Messerschmitt
Me 109 G Gustav
|
| Een lid van het grondpersoneel helpt de piloot bij het sluiten van zijn cockpitdak. Me 109 G-6/R1 van III./JG 3 'Udet'. |
De vroege producties van de Me 109 G waren in feite gelijk aan de F-series, hun enige verschil was het gebruik van de 1.475 pk DB 605 A motor in plaats van de 1.300 pk DB 601 E. 12 Me 109 G-0's waren gebouwd als Me 109 G-standaard maar aangezien de DB 605 nog niet in voldoende aantallen kon geleverd worden werd deze serie aangedreven door D 601E motoren. De bewapening bestond uit twee 7,9 mm MG 17's en een op de motor gemonteerd 20 mm MG 151/20 kanon. De Me 109 G-0 was reeds uitgerust met een cockpit die voorzien was voor operaties op grote hoogtes.
De eerste productie machine G-1 was gelijk aan de G-0 maar werd aangedreven door een DB 605 A-1 van 1.475 pk die over een GM-1 beschikte. De G-1/Trop was voorzien van tropenfilters en had twee 13 mm MG 131 in plaats van de MG 17's. Door het gebruik van deze nieuwe wapens was het noodzakelijk dat de motorkap werd aangepast zodat er plaats was om de sluitstukken van deze wapens te kunnen onderbrengen. Er werd aan beide zijden van de motorkap een uitstulping aangebracht. Deze 'builen' waren de oorzaak van de bijnaam van de van de Me 109 G: 'Beule'.
De G-2 was gelijk aan de G-1 maar had geen aangepaste cockpit voor grote hoogtes en was bestemd voor een rol als verkenningsjager. Dit type droeg twee MG 17's boven de motor en had een installatie van twee achterwaartsvurende wapens - eveneens MG 17's - die in een wapengondel onder de romp waren gemonteerd. De G-2/R1 was een jachtbommenwerper die over een bommenrek beschikte onder de romp en twee afwerpbare brandstoftanks kon meenemen onder de vleugels. Een ongebruikelijke kenmerk was een afwerpbare hulpwielpoot voor het landingsgestel die moest zorgen voor een voldoende bodemvrijheid. De Me 109 G-3 was gelijk aan de G-1 maar had een FuG 16 Z aan boord in plaats van de FuG 7A, de G-4 was in feite een G-3 die niet over een grote-hoogte cockpit beschikte.
![]() |
| Waarschijnlijk een G1/Trop in Tunesië of Zuid-Rusland. Het toestel draagt de Europese standaardcamouflage met gevlekte romp. |
De Me 109 G-5 was uitgerust met de krachtiger DB 605 D die over een grotere compressor beschikte en was uitgerust met een MW-50 aanjager. De MW-50 was een mengeling van methanol-water (50/50) die aan de 100 octaan brandstof in de cilinders werd geïnjecteerd waardoor de kracht van de motor tot 1.800 pk kon opgedreven worden. Deze mengeling werd meegevoerd in een afwerpbare tank onder de romp en kon naar gelang men de mengeling wilde gebruiken door een knop in de cockpit bediend worden. De bewapening van de G-5 was gestandaardiseerd tot twee 13 mm MG 131's en een op de motor gemonteerd 20 mm MG 151/20 kanon. De G-5/R2 had een hogere staartvin en -roer. Hij beschikte tevens over een verlengde poot van het staartwiel waarmee men hoopte het zwaaien van de staart te kunnen beperken bij bewegingen aan de grond.
Het meest belangrijke model van de Gustav was de G-6. Deze kon aangedreven worden door de DB 605 AM, AS, ASB, ASD, of ASW motor. De bewapening bestond uit twee 13 mm MG 131's, een op de motor gemonteerd 30 mm MK 108 kanon en twee onder de vleugels gemonteerde 20 mm MG 151/20 kanonnen.
![]() |
| Een Messerschmitt Me 109 G-6/R2 Trop van 9.JG/ 3 'Udet' in Rusland 1943. De 21 cm 'Dödel' raketlanceerbuizen onder de vleugels, in gebruik bij JG 1 en JG 26 'Schlageter' in het Westen en ingezet tegen de geallieerde bommenwerpers, waarvan er wordt aangenomen dat ze ook werden ingezet als ondersteuningswapen door JG 3 aan het Oostfront. |
De vleugels van de Gustav bestonden uit een volledige metalen constructie opgebouwd rond één enkele hoofdbalk die uit T-sectie bestond en voorzien was van versterkingen aan de kruisverbindingen van de ribben. De hoofdbalk was op ongeveer 45 % van de vleugelvoorrand om toe te laten dat de wielen van het landingsgestel volledig in de vleugels konden ingetrokken worden. De dragende huid bestond uit een lichte metalen legering (dural) en was met verzonken klinknagels vastgemaakt.
![]() | De drie wapenmondingen in de romp van de Me 109 G zijn hier duidelijk te zien. Terwijl de geallieerden tevreden waren met twee ka- libers -de .50 en .30 in- (12,7 mm en 7,62 mm) werden er met de Me 109 wapens ingezet die varieerden tussen 7,9 mm en 30 mm. De wapenuitrusting van de Me 109 verschilde naargelang de tactische inzet; er waren ver- schillen tussen de bewapening voor een escorte-jager, jachtbommenwerper, verkenner en een onderscheppingsjager. Vooral voor de inzet als onderscheppingsjager werden er verschillende wapensets ingebouwd die verschilden naar gelang de vereisten zoals vuurbereik, vuursnelheid en uitwerking in het doel. Dit kon enkel gerealiseerd worden door een combinatie van verschillende wapens te bouwen. Zo een combinatie kwam vooral tot uiting bij de F-2/R1 met zijn twee 7,9 mm MG 17's met hoge vuur- snelheid tegen 'weke' doelen, de beide 15 mm MG 151/20 voor groot vuurbereik en het 30 mm MK 108 voor grote uitwerking in het doel. |
De eerste eenheid van de Luftwaffe die de Gustav ontving was de nieuw opgerichte 11. Staffel van JG 2 'Richthofen'. 11./JG 2 was opgericht op het einde van mei 1942 uit een kern die gevormd was door de 1.Staffel en als speciale eenheid voor onderscheppingen op grote hoogte en op toestellen vloog die met de G-1 werd uitgerust.
Het begin van de carrière van de Gustav bij de Luftwaffe werd gekenmerkt door verschillende verslagen over vliegtuigverliezen die tijdens de terugvlucht van opdrachten bij verschillende eenheden onder mysterieuze omstandigheden plaats vonden. Tijdens zijn terugvlucht op 30 september 1942 meldde Hauptmann Hans-Jochen Marseille aan zijn Rottenflieger dat er rook in zijn cockpit binnendrong. Enkele ogenblikken was de rookontwikkeling zo erg dat de piloot moest uitstijgen. Bij het verlaten van het toestel sloeg Marseille met de linker borstzijde tegen zijn staartvlak waardoor hij bewusteloos geraakte en geen kans meer zag om zijn parachute te openen. Enkele dagen later meldde 3/JG 1 het verlies van een Gustav onder gelijkaardige omstandigheden, maar deze keer had de piloot zich met zijn valscherm kunnen redden.
Tegen het eind van 1942 had de Gustav de vroegere F-modellen verdrongen en vormde nu in feite tezamen met de FW 190 A-series de volledige uitrusting van de Tagjagdflieger. In het begin van 1943 begonnen de Geallieerden met hun niet geëscorteerde B-17 bommenwerpers zware verliezen te lijden boven Duitsland en het bezette West-Europa. In een poging om deze bommenwerperraids te bestrijden was III./JG 54 op 27 maart 1943 van het Oostfront teruggetrokken. Op 1 april werd er een nieuw Geschwader gevormd uit de kern van I. en III./JG 1 en JG 11 genoemd.
Er werden nu nieuwe aanvalsmethoden en bewapeningen uitgetest tegen de bommenwerperformaties. Eén ervan was een aanval met een 250 kg bom die onder de romp van een Gustav werd meegevoerd. Nadat de Me-jager boven de bommenwerpers was gestegen zou hij zijn bom droppen (die was uitgerust met een tijdontsteker) tussen de aanvallers. Deze aanval werd op 22 maart 1943 getest door zijn uitvinder Leutnant Heinz Knocke van 5/JG 1 en vernietigde daarbij een B-17 die Wilhelmshaven aanviel. Andere nieuwe wapens waren de zwaardere kanonnen en de 210 mm raketbuizen. Deze laatste werden operationeel ingezet door Staffeln van JG 1, 3 en 26.
In de vroege uren van 5 juli 1943 vielen de Duitse Panzerdivisionen de Russische tankeenheden aan in het gebied van Orel-Bjielgorod onder de codenaam 'Operation Zitadelle' -later bekend geworden als de tankslag van Koersk-. In feite was dit het laatste grote Duitse offensief aan het Oostfront en waren ook alle Luftwaffe grondaanvalseenheden daarbij vertegenwoordigd. Deze werden ondersteund door acht Jagdgruppen. Deze waren II. en III./JG 3, I., III. en IV./JG 51, I. en III./JG 52 en III./JG 54. JG 3 en 52 waren uitgerust met de Me 109 G. Op de eerste dag scoorden de jagers 432 overwinningen waarvan er 77 -met daaronder 62 bommenwerpers- waren neergehaald door II./JG 3.
![]() |
| Een G-1 van III./JG 53 'Pik As' met ruwe wintercamouflage tijdens de Russische winter 1944-45. |
De derde Gruppe van JG 3 behaalde 38 overwinningen waarvan er drie op de naam van Major Wolfgang Ewald, de Gruppenkommandeur kwamen te staan. III.JG 52 haalde 36 vijandelijke toestellen neer waarvan 12 door Hauptmann Wiese, 11 door Oblt Krupinski en 4 door Leutnant Korts. JG 52 beschikte over een Kroatische Staffel -15./JG52- die onder bevel stond van Oberstleutnant Fanjo Dzal, deze eenheid behaalde tijdens de slag 13 overwinningen. De Duitse verliezen tijdens de eerste dag van Operation Zitadelle bedroegen 26 vliegtuigen.
Op hetzelfde ogenblik stonden de met de Gustav uitgeruste Gruppen van Luftflotte II onder voortdurende zware druk in Italië en Sicilië. Deze eenheden waren Stab, I. en III./JG 27, II./JG 51, Stab, I , II. en III./JG 53 en Stab, I., II. en III./JG 77. Op 15 juli viel de nieuw gevormde 8./JG 27 onder Lt. Wolf Ettel vanaf Brindisi in Italië de geallieerde positie aan in het gebied rond Catanië.
![]() |
| Een Me 109 G-4 van 1./JG 77 'Herzas' in het Middellands Zeegebied. |
![]() |
| Hauptmann Hans 'Assi' Hahn, Kommandeur van II./JG 54 werd op 1 november 1942 van JG 2 in Frankrijk (met 68 overwinnin- gen op zijn naam) overgeplaatst naar het Oostfront. Op 21 februari 1943, met 108 overwinningen op zijn naam, werd hij zelf neergeschoten, kwam aan de verkeerde zijde van het front neer en werd gevangen- genomen. Eind 1949 kwam hij als 'Heimkehrer' terug naar Duitsland. |
Op 1 augustus 1943 verlieten 177 B-24 Liberators van de 8th en 9th AF hun basis in Noord-Afrika voor een aanval op de olievelden van Ploesti in Roemenië. II./JG 54 onder Hauptmann Hans Hahn met basis te Mitzil, 35 ten oosten van Ploesti, viel de bommenwerpers met zijn Gustavs aan. I./JG 4 was versterkt door elementen van het Koninklijke Bulgaarse Jagerregiment onder bevel van Hauptmann Toma die uitgerust waren met de antieke Avia B-534 tweedekkers. Tijdens hun terugvlucht werden de bommenwerpers aangevallen door de elementen van het pas gevormde IV./JG 27 dat onder bevel stond van Oberleutnant Alfred Burk en zijn basis te Kalamaki in Griekenland had. Bij deze acties waren er in totaal 54 bommenwerpers neergehaald.
Tegen het eind van juli 1943 waren er nog eens vijf Jagdgruppen van hun bases in Italië en Zuid-Rusland overgeplaatst en naar Duitsland teruggetrokken waar ze werden aangewend voor het aanvullen van de getalsterkte van JG 1, 2, 11, 26, III./JG 54 en ZG 26 die ingezet werden bij de Reichsverteidigung. II./JG 27 onder Hauptmann Schroer werd overgeplaatst van Vibo-Valentia in Italië naar Wiesbaden-Erbenheim, II./JG 51 onder Hauptmann Karl Rommelt van Sardinië naar Neu-Biberg bij München en het volledige JG 3 van Oberstleutnant Wolf-Dietrich Wilcke kwam eveneens uit Zuid-Rusland.
Deze eenheden moesten hun waarde bewijzen toen de USAAF op 17 augustus 1943 één van haar zwaarste aanvallen tegen Schweinfurt en Regensburg lanceerde. Er werden daarbij 376 B-17's en B-24's ingezet. Door de aanvallen van de jagers werden er 60 toestellen neergehaald en een 100-tal zwaar beschadigd. Tijdens een tweede aanval op Schweinfurt op 14 oktober 1943 verloor de USAAF nog een 60 B-17's van de 291 ingezette toestellen.
Er waren in tussentijd op 21 juli 1943 twee nieuwe Gruppen gevormd, JGr. 25 en JGr.50 onder Major Herman Graf (50) en Major Herbert Ihlefeld (25). Deze eenheden werden uitgerust met speciaal opgefokte Gustavs voor de bestrijding van de RAF-Mosquitos die tot dan toe eigenlijk onbelemmerd boven Duitsland konden opereren. Maar zelfs die speciale Gustavs konden het niet tegen de Mosquitos opnemen en na slechts enkele successen werden beide eenheden in december 1943 opnieuw ontbonden.
Op 3 november vielen Marauders B-26 met sterke escorte Amsterdam aan. II./JG 3 onder Major Kurt Brändle was onmiddellijk in de weer om deze toestellen te onderscheppen maar tegen de tijd dat hij een gunstige aanvalspositie had bereikt was de vijandelijke formatie reeds boven Het Kanaal op de terugtocht. Brändle die met de snelste machine in zijn eenheid vloog gaf volle gas. Hij kwam nooit terug. Als overwinnaar in 180 gevechten was hij waarschijnlijk zelf neergehaald door een escorte-jager.
Op 27 juni 1943 was er ook een nieuw Jagdgeschwader gevormd, JG 300, dat opgericht was uit het Versuchscommando Hermann. Dit Versuchscommando dat onder bevel stond van Major Hajo Hermann, een vroegere Kommandeur van III./JG 30, had een grote rol gespeeld in de actie tegen konvooi PQ-17.
![]() |
| Me 109G-6/ R-6 van Lothar Sachs van 3/JG 300 met gondelbewapening (foto genomen in septem- ber 1943 te Bonn/Hangelar). Let op de hoekige camouflage van de vleugels en de driekleurige ge- vlekte camouflage van de romp in RLM 74, 75 en 70. De onderzijde is zwart. Het toestel draagt nog geen Reichsverteidigunsband. |
![]() |
| Leutnant Dieterle van Stab 2./JG 300 zittend op de rand van de cockpit van zijn 'Rote 1', Me 109 G-6. |
Slechts één enkele Gruppe in elk Geschwader bezat zijn eigen vliegtuigen, de andere Gruppen deelden hun toestellen met een Tagjagdgruppe die op hetzelfde vliegveld verbleef. (II./JG 300 vloog samen met III./JG 11 en I./JG 302 met II./JG 27). Door dit dubbel gebruik waren de toestellen voortdurend in actie en zoals te verwachten waren de inzetwaarden van deze toestellen niet optimaal. Met het begin van de winter begonnen de verliezen alarmerend te stijgen en de drie speciale eenheden werden terug omgeschoold tot conventionele Geschwadern.
Ondertussen stonden de dagjachtgeschwaders onder sterke druk van de Amerikaanse lange-afstand-escortejagers die boven Duitsland vrij opereerden. Gevechten met dikwijls numeriek superieure geallieerde jagerformaties resulteerden in het verlies van de meeste Duitse toppiloten zoals de populaire Kommodore van JG 3 Obstlt Wolf-Dietrich Wilcke die door een Mustang werd neergehaald en gedood op 23 maart 1944 met 162 overwinningen op zijn naam. Eén van de meest succesvolle piloten aan het Westelijk Front was Oberfeldwebel Heinz Bartels van IV./27 die tussen april en juni 22 P-47's, P-51's en Spitfires voor zijn rekening nam.
De Messerschmitt Me 109 G-8 was een verkenner met hoge snelheid die was uitgerust met de oude staartvin en -roer. De machine droeg een verminderde bewapening en een RB 12.5/7 of 32/7 camera die in de romp was geïnstalleerd. De machine kwam in dienst tegen eind 1943, voornamelijk bij de Nahaufklärungsgruppen. Eén van de belangrijkste van deze Gruppen was NAGR 13 die, met basis aan het Kanaal, uitgerust was met een mengeling Me 109 G-8 en FW 190 A's.
De snelste van de G-versies was de G-10 die werd aangedreven door een DB 605 D motor met MW-50 injectie. Deze variant haalde op een hoogte van 7.621 m een snelheid van 684 km/u en kon in 6 minuten naar 6.097 m stijgen. De vliegduur bedroeg 55 minuten en het bereik lag bij 680 km. De bewapening van de G-10 omvatte twee 13 mm MG 131's en een 30 mm MK 108 kanon. De G-10/U4 droeg twee MK 108's in een gondel die kon omgewisseld worden voor een niet afwerpbare brandstoftank die bekend was onder de naam 'Irmer-Behälter'. De G-10/R2 en R6 werden gekenmerkt door een langere romp en groter staartwiel en beschikte bovendien over de FuG 25 a IFF. Een ander kenmerk was de 'Galland-Haube', een cockpitdak met verbeterd zicht.
![]() |
| Een Me 109 G-12 tweezitter trainingstoestel, gemodificeerd uit de G-1 Trop. In sommige gevallen, zoals hier, was de MG 131 bewapening uit de neus verwijderd. De achterste cockpit waar de instructeur zat, was voorzien van een speciale uitsnijding om het zicht naar achter te verbeteren. (Foto: IWM HU2827) |
![]() |
| De Messerschmitt Me 109 K was het laatste model van de Me 109 die in grotere aantallen werd gebouwd. Let op het kleine doelvlak van het frontale cockpitdak. |
Op 6 juni 1944 vond de geallieerde landing plaats in Normandië. De enige jagerseenheden die in staat waren om zich tegen de landende troepen te verzetten waren JG 2 en JG 26. Ze werden echter spoedig versterkt door Gruppen van de Luftwaffe Reich. Op 20 juni beschikte Luftflotte 3 over 23 Jagdgruppen waarvan er 13 uitgerust met Gustavs ( III./JG 1, II./JG 2, I., II. en III./JG 3, I. en II./JG 5, II./JG 11, I.,III. en IV./JG 27, II./JG 53 en I./JG 301) Deze laatste eenheid was verantwoordelijk voor het escorteren van de operaties die werden uitgevoerd door KGr.101 met hun Mistel-systeem tegen de geallieerde schepen en de geallieerde bruggehoofden.
In het begin van juli 1944 was er een speciale Sturmgruppe gevormd onder Hauptmann -later Major- Wilhelm Moritz. Deze eenheid die de naam IV. Sturm/JG 3 droeg was uitgerust met FW 190 A-8's en elke piloot was verplicht een geallieerde bommenwerper neer te halen door hem te rammen. De drie andere Gruppen van JG 3 die waren uitgerust met de G-14 waren belast met de escorte van de FW's, de eerste drie eenheden waren de Leichte Gruppen, de met Focke Wulf uitgeruste eenheid was de Schwere Gruppe. Tijdens de eerste operatie die op 7 juli 1944 werd uitgevoerd haalden de toestellen niet minder dan 58 zware bommenwerpers neer.
Aan het Oostfront waren ondertussen ook de enorme Russische troepenmacht tot het offensief overgegaan en drongen daarbij de Duitse troepen steeds verder terug naar Duitsland. Op 23 augustus vond er in Roemenië een staatsgreep plaats, en deze gebeurtenis gekoppeld aan een Russisch verrassingsoffensief leidde daar tot de volledige terugtrekking van de Duitse Wehrmacht in Roemeniëë. De Me 109 G's van I./JG 53 onder Major Jürgen Harder en II./JG 301 onder Hauptmann Jacobs en de Me 110's van IV./NJG 6 onder Major Lütje verdedigden daarbij het vliegveld van Targsorul-Nou tegen Roemeense aanvallen en leverden luchtdekking voor de terugtrekkende grondtroepen.
In Hongarije werd de Stab van JG 76 onder Major Ernst Dullberg overgeplaatst om overgenomen te worden door de Stab van JG 77 onder Oberstleutnant Johannes Steinhoff. Deze had drie Jagdgruppen onder zijn bevel : II./JG 51 onder Major Rammelt, I./JG 53 onder Major Hardu en II./JG 52 onder Major Gerhard Barkhorn. Deze laatste, die de tweede hoogste score van de Luftwaffe-Asse behaalde, had altijd reeds de voorkeur gegeven om op de Me 109 te vliegen. Zelfs toen hij in januari 1945 het commando over JG 6 kreeg dat op de FW 190 D-9 vloog bleven hij en zijn Rottenflieger op de Me 109 G-14 vliegen - de enige toestellen in de eenheid.
Op 21 oktober 1944 escorteerde III./JG 6, dat in augustus 1944 gevormd was uit I./JG 5, onder Oberleutnant Gerlach een Sturmgruppe FW 190's in een aanval tegen een B-17 formatie. De Gruppe was op dit moment uitgerust met een mengeling van ongeveer 50 Me 109 G-10's en G-14's verloor 12 van zijn toestellen door het bevriezen van hun windscherm, de piloten konden eenvoudig weg niets meer zien. Enkele dagen voorheen, op 25 augustus, had JG 6 zware verliezen geleden door een formatie P-38 Lightnings van de US 367th FG.
In oktober 1944 schoot de met Gustavs uitgeruste 10./JG 51 onder Leutnant Peter Kalden met basis te Modlin Nowy ten noordwesten van Warschau 81 vijandelijke vliegtuigen neer, de Staffel zelf verloor daarbij slechts twee toestellen. Kalden zelf scoorde 19 overwinningen en bracht daarmee zijn totaal op 64, terwijl Oberfeldwebel Heinz Marquardt er 26 neerhaalde wat zijn totale score op 89 bracht.
Tijdens de winter van 1944/45 werden er verschillende nieuwe Jagdgeschwadern opgericht. Eén ervan, het Italiaanse JG 1 werd gevormd met Italiaanse fascisten en werd ingezet voor de verdediging van het gedeelte van Italië dat nog niet in geallieerde handen was. Met het concentreren van de jachtoperaties werden er twee Kampfgeschwader uitgerust met Me 109's als KG(J)'s. Deze waren I./KG(J) 6 met Me 109 G-6's, III./KG(J) 6 met Me 109 G-10's, I./KG(J) 55 met Me 109 G-104s en II./KG(J) 55 met Me 109 K-4's.
De laatste wanhopige poging van de Luftwaffe om het luchtoverwicht te herwinnen in het Westen vond plaats op Nieuwjaarsdag 1945 onder de codenaam 'Operation Hermann'.* Dit was een algemene aanval uitgevoerd door niet minder dan 750 Luftwaffe jagers tegen de geallieerde vliegvelden in België, Nederland en Luxemburg. Voor de eerste maal werden de Me 109 K-2's en K-4's operationeel ingezet., elke Gruppe werd daarbij geleid door een 'Schwarm' Ju 88 G nachtjagers. Onder de eenheden die aan de aanval deelnamen waren ook:
| I., II. en III /JG 1 | uitgerust met FW 190 A-8 |
| I., II. en III./JG 2 | uitgerust met FW 190 D-9 |
| I. en III./JG 3 | uitgerust met Me 109 G-14 |
| IV.(Sturm)/JG 3 | uitgerust met FW 190 A-8 |
| I., III. en IV./JG 4 | uitgerust met Me 109 G-6, G-10 en G-14 |
| II.(Sturm)/JG 4 | uitgerust met FW 190 A-8 |
| I. en III./JG 11 | uitgerust met FW 190 A-8, D-9 |
| II./JG 11 | uitgerust met Me 109 K-4 |
| I., II. en III /JG 26 | uitgerust met FW 190 D-9 |
| I., II., III. en IV./JG 27 | uitgerust met Me 109 G-6, G-10, K-2 en K-4 |
| I., II., III. en IV./JG 53 | uitgerust met Me 109 G-10, G-14, K-2 en K-4 |
| III. en IV./JG 54 | uitgerust met FW 190 A-8 en D-9 |
| I., II. en III./JG 77 | uitgerust met Me 109 G-6, G-10 en G-14 |
Ook JG 6 nam aan de aanvallen deel en JG 104, een trainingseenheid, werd tijdelijk operationeel om te kunnen deelnemen. In de Britse zone werden 137 toestellen als vernietigd gemeld en 115 in de Amerikaanse zone. De Luftwaffe zelf verloor bij deze operatie ongeveer 200 toestellen waarbij sommige van de meest ervaren piloten werden gedood.
In feite was dit de laatste grote slag die met conventionele jachtvliegtuigen met zuigermotoren door de Luftwaffe werd uitgevoerd. Door het concentreren van de geallieerde bommenwerpers tegen de overblijvende Duitse olievoorraden verminderde de bevoorrading van vliegtuigbrandstof zienderogen, de resterende brandstof werd voornamelijk aan de straalvliegtuigen toegewezen. Een andere operatie die nog vermeldenswaardig blijft en die door de Me 109 G eenheden werd uitgevoerd was deze uitgevoerd door Rammkommando Elbe. Op voorstel van Oberst Hajo Herrmann was er een speciale jagerseenheid van vier Gruppen gevormd onder de benaming Rammkommando Elbe. De meeste van de piloten van deze eenheid waren studenten, allen vrijwilligers, die misschien 1 of 2 solovluchten hadden gemaakt en wiens enthousiasme opgeblazen was door patriottisch toespraken en krijgsmuziek. De eenheid voerde slechts één opdracht uit, op 7 april 1945, met 120 vliegtuigen die opgestegen waren om een geallieerde bommenwerperformatie te onderscheppen. Slechts 15 kwamen er terug.
Er werden 145 Me 109 G's aan het Zesde Jagerregiment te Karlovo van de Koninklijke Bulgaarse Luchtmacht geleverd die werden gebruikt bij de verdediging van Sofia in april 1944.
Er werden een klein aantal Me 109 G-10's aan de Kroatische Luchtmacht geleverd en er was bij JG 52 een kleine Kroatische eenheid ingelijfd als 15Staffel.
In 1944 werden er 15 Me 109 G's vanuit Duitsland naar Slowakije verstuurd en er werden plannen gemaakt voor een nationale productie van de jager. De Avia-fabriek te Praag-Kakovice moest de Me 109 G-14 onder licentie bouwen maar er werd geen enkele machine afgewerkt voor dat de Duitse troepen uit Slowakije waren teruggetrokken. Na de heroprichting van de Tsjechoslowaakse staat werd de bouw van de Me 190 G-14 voortgezet te Kakovice onder de benaming C-10. Er werd eveneens een tweezitter trainingstoestel gebouwd, maar er werden slechts twee exemplaren van deze Avia C-110 afgewerkt. De afgewerkte toestellen ( jager en trainingstoestellen) werden door de Tsjechische Luchtmacht als S-99 en CS-99 in dienst genomen maar het gebrek aan fabrieken voor de DB 605 motoren beperkten de serieproduktie.
De enige alternatieve motor die in voldoende aantallen beschikbaar was de 1.350 pk Jumo 211 F maar deze motor had nieuw ontworpen motorophangingen en een brede paddelvormige propeller nodig. Dit toestel, met de Jumo-motor, werd C-210 'Mezec' genoemd , werd gekenmerkt door slechte besturingskarakteristieken en de landingsprestaties konden hooguit als ' angstaanjagend' te noemen. Niettemin werd het toestel als de S-199 door de Tsjechische Luchtmacht in dienst genomen en ook een tweezitter trainersversie werd als CS-199 in dienst genomen. In maart 1948 werden er een aantal S-210's aan de Israëlieten verkocht die ze tegen de Egyptische Luchtmacht inzetten. Eens te meer kwamen de Messerschmitt en de Spitfire tegenover elkaar te staan, maar de Israëlieten waren ver van tevreden over hun nieuwe aanwinst. Ondanks zijn slechte capaciteiten bleven de S-199 en CS-199 tot in 1957 in operationele dienst bij de Tsjechische Luchtmacht.
![]() |
| Een van de 48 Me 109 G-2's die aan Finland waren geleverd en met succes tegen de Russen werden ingezet. De Finse Luchtmacht had eveneens 109 G-6 ontvangen. |
De Finse Luchtmacht opereerde met 159 Me 109's van de 162 die er werden geleverd, 3 ervan gingen verloren tijdens het overbrengen. In totaal waren er 320 toestellen toegezegd geworden.De modellen die aan de Finse Luchtmacht werden geleverd waren : 48 G-2's (MT-201 tot MT-248), 109 G-6's (MT-401 tot MT-514) en 2 G-8's (MT-462 en MT-483). De 3 machines die onderweg neerstortten waren MT-473, MT-474 en MT-514.
De eerste eenheid die de jager in ontvangst mocht nemen was de elite-eenheid HLeLv 34 onder Major Eino Luukanen met basis te Utti. Tot eind augustus 1944 scoorde deze eenheid 270 overwinningen voor het verlies van 11 piloten en 22 vliegtuigen. De machines werden ingezet van kort nadat ze waren geleverd op 13 maart 1943 tot bij de wapenstilstand op 4 september 1944, bijna 18 maand.
Verschillende squadrons opereerden met een aantal Me 109's. Enkel Fighter Squadron 24 en 34 waren volledig met deze toestellen uitgerust. Later ontvingen ook nog andere eenheden de Me 109, maar dit waren dan verouderde of reeds gebruikte toestellen die in kleine aantallen waren geleverd of bij de terugtocht van de Duitsers waren achtergelaten, te weinig om volledige squadrons uit te rusten.
Door een groot gebrek aan reserve-onderdelen en onderhoudsmateriaal was de Finse Luchtmacht gedwongen om ook oudere en trager vliegtuigen in te zetten zoals de Fokker D.21, Fiat G.50, Morane-Saunier MS 406, Curtiss P-36 en Brewster F2A Buffalo's. Ook de piloten van deze toestellen kregen een groot aantal 'kills' toegewezen die werden behaald tegen de Sowjet-Luchtmacht.
Tegen het eind van de oorlog bleven er 102 toestellen op de inventarislijst van de Finse Luchtmacht. Onder de beste omstandigheden waren er echter nooit meer dan een 50-tal toestellen operationeel op een en dezelfde dag. De laatste vlucht van een Me 109 onder Finse vlag vond plaats op 13 maart 1954 (en was waarschijnklijk ook de allerlaatste Me-109 vlucht in operationele dienst)
In totaal werden er 59 door de Duitsers gebouwde Me 109 G's en ongeveer 700 in Hongarije geproduceerde G's aan de Hongaarse Luchtmacht geleverd. De in Hongarije gebouwde toestellen werden in een fabriek te Gyor en de Hongaarse Wagonwerke te Boedapest gebouwd. De eerste eenheden die met de machine werden uitgerust waren 5/1 en 5/2 Sqdn van de 5/I Jager Groep. In november 1943 werd 5/1 teruggetrokken uit de operaties in Rusland en 5/2 kreeg de naam 102 Onafhankelijk Jachtsquadron. In juni 1944 werd de eenheid uitgebreid tot een Groep van twee Sqdns en er werd een Me 109 G -eenheid, de 101 Jager Groep onder bevel van Oberstleutnant Alador Heppes, opgericht voor de verdediging van Hongarije zelf. Deze eenheid die bekend geraakte als de 'Puma Groep' werd later uitgebreid tot een Regiment van zes Squadrons. Vanaf de lente 1945 schakelden de Hongaarse jagerseenheden over van het onderscheppen van bommenwerperformaties op het aanvallen van Russische grondtroepen. Tegen het eind van maart 1945 werden de eenheden naar Oostenrijk teruggetrokken en tegen april 1945 werden door gebrek aan brandstof de operaties gestaakt.
Er werden 70 Gustavs (voornamelijk G-8's) naar Roemenië geëxporteerd, maar deze strijdmacht was bij het begin van 1944 zo zwak dat het onmogelijk was om met deze een effectieve weerstand tegen de geallieerde strijdkrachten op te bouwen. Er werden eveneens 16 Me 109 G's gebouwd door de I.A.R. fabriek in Brasnov voordat deze werd vernietigd door een geallieerde luchtaanval.
De Spaanse Luchtmacht kan er prat op gaan de Me 109 langer die gelijk welke andere natie in dienst te hebben gehad. De Me 109 B maakte zijn operationeel debuut in maart 1937 in Spanje en de HA 1112-MIL was tegen eind van de 70er jaren nog steeds in dienst (zij het dan in nevenfuncties - tweede lijndienst) Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er 45 Me 109 B's (Spaanse benaming C-4), 15 Me 109 E's ( C-5), 10 Me 109 F's (C-10) en 25 Me 109 G's (C-12) aan Spanje geleverd.
Tegen het eind van de oorlog werden de 25 Me 109 G vliegtuigcellen uitgerust met de 1.300 pk Hispano Suiza 12-Z-89 motor, het eerste toestel -HA 1109-JIL maakte zijn eerste vlucht op 2 maart 1945. De eerste Spaanse productieversie was de HA 1109-KIL vloog in maart 1951. Deze versie vloog met de Hispano Suiza 12-Z-17 motor, er werden ongeveer 200 exemplaren van gebouwd. De HA-1110-KIL, die zijn eerste vlucht maakte in oktober 1953, was een tweezitter trainingsversie en de HA-1112-KIL was uitgerust met een combinatie van raketten en kanonnen.
Nadat de bevoorrading van de Hispano Suiza motoren stokte werden er voor de volgende exemplaren Rolls Royce motoren gebruikt.
De Zwitserse Luchtmacht ontving 12 Me 109 G-6's ter compensatie voor het vernietigen van de Zwitsers van een speciale met radar uitgeruste Me 110 G-4/R7 nachtjager die op 28 april 1944 een noodlanding had moeten uitvoeren in de buurt van Dubendorf. De Me 109 G's werden aan de 7.Fliegerkompagnie toegedeeld en droegen de codeletters J-701 tot J-712 en twee andere toestellen die boven Zwitserland tot landen waren gedwongen werden gekonfiskeerd en kregen de codeletters J-713 en J-714. De toestellen werden maar beperkt gebruikt.
| Afmetingen: | spanwijdte 10,66 m lengte 9,71 m hoogte 2,63 m vleugeloppervlakte 16,20 m² |
|---|---|
| Motor: | 1.475 pk Daimler Benz DB 605 A-1 12 cilinder vloeistofgekoelde motor in lijn |
| Bewapening: | twee 13 mm MB 131 gemonteerd in de motorkap met 300 ppw een 20 mm MG 151/20 kanon gemonteerde op de motor met 150 granaten twee 20 mm MG 151/20 kanonnen in de vleugels met 12 ppw |
| Gewicht: | leeg 2.680 kg beladen 3.160 kg maximaal gewicht 3.409 kg |
| Capaciteiten: | maximale snelheid 620 km/u op 7.000 meter 540 km/u op zeespiegelhoogte stijgen naar 5.800 m 6 minuten hoogteplafond 11.750 m – maximaal 12.120 m bereik 720 km aan 530 km/u op 5.800 m 985 km aan 416 km/u op 5.800 m |
| Afmetingen: | spanwijdte 10,66 m lengte 9,61 m hoogte 2,63 m vleugeloppervlakte 16,20 m² |
|---|---|
| Motor: | 1.550 pk Daimler Benz DB 605 ASCM/ADCM 12 cilinder vloeistofgekoelde in lijn |
| Bewapening: | twee 15 mm MG 151 kanonnen gemonteerd in motorkap een 30 mm MK 103 of 108 kanon vurend door propellernaaf |
| Gewicht: | maximaal beladen gewicht 3.380 kg |
| Capaciteiten: | maximale snelheid 603 km/u op zeespiegelhoogte 723 km/u op 6.000 m |
| Piloot | Geboren op | Gestorven | Eenheden | Eretekens | Score |
|---|---|---|---|---|---|
| Major Horst Adamheit | 8.8.12 | 2.8.44 | JG 54 | RK-EL | 166 |
| Oberstleutnant Heinz Bär | 25.3.13 | 28.4.57 | JG 51, 77, 1, 3 | RK-S | 220 |
| Oberstleutnant Gerhard Barkhorn | 20.3.19 | JG 2, 52, 6, JV 44 | RK-S | 301 | |
| Majoor Wilhelm Batz | 21.5.16 | JG 52 | RK-EL | 237 | |
| Oberleutnant Hans Beisswenger | 8.11.16 | 6.3.43 | JG 54 | RK-EL | 152 |
| Hauptmann Kurt Hans Friedrich Brändle | 19.1.12 | 3.11.43 | JG 53, 3 | RK | 180 |
| Hauptmann Joachim Brendel | 27.4.21 | JG 52, 51 | RK-EL | 189 | |
| Leutnant Peter Dütmann | 23.5.23 | JG 52 | RK | 152 | |
| Major Peter Ehler | 14.9.17 | 4.4.45 | JG 77, 5, 7 | RK-EL | 204 |
| General Major Gordon Gollob | 16.6.12 | JG 3,77 | RK-Br | 150 | |
| Oberst Hermann Graf | 24.10.12 | JG 52, J.Gr 50, JG 11 | RK-Br | 211 | |
| Majoor Anton Hackl | 25.3.15 | JG 77, 11, 26, 300 | RK-S | 190 | |
| Oberleutnant Anton Hafner | 2.2.18 | 17.10.44 | JG 51 | RK-EL | 204 |
| Major Erich Hartmann | 19.4.22 | JG 52 | RK-Br | 352 | |
| Oberleutnant Gunther Jösten | 7.11.21 | JG 52 | 178 | ||
| Hauptmann Joachim Kirschner | 7.6.20 | 17.12.43 | JG 3,27 | RK-RL | 188 |
| Oberleutnant Otto Kittel | 21.2.17 | 14.2.45 | JG 54 | RK-S | 267 |
| Hauptmann Walter Krupinski | 11.11.20 | JG 52, 11, 26, JV 44 | RK-EL | 197 | |
| Hauptmann Emil Lang | 4.1.09 | 3.9.44 | JG 54, 26 | RK-EL | 173 |
| Hauptmann Helmut Lippert | 6.8.16 | JG 52,53 | RK | 203 | |
| Hauptmann Hans-Joachim Marseille | 13.12.19 | 30.9.42 | JG 27 | RK-Br | 158 |
| Major Walter Nowotny | 7.12.20 | 8.11.44 | JG 54, Kdo Nowotny | RK-Br | 258 |
| Oberstleutnant Hans Philipp | 17.3.17 | 8.10.43 | JG 54, 1 | RK-S | 206 |
| Major Gunther Rall | 10.3.18 | JG 52, 11, 300 | RK-S | 275 | |
| Oberleutnant Ernst Wilhelm Reinert | 2.2.19 | JG 77, 27, 7 | RK-S | 174 | |
| Major Erich Rudorffer | 1.11.17 | JG 2, 54, 7 | RK-EL | 222 | |
| Hauptmann Günther Schack | 12.11.17 | JG 51, 3 | RK-EL | 174 | |
| Hauptmann Heinz Schmidt | 10.4.20 | 5.9.43 | JG 52 | RK-EL | 173 |
| Oberleutnant Walter Schuck | 30.7.14 | JG 5, 7 | K-EL | 206 | |
| Oberst Johannes Steinhoff | 15.9.13 | JG 52, 77, 7, JV 44 | RK-S | 176 | |
| Hauptmann Max Stotz | 13.2.12 | 19.8.43 | JG 54 | RK-EL | 189 |
| Hauptmann Heinrich Sturm | ? | 22.12.44 | JG 52 | RK | 158 |
| Oberleutnant Gerhard Tyben | 22.2.22 | JG 3, 54 | 157 | ||
| Major Theo Weissenburger | 21.12.14 | 10.6.50 | JG 77, 5, 7 | RK-EL | 208 |
| Oberst Wolf-Dietrich Wilcke | 11.3.13 | 23.3.44 | JG 52, 3, 1 | RK-S | 162 |
| Afkortingen van de eretekens : RK = Ritterkreuz EL = Eichenlaub S = Schwertern Br = Brillanten | |||||
Bronnen : Aircraft Profile nr. 113 Messerschmitt Me 109 G
Luftkampf zwischen Sand und Sonne (Ring/Shores)
Jagdgeschwader 27 (Ring/Girbig)
Das waren die deutschen Jagdflieger-Asse 1939-1945 (Toliver/constable)
Jagdflieger - die grossen Gegner von Einst (E.H.Sims)
Die Ersten und Die Letzten - Jagdflieger im Zweiten Weltkrieg (Adolf Galland)
Das Dritte Reich - Sonderheft Luftwaffe 1/2
Das Waffen-Arsenal Band 17 'Messerschmitt Me 109'
Air Enthousiast Nov 71
"Die Ersten und die Letzten" Adolf Galland
Foto's : Bundesarchiv Koblenz
Archiv Podzun Verlag
Archiv Ulrich Elfrath