen. In een wild luchtgevecht werden twee Zerstörer en drie Gladiators neergeschoten voordat de aanvallers konden verdreven worden. Dit luchtgevecht was ook de oorzaak dat Hansen maar over drie volwaardige machines beschikte, de andere drie vlogen nog slechts op één motor. Bovendien hadden ze reeds een groot deel van hun brandstof verbruikt die ze nodig hadden voor de beveiliging. Terwijl ze boven het vliegveld cirkelden zag Hansen nergens een spoor van de parachutisten.
De rugschutter van een Bf 110 achter zijn wapen. Machine van 1./ZG 76 in Noorwegen.
Wat hij niet wist was dat de 29 Ju 52's van II./KGrzbV 4, die de parachutisten aan boord hadden, in zeer slecht weer waren terechtgekomen en onderweg waren moeten omkeren. Om 08.45 Hr had Hansen zijn drie overgebleven intakte machines de opdracht gegeven de stellingen van de grondverdediging rondom het vliegveld met hun boordwapens aan te vallen, gaten en bressen te slaan en zich op de aankomst van de para's voor te bereiden - die echter niet kwamen. Om 09.05 Hr toen de laatste druppel brandstof was opgebruikt zag Hansen Ju 52's op enige afstand naderen. Hij nam aan dat dit de toestellen waren die vertraging hadden opgelopen, het waren de toestellen die de nakomende gevechtstroepen moesten aanvoeren. De toestellen van ZG 76 begonnen een nieuwe aanval en concentreerden het vuur van hun boordwapens nu op de luchtafweer-stellingen rond het vliegveld. Deze zouden met hun vuur zeker een waren slachting hebben kunnen toebrengen onder de parachutisten.
De infanteristen, die in hun 'Eiseren Annies' op hun inzet wachtten en niet het flauwste benul hadden over het feit dat de parachutisten het vliegveld nog niet hadden bezet, gingen met hun transportvliegtuigen onmiddellijk in landingsvlucht over. Hansen zag met verwondering dat de eerste machine, in plaats van de parachutisten te droppen, begon te landen.
De Bf 110 van Lt Lent kwam nadat zijn landingsgestel was afge- broken in een omheining van een huis aan de rand van het vliegveld van Oslo-Fornebu terecht. Een Ju 52 scheert juist boven de dennentoppen voor de landing.
Onder het hevig vuur van de luchtafweer trok de machine terug op. Hansen bemerkte dat hij niet langer mocht wachten en besloot te handelen voor het geval dat de para's niet in staat waren om het vliegveld in handen te krijgen. Hij zou met zijn toestellen deze opdracht overnemen. Hij gaf zijn bemanningen het bevel om te landen en om onmiddellijk na de landing de afweerposities met de boordwapens te bestoken om zo dekking te geven aan de transportmachines. Lt. Lent die nog slechts op één motor vloog dook op de landingsbaan en vuurde zijn machinegeweren af op alles wat zich aan de grond bewoog. Bijna ramde hij een Ju 52 die op een tweede landingsbaan trachtte te landen. Lent's machine schoot doorheen een omheining, zijn landingsgestel brak af en hij schoof verder in de sneeuw. De rest van de toestellen van ZG 76 doken neer op de landingsbaan, landden en rolden naar de noordwest-hoek van het vliegplein waar ze in lijn opstelden om met hun achterste machinegeweren de Noorse stellingen te bestoken. Binnen enkele minuten was ook Lent en zijn waarnemer Kubisch ter plaatse en hadden de achterste machinegeweer met munitie meegebracht en gingen in stelling. Gelukkig kwam het niet tot een gevecht - de Noorse troepen hadden zich teruggetrokken op het moment dat Lent landde. Zo slaagde 1./ZG 76 erin om het vliegveld in handen te krijgen. Om 09.17 Hr begonnen de Ju 52's van II./KGzbV 1 op het vliegveld te landen. Onmiddellijk werd het vliegplein door uitzwermende luchtlandingstroepen overspoeld. Enkele minuten later kwamen ook de toestellen met het technische personeel toe, die begonnen direkt met het repareren van de beschadigde vliegtuigen.
In tussentijd had zich aan de zuidwestkust bij Stavanger-Sola juist het tegenovergestelde afgespeeld. De parachutisten van de 3. Kompanie/Fallschirmregiment 1 werden op de voorziene tijd gedropt, ondanks het feit dat ook zij onderweg in slecht weer waren terechtgekomen. De luchtondersteuning echter, de Bf Me 110's van 3./ZG 76 onder bevel van Oblt Gollob, waren eveneens in zo slecht weer terechtgekomen zodat ook zij , met uitzondering van twee toestellen, moest omkeren. Ondanks het sterk afweervuur op het vliegveld en zonder enige dekking uit de lucht waren de parachutisten boven Sola gesprongen. Toen de para's zich op de grond begonnen te verzamelen en sterk onder vuur werden genomen, veegden twee Bf Me 110's van 3./ZG 76 over het vliegveld terwijl ze de vijandelijke troepen met hun boordwapens bestookten. Daardoor kregen de para's op de grond tijd en ruimte om hun aanval te organiseren. Na een half uur zware gevechten was ook dit vliegveld veroverd. De naderende Ju 52's die verdere versterkingen aanvoerden konden veilig landen.
De jagertegenstand die de Bf Me 110 boven Noorwegen ontmoetten was miniem, met uitzondering van een paar schermutselingen met Gloster Gladiators van No. 263 Sqdn boven Bodo. Het was ook duidelijk geworden dat de actieradius van de Zerstörer moest vergroot worden om over het uitgestrekte land zijn opdrachten naar behoren te kunnen uitvoeren. Daarvoor werd er een bijkomende brandstoftank ontwikkeld die onder de romp kon opgehangen worden. De ombouw was nog niet volledig klaar toen de toestellen in het Westen werden ingezet.
In Berlijn had men gehoopt dat de verovering van Noorwegen evenals in Denemarken van een leien dakje zou lopen. Men had zich echter vergist, de hevige gevechten aan de grond en in de lucht werden zonder ophouden voortgezet.
Technische vooruitgang en de onophoudelijke inzet maakten het noodzakelijk dat er voortdurend veranderingen en verbeteringen aan de Bf Me 110 werden aangebracht , waaronder ook de afwerpbare brandstoftanks, zodat het toestel nog sterker en beter geschikt was voor de veelzijdige opdrachten die het werden toevertrouwd.
Deze Bf 110 C1 van 2./ZG 76 staat op de avond van 31 augustus 1939 getankt en bewapend onder de bomen verstopt. De rode 'D' op de romp is wit omrand.
De uitvoering C-2 was reeds in de Veldtocht tegen Noorwegen ingezet geworden, het enige verschil met de C-1 was zijn verbeterde FuG 10. Nog voor de inval in de Lage Landen begon men aan de produktie van de C-3 die met een verbeterde MG FF van de band kwam. Deze versie werd echter spoedig vervangen door de C-4. Dit was de eerste variant die over een gepantserde cockpit beschikte die de bemanning moest beschermen. Deze variant ging in produktie toen het offensief in het Westen begon. Het toestel kon echter pas bij het begin van de Slag om Engeland in grotere aantallen aan het front worden ingezet.
Bij zonsopgang op 10 mei 1940 was de "Sitzkrieg" voorbij en de Wehrmacht begon aan zijn massief offensief in het westen tegen de Lage Landen en Frankrijk. ZG 1 en ZG 26 maakten deel uit van Luftflotte 2 (Kesselring) die voor luchtsteun moest zorgen voor de Heeresgruppe B die België en Nederland binnenviel. ZG 76 was afgedeeld bij Luftflotte 3 (Sperrle) die de opdracht had Heeresgruppe A te ondersteunen die de opdracht had om door Luxemburg, Zuid-België en Frankrijk aan te vallen. I./ZG 76 werd in afwachting van de aanval op Nederland naar Kirchheim overgeplaatst.
Na vijf dagen kapituleerden de Nederlandse troepen en I./ZG 76 werd naar het zuiden verplaatst om deel te nemen aan de gevechten in Frankrijk. Hier had II./ZG 76 escortevluchten uitgevoerd en was ingezet voor het ondersteunen van de Heeresgruppe A tijdens de opmars door België en Luxemburg.
Toestellen van III./ZG 26 'Horst Wessel' starten in de heldere morgen van 10 mei 1940 tegen doelen in Holland en België.
De veldvliegvelden waren tijdens deze eerste dagen zo overbezet dat II./ZG 76 moest opstijgen vanaf het vliegveld Köln-Bonn, van daar naar Elsenborn vloog om bij te tanken en dan pas aan de gevechten kon gaan deelnemen. Gewoonlijk kwamen de toestellen pas om 09.00 Hr 's morgens in hun doelgebied aan.
Op 12 mei vloog Lt. Hans-Joachim Jabs van 6./ZG 76 een opdracht bij de 4. Panzerdivision toen hij zijn eerste overwinning boekte tegen een Curtiss Hawk. 's Anderendaags haalt hij een Morane neer en op 15 mei kan hij nog eens twee Moranes in de diepte sturen.
Nadat de Franse Luchtmacht verslagen was werd de Duitse Luchtmacht in zijn geheel ingezet voor het bestoken van gronddoelen om zo de oprukkende legereenheden te ondersteunen. Nevenbij worden ook nog alle inspanningen geleverd om de overblijvende Franse en Engelse vliegtuigen te vernietigen door het uitvoeren van voortdurende aanvallen op hun grondinstallaties. Op 20 mei slagen de Duitsers erin om een bruggehoofd te vormen over de Somme, naar het noorden uit te zwaaien en Boulogne te nemen. Op 29 mei werd Calais ingesloten. Het Britse Expeditiekorps was ingesloten. Vanaf 26 mei begonnen de Britse troepen zich naar Duinkerken terug te trekken waar de Duitse pantsertroepen de ring sloten. Om de pantsertroepen voor latere operaties vrij te houden gaf Hitler het bevel aan de pantsertroepen om de opmars te stoppen. De Luftwaffe kreeg in hun plaats van Göring de opdracht hun aanvallen op de ingesloten troepen op te voeren. Hij geloofde dat de Britse strijdkrachten bij Duinkerken vanuit de lucht konden vernietigd worden of toch tenminste verhinderd zouden worden naar Engeland te ontsnappen.
Op 29 mei was Oberleutnant Jabs met zijn Staffel boven Duinkerken. : "De ganse stad brandde en de Heinkels en Stuka's bleven voortdurend bombardementen uitvoeren. Ik was juist met twee andere toestellen door een wolk van brandende olie gevlogen als we plotseling enkele Spitfires op ons zagen toekomen. Bijna in een reflex drukte ik op mijn vuurknoppen en kon twee Spitfires neerhalen. Eén van de piloten kon met zijn valscherm uitstijgen. Ik kon niet meer waarnemen als de tweede piloot ook was gesprongen voordat zijn toestel op de grond explodeerde. Dit waren mijn vijfde en zesde overwinning."
"Het was boven Duinkerken als wij, de piloten van de Zerstörer, moesten vaststellen dat de Bf 110 toch niet het toestel was voor wat we hadden aanzien. Tot aan de luchtgevechten boven Duinkerken waren de Zerstörer de Elite geweest. Toen we echter met de Spitfires in contact kwamen moesten we zware verliezen slikken. We waren te traag en niet wendbaar genoeg. Telkens wanneer we met Spitfires in luchtgevechten verwikkeld raakten konden deze zich achter ons zetten en ons opjagen. Bij elke aanval slaagden ze daar telkens opnieuw in. Ze konden ons met hun acht machinegeweren bestoken, over ons heen wegrollen en opnieuw aanvallen. Het waren net wespen. En onze cockpits waren niet gepantserd. Bij de gevechten boven de Franse kust verloor onze Gruppe zes toestellen. De meeste daarvan kwamen op rekening van de Spitfires."
De luchtgevechten boven Duinkerken verstoorden in grote mate het vertrouwen dat de Zerstörer-piloten in hun machines hadden gesteld.
II./ZG 76 boven Duinkerken. Voor de eerste maal maakte de Bf 110 contact met grotere aantallen moderne éénmotorige jachtvliegtuigen toen de RAF haar nieuwste jagers inzette om de evacuering van de Britse troepen te beschermen.
Voor de eerste maal moesten ze tegen de grote aantallen Spitfires en Hurricanes in het gevecht treden die door de RAF, om een optimaal succes te bereiken, in de lucht waren gestuurd. Hun doel was het veroveren van de luchtoverwicht in het gebied boven Duinkerken en zo de evacuatie van de Engelse troepen veilig te stellen. Tegen 4 juni hadden de Britten reeds 338.226 soldaten geëvacueerd, daaronder ook 120.000 man van het Franse Leger.
Nadat de Britten uit Duinkerken waren geëvacueerd kon de Luftwaffe haar volle aandacht richten op de Franse Luchtmacht, om deze volledig te vernietigen en op het vliegen van ondersteuningsopdrachten voor de grondtroepen. Op 10 juni verklaarde Italië Frankrijk de oorlog en op 12 juni werd Parijs tot open stad verklaard. Tien dagen later, op 22 juni, aanvaardde Maarschalk Petain de Duitse capitulatievoorwaarden.
Nog voor het einde van de luchtgevechten in Frankrijk trad de Luftwaffe opnieuw tegen de Britten in het strijdperk, deze keer boven het Kanaal, voor het uitvoeren van aanvallen tegen het scheepvaartverkeer.
Om het scheepvaartverkeer te beschermen wierp de RAF zijn Spitfires en Hurricanes in de strijd. Die slaagden er terug in om de Duitse bommenwerpers en hun escortejagers zware verliezen toe te brengen. Oblt Wolfgang Flack, Gruppenkommandeur van I./ZG 76, maakte tijdens één van deze escorte-opdrachten zijn zwaarste gevecht mee. Tijdens een escortevlucht voor een groep bommenwerpers die de Engelse kust gingen bestoken werden ze uit de hoogte aangevallen door Spitfires. Daar hij de opdracht had gekregen om bij de bommenwerpers te blijven konden ze weinig tegen de overvallers uitvoeren Bovendien waren de Bf Me 110's toch te traag en niet wendbaar genoeg om een luchtgevecht met de Spitfires aan te gaan. Als enige van zijn eenheid slaagde Falck erin om de Franse kust te bereiken door op waterspiegelhoogte een zigzag koers aan te houden. Daarbij werd hij de ganse vlucht nagevlogen door een Spitfire die als het ware aan zijn staart bleef plakken. Zijn munitievoorraad was opgebruikt en enkel zijn operator beschikte nog over munitie. Deze kon slechts af en toe een korte vuurbui afgeven daar hij door de zigzag koers heen en weer werd geslingerd. Toen hij uiteindelijk op zijn basis te St.Truiden kon landen had zijn toestel meer dan veertig treffers geïncasseerd en waren zijn benzineleidingen gedeeltelijk doorboord. De brandstof liep uit de inslagen in de vleugels. Hij had de ganse weg terug moeten vliegen met beide handen aan de stuurknuppel om het toestel in de lucht te kunnen houden.
Eind juni werd Falck met zijn 2. en 3./ZG 76 naar Düsseldorf overgeplaatst om daar met de omscholing als nachtjagers te beginnen. Na het overplaatsen kregen de beide Staffeln tezamen de benaming I./NJG 1. De 1. Staffel bleef operationeel en werd later de kern van het nieuw op te richten II./SG 210.
De luchtgevechten boven Noorwegen en vooral de ervaringen die I./ZG 76 daar had opgedaan waren de aanleiding om het vliegbereik van de Bf Me 110 te vergroten. Vooral door de opdracht om als escorte voor bommenwerpers boven de Noordzee tegen Britse jagers te worden ingezet gaf de ontwikkeling voor een lange-afstandsversie de hoogste prioriteit. Een 1.200 l buiktank werd aan de vliegtuig onder de romp bevestigd. De buitenste bekleding van deze tank was vervaardigd uit triplex en met spanbanden voorzien zodat de tank afgeworpen kon worden van zodra hij leeg was of wanneer de machine in een luchtgevecht werd verwikkeld. Deze versie werd vooreerst bij de toestellen van 2. en 3./ZG 76 aangebracht zodat ze bij de bewakingsvluchten boven de Noordzee konden ingezet worden. Spoedig stelde men vast dat de beide Staffeln vliegtuigongevallen moesten melden zonder dat daar een verklaring kon voor gevonden worden. Pas veel later ontdekte men dat er zich in de bijkomende brandstoftank, alhoewel de brandstof reeds was opgebruikt, hoogexplosieve gassen opstapelden die de neiging vertoonden om te exploderen.
De D-serie bestond uit:
Bf Me 110 D-0 proto. Onder de romp van de Bf Me 110 C-3 modellen werden bij verschillende toestellen 1.200 l buiktanks gemonteerd om testen uit te voeren
Bf Me 110 D-1/R-1 lange-afstandsversie die tezamen met het C-model van de band kwam. De buiktank werd gedurende de laatste produktiefase onder de romp gemonteerd.
Bf Me 110 D-1/R-2 lange-afstandsversie die men , toen men vaststelde dat de onverklaarbare ongevallen die zich voordeden met de Bf Me 110 D-1/R-1 toe te schrijven waren aan de 1.200 l buiktanks, met twee afwerpbare 900 l brandstoftanks die onder de vleugels werden opgehangen, uitrustte.
Bf Me 110 D-2 lange-afstandsversie met twee 300 l afwerpbare brandstoftanks onder de vleugels en een ETC 500 bommenrek uitgerust . Kon twee 500 kg bommen meevoeren.
Bf Me 110 D-3 lange-afstandsversie die ofwel twee afwerpbare 300 l brandstoftanks of twee 900 l brandstoftanks onder de vleugels kon meenemen. Het staartstuk werd langer gemaakt om plaats te bieden aan een dinghy. Het bommenrek ETC 500 behoorde tot de standaarduitrusting.
De uitschakeling van de RAF moest systematisch gebeuren door het uitroeien van alle jagers en het vernietigen van hun vliegvelden die zich ten zuiden van de lijn Londen - Gloucester bevonden. De Duitsers planden een vlot doordringen tot in het noorden van Engeland door het luchtruim van Britse jagers te zuiveren. Om deze opdracht te kunnen uitvoeren verzamelde de Luftwaffe 2.600 vliegtuigen langsheen de Belgische, Franse, Nederlandse en Noorse kusten. Onder de langsheen het Kanaal en in Denemarken en Noorwegen verzamelde vliegtuigen bevonden zich 289 Bf Me 110 C en D's die tot de volgende eenheden behoorden :
E.Gr 210 Bf Me 110 C-4/B en Me 109 jabo's
I./ZG 1 Bf Me 110 C-1 en Bf Me 110 C-4/B
I.,II./ZG 2 Bf Me 110 C
I./II./ZG 76 Bf Me 110 C-4 en D-1
I.,II.,III./ZG 26 Horst Wessel Bf Me 110
V(Z)./LG 1 Bf Me 110 C-4 en D-1
Nadat men vastgesteld had dat het grootste deel van het gebied ten zuiden van Gloucester-Londen buiten het bereik van de Me 109 lag, zouden de Bf Me 110 vooral ingezet worden als begeleiders voor de bommenwerperformaties om deze te beschermen tegen vijandelijke jagers.
Oberleutnant Schalck, Kommodore van ZG 26, had tot november 1940 het bevel over III./ZG 26 om dan het bevel over het Geschwader zelf te krijgen. Na uit de Luchtslag om Engeland te zijn teruggetrokken leidde hij de eenheid op de Balkan en nadien naar Rusland.
Het aanvalsplan voorzag dat de Zerstörern als eerste zouden worden ingezet, wegens hun reikwijdte. Men wilde daarmee bereiken dat de Britse jagers zouden starten en in luchtgevechten zouden betrokken worden totdat hun brandstoftanks leeg waren. Nadat ze geland waren om bij te tanken en opnieuw munitie aan boord te nemen moesten de Duitse bommenwerperformaties met de Bf Me 110's als escorte boven de Britse vliegvelden verschijnen, die nu vol vliegtuigen zouden staan, en deze aanvallen en bombarderen. Op die manier moest volgens het aanvalsplan de RAF reeds tijdens deze eerste hoofdaanval vernietigd worden.
Een groot nadeel en tevens een dodelijk nadeel in dit plan was het feit dat de Zerstörer Bf Me 110 bijna niet in staat was om zichzelf tegen de Hurricanes en Spitfires te verdedigen. Wanneer deze manier van verrassingsaanval zou worden gebruikt moesten de Zerstörer als eerste tot actie overgaan en diegene die daarbij niet werden neergehaald of niet zwaar getroffen werden moesten dan naar de kust terugvliegen. De tweede golf van de bommenwerpers, eveneens met Bf Me 110's als escorte, moesten dan de doelen aanvallen.
Bij de dagaanval van 12 augustus, een maandag, was het mooi en helder weer. Speciale schijnaanvallen en testvluchten hadden bewezen dat het Britse Fighter Command door een goed werkend radarsysteem geleid werd. Daarom kreeg de Lehr- und Versuchs-Jabo-Einheit E.Gr 210 de opdracht om alle bekend geworden radarstellingen tussen Portland en de monding van de Thames aan te vallen en te vernietigen. De Gruppenkommandeur, Hauptmann Walter Rubensdörfer, leidde zelf zijn Staffeln naar de Engelse kust. De toestellen waren beladen met 250 kg bommen onder de vleugels. De 1. en 2./E.Gr 210 vlogen op Me Bf 110 C-4/B's en de derde Staffel was uitgerust met de Bf Me 109 E-4/B's. Bij het naderen van de Engelse kust verspreidden de toestellen zich om de hun aangewezen doelen aan te vallen. Alhoewel alle aanvallen uitstekend geslaagd waren konden alle radarstations, met uitzondering van één station, binnen enkele uren terug opnieuw in gebruik worden genomen. Nadat E.Gr 210 was terug gekeerd en het succes had gemeld startte een strijdmacht van 100 Ju 88's van KG 51. Ze kregen een escorte mee van 120 Bf Me 110's die waren geleverd door ZG 2 en ZG 76 en bovendien nog eens 25 Bf Me 109 E's van JG 53. Daar de Duitse vliegtuigen pas heel dicht bij hun doelen door de radarstations opgevangen werden slaagden ze erin Portsmouth en Ventnor en het eiland Wright zwaar te bombarderen. Bij deze aanval werden 10 Ju 88 het slachtoffer van Britse jagers.
Kort na het bombardement van KG 51 scheerde E.Gr 210 over het vliegveld van Manston, bestookte het eerst met de boorwapens en dropte nadien zijn bommen. Deze aanval duurde amper een paar minuten. De aanvallers draaiden van het vliegveld weg in de overtuiging dat ze brandende en vernietigde Britse vliegtuigen achterlieten. In werkelijkheid waren de Spitfires van No. 65 Sqdn slechts licht beschadigd. Een Bf Me 110 werd door een Spitfire van No. 54 neergehaald. In totaal gingen er die dag 5 Bf Me 110's verloren.
Op deze dag vielen de Bf Me 110 C-4/B's van E.Gr. 210 opnieuw het vliegveld van Manston aan en verloren twee toestellen door luchtafweer. Na het fiasko van 'Adlertag' en een relatief rustige dag op 14 augustus werden de Zerstörer op 15 augustus in hevige gevechten verwikkeld. In het noorden startte Luftflotte 5 voor een breed uitgelegde aanval vanuit Noorwegen en Denemarken. Vierentwintig met de 1.200 l afwerpbare brandstoftank uitgeruste Bf Me 110 D-1/R-1's van I./ZG 76 vertrokken vanuit Aalborg en 70 He 111 van I. en II./KG 26 stegen op vanaf Stavanger om zich boven de Noordzee samen te voegen. In de hoop dat de zware luchtaanvallen op het zuiden van Engeland alle beschikbare jagers van de RAF zouden bezig houden moesten de vliegvelden van Dishforth en Linton-on-Ouse worden aangevallen. De Duitse Geheime Dienst was er niet van op de hoogte dat er een groot aantal jachtvliegtuigen in het noorden voor een dergelijke aanval in reserve werden gehouden.
III./ZG 26 was met zijn zware jagers de eerste eenheid die op 9 juli 1940, met een escorte van Me 109 en Me 110's voor He 111's en Ju 88's, contact maakte met Britse jagers boven Engeland tijdens een aanval van de Duitse bommenwerpers op een scheepskonvooi in de Thames. De Britse Hurricanes konden een Bf 110 neerhalen. De hier gefotografeerde standaardjager was met DB 601 N motoren uitgerust, herkenbaar aan de witte 'N' op de motorgondels.
Om 13.45 Hr, toen de bommenwerpers nog ongeveer 50 km van de kust verwijderd waren, vielen door radargeleide Spitfires van No. 72 Sqdn vanuit de zon aan. Het eerste toestel dat werd aangevallen en getroffen was de machine van de Gruppenkommandeur van ZG 76, Hauptmann Restemeyer. Zijn machine explodeerde toen de niet afgeworpen brandstoftank onder de romp werd getroffen. Sekonden later werd ook de machine van de 2 Comd getroffen. Deze verdween net als de eerste in de diepte. Er ontstond een wild tumult van luchtgevechten toen de lange-afstand jagers probeerden om de bommenwerpers te verdedigen en zich tegen de Britse jachtvliegtuigen in het gevecht stortten, zonder resultaat. Enkele minuten later stortten zich ook de Hurricanes van No. 605 Sqdn in het gevecht. Nadat ze bijna een derde van haar vliegtuigen verloren had moest I./ZG de gevechten staken. Ze keerden terug naar Denemarken.
Nadat Luftflotte 5 een zo zware aderlating had moeten ondergaan kreeg ze nooit meer zo een grote formatie aan vliegtuigen bijeen. In september werd I./ZG 76 uit de luchtgevechten teruggetrokken en hield zich als speciale eenheid voor de nachtjacht ter beschikking.
Ondertussen vielen in het zuiden 16 Bf Me 110 en Bf Me 109 van E.Gr. 210 Martlesham in een grondaanval aan en zetten dit vliegveld voor bijna twee dagen buiten gevecht. Rond 17.30 Hr werden 40 Bf Me 110's van ZG 2, die de opdracht hadden om 60 Ju 88 van LG 1 te begeleiden, door vier flights Britse jagers aangevallen. Nadat ze een Bf Me 110 hadden neergehaald konden ze zich een weg banen naar de bommenwerpers en schoten er acht van neer.
Om 18.20 Hr leidde Rubensdörfer E.Gr 210 terug in de aanval, deze keer tegen het vliegveld van Kenley. Nadat met de Bf Me 109 escortejagers niet kon vinden liep de aanval op deze basis volledig mis daar de eenheid door een navigatiefout de RAF-basis Croydon aanviel. Niettemin was ook hier de aanval een succes; men kon een aantal inrichtingen en een werf waarin Hurricanes werden gerepareerd vernielen. Voordat de machines van E.Gr. 210 hun aanval beëindigd hadden werden ze op hun beurt door Hurricanes aangevallen. Nadat men aanvankelijk een verdedigingsring had gevormd verdwenen de Bf Me 110's plotseling in de wolken. Bij het afdraaien werd de Stabsschwarm (stafflight) aangevallen en Rubensdörfers machine ging met een zwarte rookpluim achter zich naar de grond. Naast haar commandant verloor E.Gr.210 nog zes Bf Me 110's en een Bf Me 109. Bij andere gevechten boven de Engelse kust verloor II./ZG 76 'Haifischgruppe' acht Bf Me 110's en III./ZG 76 drie 110's.
Ondanks het goede weer werden er op 17 augustus zo goed als geen aanvallen gevlogen. Op 18 augustus werden de toestellen echter terug in de strijd geworpen. Deze keer was het ZG 26 die het meest bloed vergoot. Deze eenheid verloor op éeacute;n dag veertien toestellen.
Van nu af was alles onoverzichtelijk, nu de Bf Me 110 niet in staat bleek zichzelf te verdedigen moest men er zeker niet op rekenen dat hij de Britse jagers met succes kon aanvallen. Bij een nabriefing op 19 augustus wilde Göring van geen kritiek op zijn Bf Me 110's weten. In tegendeel. Hij klaagde het gebrek aan leiderskwaliteiten van de Staffelkapitäne en gemis aan moed van de piloten aan. Daarna gaf hij het bevel dat de Bf Me 109's zouden worden ingezet om jagersbescherming voor de Zerstörer te leveren. Ondanks dit bevel namen de Bf Me 110's vanaf 25 augustus terug aan de luchtgevechten deel en vlogen met I. en II./ZG 2 en V(Z)/LG 1 jachtbescherming voor II./KG 51 en II./KG 54 bij een grote luchtaanval op Portland, Weymouth en Warmwell. Ondanks de aanwezigheid van 109's van het 'Pik-As' Geschwader verloor ZG 2 zes en V(Z)./LG 1 twee toestellen. Op 26 augustus werden er maar twee toestellen neergehaald alhoewel er meer dan 100 boven Engeland werden ingezet. Op 28 augustus werden er 60 Bf Me 110's boven Engeland ingezet, ook deze keer waren er geen verliezen te betreuren. De jagersbescherming door de Bf Me 109's loonde zich. In de namiddag van 29 augustus begeleidden 500 Bf Me 109's en 150 Bf Me 110's een klein aantal bommenwerpers in een poging om de jagers van het Fighter Command tot een gevecht te verleiden. De aanval kende niet het gewenste succes. In totaal verloren de ZG in augustus 120 Bf Me110's.
Op maandag 2 september verloor de Luftwaffe negen van haar Zerstörer, vier van ZG 2, drie van ZG 26 en twee van ZG 76. Op 3 september vlogen 89 Bf Me 110's van ZG 2 en ZG 26 bescherming voor 45 Dorniers van KG 2 die het Britse RAF-steunpunt in North Weald moesten aanvallen. Alhoewel ze zeer laat reageerden alarmeerden de Britse jager-leidofficieren No. 1, 17, 19, 46, 249, 257, 310 en delen van No. 603 Sqdn en gaven het bevel om de Duitse luchtstrijdmacht aan te vallen als deze van hun doelen wegvlogen.
2 september 1940, 5./ZG 26 vloog grondaanvallen over Tonbridge, Kent. Deze 3U + GN, met Oberfeldwebel Rochel als piloot en Unteroffizier Schözler als rugschutter, werd op die dag door Britse jagers neergeschoten en de bemanning is sindsdien vermist.
Taai en verbeten vechtend slaagden de 110's erin hun bommenwerpers te verdedigen. De Britten konden slechts één Do 17 Z neerhalen. Maar ZG 2 verloor vijf en ZG 76 vier toestellen. De volgende dag vlogen de Bf Me 110's een aanzienlijk aantal aanvallen tegen gronddoelen met een Staffel C-4/10 jabos die door hun eigen tweemotorige jagers werden beschermd. Zestien Bf Me 110's – met inbegrip van een toestel van E.Gr. 210 waardoor deze eenheid haar tweede Gruppenkommandeur, Hauptmann von Boltenstern, verloor – werden door Hurricanes van No. 601 Sqdn neergehaald. Op 5 september gingen er geen toestellen verloren, 5 september betekende terug het verlies van vier Bf Me 110's.
Op 7 september nam Göring persoonlijk het bevel over en gaf het bevel voor een grote aanval op Londen met 348 bommenwerpers en een escorte van meer dan 600 jagers. De enige deelnemer met 110's aan deze aanval was ZG 2. In een enorme golf, uitgestrekt over meerdere vierkante kilometer, vloog deze strijdmacht langsheen de Thames naar Londen. Als de luchtarmada Londen naderde stortten zich 21 Sqdns van het Fighter Command in het gevecht. Om 17.45 Hr richtte de eerste bommenwerpers hun koers terug naar huis. Om 20.10 Hr begon de tweede bommenwerpersformatie aan haar aanval. De Slag om Engeland had zich van de aanvallen op de RAF-vliegvelden verplaatst naar aanvallen op Londen. De Slag om Engeland was verloren, nu begon de Slag om Londen.
Voor een aanval in die grootte waren de verliezen aan Zerstörer uiterst gering. Bij ZG 2 had men maar zeven Bf Me 110's verloren. De tweede dag van de aanval op Londen ging voorbij zonder dat er een Zerstörer werd neergehaald. Nachtaanvallen, die voor enige tijd begonnen waren, werden nu belangrijker. Ze wonnen tegenover de dagaanvallen aan betekenis. Op 9 september werden er vier Bf Me 110's van ZG 76 in verspreide aanvallen neergeschoten. Op 10 september waren er geen verliezen te beklagen. In het Westen werden de dagaanvallen terug begonnen. Ze kostten de Zerstörer negen toestellen. Tijdens de 12de, 13de en 14de september werden er overdag weinig aanvallen gevlogen en er waren geen verliezen te melden van 110's.
Hier eindigde ook de 'Zerstörerdroom'. Het toestel was door zijn lage snelheid en geringe wendbaarheid een te gemakkelijke prooi gebleken voor de RAF-jagers. Met zijn lange vleugels en groot staartoppervlak presenteerde hij een gemakkelijk doelwit. Zijn achterwaartse bewapening was ontoereikend als verdediging en de geweldige neusbatterij was nutteloos bij jagersaanvallen die meestal langs achter gebeurden. Van 'zware jager' was hij zelf 'gejaagde' geworden. De toestellen die voorzien waren om bressen te slaan in de Britse jagersverdediging en zo de bommenwerpers vrij spel te geven moesten zelf afweercirkels vliegen en wachtten totdat ze door Bf Me 109's ontzet werden.
Jaloers op de militaire successen van Hitler, besloot Mussolini in oktober zijn eigen oorlog op het Europese oorlogstoneel te starten en overhandigde een ultimatum aan Griekenland. Toen dit werd teruggewezen begonnen de Italianen op 28 oktober 1940 door Albanië hun inval in Griekenland. Na enkele aanvangssuccessen werden de Italiaanse aanvallen bloedig teruggeslagen en op 22 november begon het Griekse Leger de Italianen terug te drijven. Na een harde winter die gekenmerkt werd door harde gevechten was bijna de helft van Albanië overgegaan in Griekse handen.
Bf 110's van ZG 26 boven de Balkan. Daar er zo weinig tegenstanders aan te treffen waren gingen er meer toestellen verloren door ongevallen dan door vijandelijke acties.
Hitler, die vreesde dat de Britten zich in dit oorlogsgebied zouden gaan inmengen, besloot zijn zuidelijke bondgenoot ter hulp te snellen en Griekenland over Joegoslavië en Bulgarije aan te vallen, nadat hij van die landen vrije doortocht had gekregen. Een opstand inJoegoslavië verijdelde deze plannen. Daarop besloot men ook Joegoslavië te onderwerpen.
Op 6 april 1941 begon de Duitse Wehrmacht zijn aanval met 33 divisies, ondersteund van sterke luchtstrijdkrachten. De Zerstörergruppen I. en II./ZG 26 en II./ZG 76 werden, nadat er maar weinig vijandelijke jagers vielen te bespeuren, de helden van de lucht. Door de geringe jagertegenstand waren ze in staat zeer effeciët in de gevechten op de grond in te grijpen. Na amper 11 dagen kapituleerde de Joegoslavische regering. Op 26 april was Griekenland overrompeld. Alhoewel de RAF en Britse grondtroepen in de gevechten verwikkeld waren konden deze niet verhinderen dat de Wehrmacht Griekenland overspoelde. De Britten slaagden erin 43.000 man naar Kreta te evacueren. Ondanks alle inspanningen moest al het zwaar materiaal en 11.000 man achtergelaten worden. Toen men ervan overtuigd was dat Kreta een strategische sleutelpositie innam kwam het bevel om ook Kreta te bezetten.
Bij de eerste aanvalsgolf behoorden een luchtlandings- en Fallschirmjägerdivision. In de morgen van 20 mei begon de aanval. De twee Gruppen van ZG 26 en II./ZG 76 namen aan de invasie deel. Ze vlogen escorte-opdrachten en grondaanvallen tijdens de gevechten. De sterke en werkingsvolle boordwapens van de 110's werden als artillerie-ondersteuning uit de lucht ingezet om de valschermtroepen te ondersteunen, die bezig waren na hun landing met zich in te graven. Ondanks zware verliezen slaagden de Duitsers erin het eiland snel te bezetten. De Britse strijdkrachten moesten 15.000 soldaten evacueren en verloren tijdens de gevechten op het eiland 18.000 krijgsgevangenen.
In mei 1941 was de 4./ZG 76 met zijn Bf Me 110 D-3 met Iraakse kentekens in actie, om de opstandelingen in Irak van uit de lucht te ondersteunen.
Ook in Noord-Afrika was de toestand voor de Italiaanse troepen, die zich op de terugtocht bevonden en daarbij slechts een zeer geringe strijdmacht aan Britse troepen tegenover zich hadden staan, zeer kritiek. Met de Britse heerschappij in Afrika voor ogen besloot Hitler in alle haast om Mussolini's troepen te ondersteunen, en ten minste zoveel troepen te sturen om de Italianen voor een volledige nederlaag te bewaren.
In de lente en zomer van 1942 kwamen de Zerstörer Bf 110 F-2 in Afrika aan. De hogere motorprestaties van de F-modellen waren zeer welkom, daar de toestellen de opdracht hadden Rommels opmars naar El Alamein te ondersteunen. Deze Bf 110 F2 hoorde toe aan ZG 26 en is met stoffilters en twee ETC 50 bommenrekken onder elke vleugel uitgerust.
De eerste eenheden die tot inzet kwamen waren de Staffeln van III./ZG 26, daaronder 2./ZG 26 met zijn Bf Me 110's. Toen de toestellen op 30 januari in Noord-Afrika toekwamen voerden ze onmiddellijk aanvallen uit tegen de vliegvelden van Castel Benito, Surte en Arco Philenorum. Tegen eind februari had de eenheid reeds 6 toestellen verloren, zij zelf hadden slechts twee vijandelijke vliegtuigen afgeschoten. Op het einde van maart verscheen Rommel in Afrika. Hij leidde de Duitse troepen tegen de Britse linies, overrolde deze en dwong de Engelsen op een eindeloze terugtocht die pas eindigde toen zijn troepen Egypte bedreigden. Door zijn reikwijdte had de Bf Me 110 in deze uitgestrekte vlakte van de woestijn een zeker voordeel tegenover de Hurricanes en Tomahawks van de RAF.
Op 22 juni om 03.00 Hr begon de Duitse Wehrmacht haar aanval op de Sowjetunie. Deze aanval kende onmiddellijk een enorm succes toen de Duitse Panzerdivisionen, ondersteunt door een sterke Luftwaffe, de Russische verdedigingslinies doorbraken en tijdens de eerste week een diepe penetratie van 380 km konden uitvoeren. De hoofdopdracht van de Luftwaffe was het uitschakelen van de Rode Luchtmacht.
Deze eerste week bracht voor de Luftwaffe onbeschrijflijke successen, ze slaagde erin om meer dan 6.000 vijandelijke vliegtuigen te vernietigen. Alhoewel deze cijfers tot op heden nog niet direct bevestigd zijn, weet men dat de opperbevelhebber van de Rode Luchtmacht, Generaalsluitenant Kopels, op de tweede dag van de oorlog zelfmoord pleegde, toen men hem de vernietiging van 600 Russische vliegtuigen voor een verlies van 12 vijandelijke vliegtuigen kwam melden.
De naar haar 'Holzschuh' embleem genoemde Holzschuhgruppe II./ZG 26 behoorde tot de eerste elementen die bij Operatie Barbarossa in Rusland binnendrongen.
Daar de meeste met Bf Me 110 uitgeruste Gruppen die de Slag om Engeland overleefd hadden, ofwel met Rommel in Noord-Afrika opereerden ofwel in Duitsland als nachtjagers dienst deden om de toenemende nachtelijke Britse bombardementen boven Duitsland af te weren, werd enkel het met Bf Me 110 uitgeruste Schnellkampf- geschwader 210 (SKG 210), vroeger E.Gr. 210, en II./ZG 26 voor Unternehmen Barbarossa beschikbaar.
Deze beide eenheden die tot de Luftflotte 2 behoorden, die een Heeresgruppe in het veld moest ondersteunen, bezaten tezamen 60 Zerst²ouml;rer die aanvankelijk werden ingezet om grondaanvallen uit te voeren tegen Russische vliegvelden. Toen de 110's boven hun doelen kwamen waren deze over het algemeen 'goed bezet' met hopen vliegtuigen die in mooie rijen zoals in vredestijd opgesteld stonden. Ze hadden enkel op de hun toegewezen doelen neer te dalen, te bombarderen en met hun boordwapens het karwei af te werken. Toen ze vertrokken lieten ze telkens een hoop brandende en vernietigde vliegtuigen achter.
Bij de eerste aanvalsgolf op de Sowjetunie werden op deze manier 31 vliegvelden 'onder handen genomen'. Daarbij werden er honderden vliegtuigen vernietigd. Deze slachtpartij werd voortgezet, uur na uur, dag na dag. Volledige eenheden werden aan de grond vernield en de weinige toestellen die er in slaagden om op te stijgen werden onmiddellijk neergeschoten door de overal klaarhangende Duitse jagers. Daar de successen van de Bf Me 110's meestal aan de grond werden bereikt verloor de Russische Luchtmacht betrekkelijk weinig vliegend personeel. Zo hielden de Russen steeds genoeg piloten over om zich te reorganiseren.
Nadat tijdens de eerste week de Sowjet-Luchtmacht enkel een zeer zwakke tegenstand had geboden begonnen de Bf Me 110's hun rol van jachtbommenwerper uit te voeren : ze vlogen bombardement- en grondaanvalsopdrachten tegen Russische stellingen en bombardeerden steden en spoorwegen.
Daar SKG 210 de opdracht had voortdurend grondaanvallen uit te voeren op de Russische troepen was de grotere bommenlast van zijn toestellen welkom.
Op 31 juli kon ZG 26 meldden dat het tot dan toe reeds 620 vijandelijke vliegtuigen door aanvallen met bommen en boordwapens had vernietigd. Op 19 augustus werd ZG 26 zelfs in een dagorder vermeld nadat de eenheid twee aanvallen had uitgevoerd op de vliegvelden van Nizino, ten zuiden van Leningrad, en daarbij 15 vliegtuigen vernietigd en 30 toestellen in brand had geschoten. Drie vijandelijke toestellen waren in de lucht neergehaald. Daarmee steeg het aantal vernietigde vliegtuigen tot 854, waaronder 191 toestellen die in de lucht waren afgeschoten.
Op 15 september ondersteunde II./ZG 26 vanuit de lucht de operaties Beowulf I en II en de invasies vanuit zee op de eilanden Muhu. Saaremaa en Hïimaa. Daarbij werden de toestellen als vliegende artillerie ingezet en vlogen 118 vluchten met een verlies van slechts twee machines. Tijdens de opdrachten die de piloten van ZG 26 hadden gevlogen tussen 22 juni en 27 september kregen ze de bevestiging over 96 neergeschoten vliegtuigen, 741 aan de grond vernietigde vliegtuigen, 148 vernietigde tanks, 49 treinen, een pantsertrein, 68 lokomotieven en vier vernietigde bruggen.
Aan het noordelijke front was een Schwarm Bf 110's van II./ZG 76 en I./JG 76 onder het commando van de Luftflotte 5 in Oslo ingezet. Wegens de slechte weertoestanden konden de acties niet voor 25 juni begonnen worden. Daarna echter werden de aanvallen op de vliegvelden van Niva, Varlamova en Varngo met de Bf Me 110's uitgevoerd. De Duitse vliegtuigen konden de Russische toestellen aan de grond overvallen die mooi in rij stonden opgesteld. Na de aanval in de richting van Moermansk werden de luchtaanvallen uitgevoerd wanneer de weersomstandigheden dit toelieten.
Tijdens het verblijf in het Hoge Noorden vlogen de 110's ook escortevluchten voor bommenwerpers.
De Staffelkapitän van 10(Z)./JG 5, Oberleutnant Felix Brandis, en zijn radio-operator Feldwebel Baus, naast het richtingsroer van hun Bf 110 tijdens de tweede winter aan het Oostfront. Brandis behaalde 18 luchtoverwinningen.
Op 12 juli kon Hauptmann G.Schaschke 12 neergeschoten Russische vliegtuigen melden. Op 4 augustus behaalde hij zijn 20ste overwinning, deze behaalde hij diep achter de Russische linies. Toen de herfst zich dan weer kenbaar maakte werden de weinige vliegtuigen van II./ZG 76 uit het gebied aan de Noordelijke IJszee teruggetrokken om dan te beginnen met een training als nachtjager.
In het zuiden vlogen de I. en II./SKG 210 aan-vallen tegen vijandelijke grondtroepen om Operation Taifun te onder-steunen en in een voorbereidende aanval mee te helpen om de Armeegruppe Timoschenko uiteen te slaan om zo de weg naar Moskou te openen. De tangbeweging was op 7 oktober gelukt maar de opmars naar Moskou werd door onophoudelijk regenweer en bodemloos slijk bijna tot staan gebracht.
Daar de produktie van de Bf Me 110 tegen het einde van 1941 op zijn einde liep werden ook de Zerstörergruppen steeds zeldzamer vermeld. In februari 1942 echter werd de Bf 110 weer in produktie genomen. De bijna ten einde gelopen produktie van de Bf Me 110, verbonden met de vraag voor meer tweemotorige toestellen voor de nachtjacht betekende bijna de ondergang van de Zerstörergruppen. Er waren nog maar zo weinig toestellen in de getalsterkte dat ze bijna volledig uit de Luftwaffe verdwenen waren. Van een totaal van 444 machines op 10 augustus 1940 was hun aantal op 13 december gedaald tot 44 exemplaren, daarvan waren nog 8 Zerstörer operationeel. De vroegere elite van de Luftwaffe was nu een weeskind geworden, het verschijnen van de geallieerde bommenwerpersvloten boven Duitsland in 1943 zouden een wedergeboorte betekenen.
Alhoewel de serieproduktie van de Bf Me 110 door de voorziene vervanging van het model door de Me 210 in aantallen sterk verminderd was werden er in 1941 nog twee verdere varianten in volle produktie gebracht. Het handelde zich hierbij om de varianten E en F. De eerste van de varianten, de Bf Me 110 E, rolde reeds in de lente van 1941 van de montagebanden. Afgezien van een versterkte pantsering voor de bemanning was er verder aan het uiterlijk van het vliegtuig geen verandering te zien. Om een grotere bommenlast te kunnen meenemen waren de poten van het landingsgestel aanzienlijk versterkt. De jabo's konden nu in hun ETC 50's vier bommen meenemen of twee 300 l afwerpbare brandstoftanks onder de vleugels ophangen. Bovendien was er nog een bommenrek onder de romp voorzien.
Bf Me 110 E-1 zware jager - oorspronkelijk met de DB 601 A motor uitgerust, deze werd spoedig vervangen door de DB 601 N
Bf Me 110 E-1/U2 deze versie had plaats voor en derde bemanningslid
Bf Me 110 E-1 Jabo bezat een langer staartstuk om een dinghy te kunnen opnemen
Bf Me 110 E-3 verkenner - was met de nieuwe MG FF uitgerust, de bommenrekken onder de romp waren verwijderd en in de bodem van de machine een camera ondergebracht. Bovendien konden ofwel twee 300 l brandstoftanks of twee 900 l brandstoftanks gemonteerd worden
Deze variant werd kort na de E-versie ingevoerd en was uitgerust met de 1.350 pk DB 601 F motoren. De enige uiterlijke verandering die zichtbaar was waren de grotere motorgondels, daar er een olieradiator was ingebouwd. Het inbouwen van een 57 mm sterk pantserglas windscherm (die nadien ook bij de D- en E-versie werden ingebouwd) behoorde tot de standaarduitrusting. In de Bf Me werden er voortdurend nieuwe apparaten ingebouwd zodat ook het gewicht van het toestel voortdurend veranderde, daar de motoren dezelfde bleven zonken de prestaties van de machine evenredig. Het in gebruiknemen van de sterkere DB 601 F verbeterde deze capaciteiten en liet toe dat er nieuwe varianten werden gebouwd.
Bf Me 110 F-1 Jabo deze jachtbommenwerper was uitgerust met een ETC 500 bommenrek onder de romp waaraan ofwel twee 250 kg SC 250 bommen of twee SC 500 bommen konden of een AB 500 tank kon opgehangen worden. De vier STC 50 bommenrekken onder de vleugels konden met 50 kg bommen SC 50, SD 50 of AB tanks voorzien worden.
Bf Me 110 F-2 deze zware jager was de standaard jagersversie die dezelfde bewapening als de vorige varianten droeg. Later werden er onder de vleugels Wgr-21 raketlanceerinstallatie gemonteerd.
In afwachting dat de Me 210 de Bf Me 110 bij de eenheden aan het front in 1941 zou vervangen werd de produktie van de Bf Me 110 beëindigd. In oktober werd de produktie bij MIAG en in december bij GWF stilgelegd. Men stelde echter vast dat de produktie van de Me 210 een 'bodemloze' misser was en zo werd de produktie van de Bf Me 110 in februari 1942 opnieuw opgestart.
In mei 1942 kwamen de eerste G2's van de montagbanden en konden door het gebruik van verschillende sets aan uitrusting (Rüstsätze) ofwel als Zerstörer of als zware jachtbommenwerper worden ingezet.
Reeds in de zomer van 1941 had men inspanningen geleverd om het basismodel grondig te verbeteren. Onder de benaming Bf Me 110 G-0 was het staartstuk aërodynamisch herontworpen. Deze variant werd door twee 601 F motoren aangedreven die in 6.000 m hoogte 1.355 pk ontwikkelden. Het oorspronkelijke model Bf Me 110 G werd met twee MG 151 uitgerust in plaats van de MG FF's, bovendien zag men af van de montage van de ETC bommenrekken. De G-1 werd nooit gebouwd. In plaats daarvan ontwierp men de G-2 die door de montage van verschillende Rüstsätze (bewapeningscombinaties) zowel als jachtbommenwerper of als zware jager (Zerstörer) kon ingezet worden. Deze Rüstsätze maakten de G-serie tot het meest flexibele model. De Bf Me 110 G-2 werd in mei 1942 in dienst genomen.
Bf Me 110 G-2 bij dit model werd het herontworpen en vergroot staartstuk van de nachtjagerversie F-4 ingebouwd. De voorwaartsvurende bewapening bestond uit vier 7,9 mm MG 17's en twee 20 mm MG 151 kanonnen. De ETC 500 bommenrekken waarmee deze variant was uitgerust behoorden tot de standaarduitrusting die echter door wapenkuipen die twee MG 151's bevatten vervangen konden worden. De twee 300 l afwerpbare brandstoftanks konden door vier ETC 50 bommenrekken worden vervangen.
Bf Me 110 G-3 lange-afstand verkenner – was met een RB 50/340 en een Rb 70/30 camera uitgerust. Zoals bij vroegere verkenners was de boegbewapening beperkt tot vier MG 17's, alhoewel bij andere toestellen de MG 17 vervangen waren door twee MK 108 kanonnen (Rüstsatz 3).
R1 3,7 cm BK 3,7 (FlaK 18) kanon - (daarbij moesten de MG 151 verwijderd worden) verwisselbaar met ETC bommenrekken
R2 GM-1 salpeteroxyde-injectie voor grotere prestaties, de inbouw van dit systeem vereiste de verwijdering van de boegbewapening
R3 twee 30 mm MK 108 kanonnen vervingen de vier MG 17 machinegeweren, het ETC 500 bommenrek was vervangbaar door een onder de romp gemonteerde wapenkuip voor twee MG 151's MG's
R4 samenvoeging van R1 en R3 (een 37 mm FlaK 18 onder de romp en twee 30 mm MK 108 in de neus)
R5 samenvoeging R1, R2 en R3 (GM-1 injectie en 37 mm FlaK 18 of ETC 500 of twee MG 151 onder de romp)
R6 samenvoeging R2 en R3 (GM-1 injectie en twee MG 151 of ETC 500 onder de romp)
R7 565 l bijkomende brandstoftank in de cockpit van de radio-operator of R3
Een geluk voor de geallieerde bommenwerpers was het feit dat het slechte weer de Zerstörer en de Amerikaanse bommenwerpers tot nu toe had gescheiden, totdat op 11 januari 1944 650 zware bommenwerpers diep in Duitsland binnendrongen om de vliegtuigfabrieken in de buurt van Braunschweig te bombarderen. In een massale aanval door Bf Me 110's vuurden de Zerstörer hun 240 mm raketten in de eng aaneengesloten bommenwerperformatie, braken daardoor de formatie uiteen en konden samen met Bf Me 109's 41 vijandelijke bommenwerpers neerschieten. Op 16 maart 1944 slaagden er 43 110's in om op één dag 18 B-17's neer te halen. Daarna werden de bommenwerpers steeds door jagers geëscorteerd. In de daarna volgende gevechten werden 26 (60%) van de ingezette Zerstörer neergeschoten. Na dit uiterst zwaar verlies ontbond ZG 76 zijn III. Gruppe. Er werd hoogste prioriteit gegeven aan het aanvullen van de eenheid met Bf Me 109's. In juni 1944 waren enkel de 110's van II./ZG 1 operationeel. De laatste daginzet van de Bf Me 110, die door de geallieerde jagers steeds verder en verder oostwaarts werden gedreven, vond plaats boven Boedapest. Daar kon de II./ZG1 tezamen met I./ZG 76 (Me 410) en II./JG 77 (Bf Me 109) 45 geallieerde vliegtuigen uit de lucht halen. Kort na dit gevecht wisselde II./ZG 1 zijn 110's uit tegen de Bf Me 109 G en werd II./ZG 76 omgevormd. Dit betekenden tevens het einde van de loopbaan van één van de meest omstreden jagers uit de WO II.
Op 31 december 1939 waren er 573 machines afgeleverd, in 1940 1.083 machines, in 1941 784 machines, in 1942 580 machines, in 1943 1.580 machines, in 1944 1.525 machines en in 1945 tot einde oorlog 45 machines.
Afmetingen
spanwijdte 17,51 m lengte 13,00 m hoogte 3,76 m
Motoren
2 x 1.100 pk Daimler Benz DB 601 A 12 cyl vloeistofgekoelde V-motoren met VDM drieblad instelbare propellers
Bewapening
vier 7,9 mm MG 17's met 1.00 patronen per loop in de bovenste helft van de neus. twee 20 mm MG FF kanonnen in de onderste helft van de neus met 190 granaten elk. achterwaartsvurende MG 15 machinegeweer met 750 patronen in achterste cockpit
Brandstof
1.270 l in vleugelcellen (uitbreidbaar met afwerpbare tanks)
Capaciteiten
maximale snelheid 562 km/u op 7.000 m 473 km/u op zeespiegelhoogte maximale kruissnelheid 484 km/u op 7.000 m actieradius 1.270 l voor 775 km aan 421 km/u op zeespiegelhoogte 850 km aan 498 km/u op 5.380 m 909 km aan 484 km/u op 7.000 m
Hoogteplafond
9.756 m
Bronnen :
Aircraft Profile nr.23 The Messerschmitt BF 110 Dayfighters Das Waffen-Arsenal Band 40 Messerschmitt Bf 110 Zerstörer in action Das waren die Deutsche Jagdflieger-Asse 1939-1945 Toliver/Constable Motorbuch Verlag Stutt. Adlertag - Die Luftschlacht um England Richard Collier Kreta - Sieg der Kühnsten
en foto's van Bundesarchiv, Hans Seebrandt, Smithsonian, Gustav Tham, Wolfgang Falck, Bob Grinsell, Werner Held, US Air Force, Hans Joachim Jabs, Gene Stafford, Ossi Anttonnen, Ernie McDowell, Hans Redemann, Lee Barlow;