Back to...

 

Messerschmitt
Me 109 F

Me 109 F-4/Trop
Een Me 109 F-4/Trop met een afwerpbare brandstoftank onder de romp. Het toestel draagt het kenteken van II./JG 27 'Afrika'.

Inhoud

gotop   Inleiding

In de lente van 1940 werd een standaard E-versie, W.Nr. 5604, uitgerust met een DB 601 E-1 motor, een nieuwe motorkap en een grotere propellerdop om dienst te doen als prototype voor de F-serie. Door deze modificaties kreeg het toestel een aantrekkelijker en slankere vorm tegenover de standaard E-versie.
Me 109 F prototype
Me 109 V24, Wnr.5604, VK + AB, het prototype voor de Me 109 F, met gestroomlijnde
motorkap en afgeronde vleugeltippen.
De luchtinlaat voor de compressor was opnieuw ontworpen en verder naar voor geplaatst om op die manier het rameffect te vergroten. De propeller zelf was 21 cm in diameter verkleind en er werden voor het eerst ook ondiepe radiatoren onder de vleugels aangebracht. Een andere nieuwigheid was het nieuw ontworpen staartstuk. In deze vorm maakte deze V-machine haar eerste vlucht op 10 juli 1940. Het toestel droeg de code VK + AB.
          Twee andere toestellen, V17 en V18, werden gebruikt voor het testen van de nieuwe vleugel. De vierkante vleugeltippen waren vervangen door afgeronde eenheden en leverden daarmee een grotere spanwijdte. Hoogteroeren van het Frise-type en kleinere kleppen vervingen de van gleuven voorziene besturingsvlakken die bij de Emil werden gebruikt. Andere veranderingen bestonden uit een kleiner staartroer en een volledig intrekbaar landingsgestel. Deze modificaties werden vanaf de pre-produktie Me 109 F A-0 en zijn navolgers in gebruik genomen. Deze toestellen werden aangedreven door een DB 601 N die brandstof van 100 oktaan verbruikte en 1.200 pk leverde. De bewapening van de pre-produktietoestellen en de eerste produktievariant F-1 bestond uit twee 7,9 mm MG 17's in de bovenste motorbekleding en een MG/FF die gemonteerd was tussen de cilinderblokken van de motor. De eerste F-1 modellen bereikten de testeenheden van de Luftwaffe in het begin van 1941.
          Gedurende de testperiode bij de Luftwaffe werden er enkele ongelukken gerapporteerd. Drie toestellen gingen verloren nadat de piloten melding hadden gemaakt van waargenomen vibraties. Bij één van de F-1's was de staart in de lucht afgebroken, de motor was bij het neerstorten tamelijk goed behouden gebleven.
Me 109 F-1
Messerschmitt Me 109 F-1 van III./JG 54 'Grünherz'. Het toestel is pas van een inzet teruggekeerd
en draagt de sporen van de vijandelijke boordwapens in zijn staart. De gepantserde voorruit
waarmee dit toestel hier is uitgerust was geen standaarduitrusting.
Na het onderzoek was de aandacht van de ingenieurs vooral op de verbinding tussen de romp en het staarstuk gericht. Hun argwaan bleek gegrond en men stelde bij onderzoekingen vast dat door het nalaten van het gebruik van de steunstutten van de staartvlakken, die bij de E-versie nog in gebruik waren, er bij de nieuwe staarteenheid een veranderde sterkte – torsie verhouding was ontstaan waardoor er zich bij het bereiken van bepaald toerental van de motor een trillingsfrequentie voordeed die de staartbalken deed scheuren.
          Alle reeds afgeleverde Me 109 F's werden teruggeroepen.
          Na een korte periode werd de F-1 door de F-2 opgevolgd. Het enige opmerkelijke verschil met zijn voorganger bestond in het gebruik van het 15 mm MG 151 snelvuurmachinegeweer dat een vuursnelheid van 950 schoten/min had. Een nieuwigheid bij dit wapen was de electrische afstandsbediening en het electrisch laden. De problemen die het stof in Noord-Afrika en in Zuid-Rusland veroorzaakten zorgden ervoor dat er van de F-2 eveneens een tropenversie werd geproduceerd. In de luchtinlaat van de compressor had men een stoffilter geplaatst, deze bleek later niet krachtig genoeg. De voornaamste oorzaak daarvan lag bij de elleboogvorm van de inlaat. Een andere versie van de F-2, de F-2/Z had een GM-1 installatie.
          In het begin van 1942 verscheen de derde hoofdvariant, de Me 109 F-3. Deze F-3 werd aangedreven door een DB 601 E motor die met B2 brandstof van 87 oktaan vloog. Zijn bewapening was gelijk aan deze van de F-2. Zijn maximale snelheid lag bij 620 km/u op 6.710 m hoogte, het bereik bij 700 km. De maximale stijgsnelheid bedroeg 1.012 m/min op 1.524 m en het hoogtplafond lag op 11.280 m.
          De Me 109 F-1 en F-2 hadden tegenover de Spitfire V, die toen bij de RAF in gebruik was, superieure grote-hoogtepresaties. Hun besturingscapaciteieten waren over het algemeen uitstekend te noemen en de toestellen waren door de manschappen van JG 26 aan de Kanaalkust goed ontvangen. De technische officieren hadden gerapporteerd dat de Me 109 F, die bij het bochtenwerk de Spitfire als zijn meerdere moest erkennen, over betere klimcapaciteiten beschikte dan de Britse jager. Voor de eerste maal waren de Luftwaffe-piloten in staat om bij het klimmen de tegenstander het nazicht te geven. Er werd echter ook verontrustende karakteristieken vastgesteld : bij duiksnelheden van 500 km/u en meer stelde men vast dat de hoogteroeren een draai-effect veroorzaakten dat enkel kon opgevangen worden met beide handen, en soms ook met de knieën, aan de stuurknuppel. Bij snelle bochten en bij het met grote snelheid optrekken uit een duikvlucht stelde men vast dat er zich soms rimpels vormden in de vleugels en bij zware landingen achter de cockpit in de romp.

gotop   Bewapening

Een oorzaak voor grote onenigheid vormde echter de bewapening van de F-serie. De Me 109 E-4 die lange tijd de hoofduitrusting van de dagjachteenheden van de Luftwaffe was geweest, voordat hij door de F-serie werd verdrongen, had een bewapening die bestond uit twee MG 17's op de motor en twee 20 mm MG FF's in de vleugels. De verminderde bewapening van de F was met tegenstrijdige gevoelens door de piloten ontvangen. Walter Oessau van JG 2 weigerde maanden lang om met de F-versie te vliegen.
Werner Mölders
Oberst Werner Mölders (links).
Hij was Kommodore van JG 51
aan het Oostfront (Mitte) toen
hij op 22 november 1941 viel.
Er stonden toen 115 overwinnings-
balken op zijn staartroer.
JG 51 werd daarna JG 51' Mölders'.
Oberstleutnant Werner Mölders, Kommandeur van JG 51 verwelkomde de nieuwe neusbatterij van de F-serie. Hij was van mening dat een gecentraliseerd wapen in de neus er twee in de vleugels waard was. Generaal Udet was het daarmee eens. Adolf Galland hield vol dat één enkel kanon volstrekt ontoereikend was. Hij was reeds van voorheen de overtuiging toegedaan dat MG's met geweerkaliber tot het verleden behoorden en van twijfelachtige bruikbaarheid waren bij jager-jagergevechten. Tegen tweemotorige bommenwerpers waren ze volledig ontoereikend. Galland was van oordeel dat bij het voortschrijden van de oorlog de standaardtrainingen die de piloten moesten ondergaan onvermijdelijk aan effectiviteit zouden inboeten en niet zouden volstaan om goede jachtpiloten te vormen. Hij was het er over eens dat één enkel centraal gemonteerd kanon voor legendarische Asse als Mölders wel voldoende kon zijn maar dat dit voor onervaren piloten zeker niet het geval was. De onvoldoende getrainde piloten van 1942 – 1943 zouden indien ze successen wilden kunnen behalen zoveel wapens nodig hebben als ze maar enigszins konden krijgen.
         Bij de nieuwe variant van de F-serie, de F-4, was de 15 mm MG 151 vervangen geworden door een 20 mm kanon. Als alternatieve bewapening voor de Me 109 F-4/R1 waren twee 20 mm MG 151's voorzien die onder de vleugels in gondels waren gemonteerd. Terwijl deze laatste modificatie van de Me 109 F een echte tegenstander voor tweemotorige bommenwerpers maakte begon daarmee terzelfdertijd de teruggang van de Me 109 als zuiver jachtvliegtuig.
         De Me 109 F-4/B variant was een jachtbommenwerper die een bom van 250 kg of vier bommen van 50 kg kon meevoeren. De jabo's van JG 2 en JG 26 bestookten in de zomer van 1942 de verdediging van de Britse zuidkust en veroorzaakten door hun acties spanningen en barsten in deze verdediging.
         De F-5 was uitgerust als lange-afstandverkenner met een verminderde bewapening (enkel nog twee MG's) en voorzien van een afwerpbare brandstoftank van 300 l. De F-6 was een verbeterde bewapende verkenner die in plaats van zijn radio-uitrusting met een RB 20/30, Rb 50/30 of een Rb 75/30 camera was uitgerust.

gotop   De Me 109 F in dienst bij de Geschwadern

Alhoewel de Me 109 F niet in zulke grote aantallen is gebouwd geworden als de latere G-serie en hij tegen eind van 1942 bij de frontlijneenheden reeds aan het einde van zijn operationele carrière stond, er verbleven toen nog slechts een 90-tal toestellen bij de fronteenheden, was hij door bijna elk Duits Jagdgeschwader aan alle fronten ingezet geweest en had het merendeel van de Jagd-Asse op het toestel gevlogen.
         In het begin van 1941 werd de Geschwader Stab van III./JG 26 heruitgerust met de F-2, en de commandant van de eenheid, Adolf Galland, was juist aan een lange reeks van overwinningen begonnen. Op 1 april was Galland met zijn Rottenflieger Oberfeldwebel Robert Menge ( gevallen op 14 juni 1941 met 18 overwinningen op zijn naam) onderweg op een leveringsvlucht van Düsseldorf naar Brest. In Le Touquet maakten ze een tussenlanding en maakten daar van de gelegenheid gebruik om een 'trip' naar Zuid-Engeland te maken. Daarbij haalden beiden elk een Spitfire neer. Na hun terugkomst vlogen ze verder naar Brest om zich bij hun eenheid te voegen. Op 15 april kon Galland drie verdere overwinningsbalken op zijn staartvlak laten schilderen nadat hij bij een vlucht boven Dover drie Spitfires had neergehaald. Bij deze gelegenheid was hij vergezeld geweest van Oberfeldwebel Hans-Jürgen Westphal.

gotop   Het Oostfront

Op 22 juni 1941 om 03.15 Hr begon over een front van een paar duizend kilometer de aanval tegen de Sowjetunie. Luftflotte V in Noord-Noorwegen stond onder bevel van Generaloberst Stumpf. De enige jagerseenheid waarover hij beschikte was 13./JG 77 uitgerust met Me 109 E's.
Gunther Lützov
Oberst Gunther Lützov.
Hij was Kommodore van JG 3 en later
van JV 44. In Spanje had hij gevochten
in de rangen van J/88 waar hij
5 overwinningen behaalde.
Lützov werd op 24 april 1945
vermist gemeld en had toen 110 over-
winningen op zijn naam staan.
Hij was drager van het
Ritterkreuz mit Eichenlaub und
Schwertern.
Luftflotte I in Noord-Rusland stond onder bevel van General Alfred Keller en beschikte onder andere over JG 54 met Major Johannes Trautloft als commandant. I., II. en III./JG 54 waren uitgerust met Me 109 F's en enkele E's. Luftflotte II in Centraal-Rusland met Generalfeldmarschall Albert Kesselring als commandant beschikte over een groter aantal jachtvliegtuigen. Twee Gruppen van JG 27, die onder bevel stonden van Major Wolfgang Schellmann, waren uitgerust met Me 109 E's, JG 51 onder bevel van Werner Mölders beschikte over vier Gruppen uitgerust met Me 109 F's en JG 53 'Pik As' onder bevel van Major Gunther von Maltzahn beschikte eveneens over drie met Me 109 F uitgeruste Gruppen. Luftflotte IV van General Alexander Löhr was verantwoordelijk voor Zuid-Rusland en de Krim-sector. Daar beschikte JG 3 'Udet' onder bevel van Major Gunther Lützov over twee Gruppen met Me 109 F's. Andere eenheden aan het Zuid-Russische front waren twee Gruppen van JG 52 onder bevel van Major Hans Trubenbach, twee Gruppen van JG 77 onder bevel van Major Gotthardt Handrick en I./LG(J) 1. Deze eenheden waren uitgerust met Emils.
          Tijdens de eerste dag van de operaties werden niet minder dan 1.811 Sowjet-vliegtuigen als vernietigd gemeld voor 32 verloren toestellen van de Luftwaffe. Met uitzondering van 322 toestellen waren alle Russische toestellen aan de grond vernietigd. De Duitse jachteenheden hielden hun scores hoog en vernietigden alleen al op 30 juni 114 Russische vliegtuigen. De beste onder hun piloten was Werner Mölders die op deze datum voor zich alleen al vijf vijandelijke toestellen opeiste, zijn 78ste tot 82ste overwinning. Hauptmann Hermann-Friedrich Joppien en Leutnant Heinz Bär vernietigden eveneens elk vijf vliegtuigen en JG 51 kon sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog als eerste zijn duizendste overwinning melden. Op dezelfde dag schoten de piloten van JG 54 'Grünherz' 60 Sowjet-bommenwerpers neer in het gebied van de Düna-bruggen. Op 1 augustus schoot Oberleutnant Scholtz van JG 54 het 1.000ste toestel voor zijn eenheid neer. JG 53 'Pik As' had de dag ervoor zijn 1.000ste overwinning gemeld. Op 15 augustus zorgde Oberfeldwebel Hans Stechmann er voor dat met zijn drie overwinningen van die dag ook JG 3 'Udet' in de 'Club van de Duizend' werd opgenomen. Stechmann behoorde tot III./JG 3.

gotop   Strijd aan het Kanaal

Ondertussen verbleven er aan de Kanaalkust slechts twee Jagdgeschwadern die het tegen de RAF moesten opnemen. Deze waren de elite-eenheid JG 26 'Schlageter' en JG 2 'Richthofen'. JG 2 beschikte over twee Gruppen Me 109 F-1's en F-2's. I./JG 26 opereerde met F-4's en III./JG 26 bezat een mengeling F2's en F-4's. Hier aan de Kanaalkust was Leutnant Josef 'Pips' Priller, Staffelkapitän van 1./JG 26 en later Geschwader Kommodore, één van de regelmatigste 'killers'. In juni 1941 nam hij acht vijandelijke vliegtuigen voor zijn rekening en twaalf in juli. Eén van deze overwinningen werd behaald op een Spitfire V van No. 72 RAF Sqdn gevlogen door Sgt. W.M.Lamberton.
Terugkeer
Een Me 109 F bij zijn terugkeer van een succesrijke inzet.
Priller plaatste bij deze gelegenheid treffers in de cockpit en de motor van Lambertons machine zodat deze gedwongen werd om te springen. Het was 'Pips' 40ste overwinning. Ze had hem 125 patronen van zijn MG's en 76 MG FF-granaten gekost. Lamberton werd op 14 juli neergehaald en dit betekende de 54ste overwinning van de Staffel, de 162ste van de Gruppe en de 653ste van het Geschwader.
          Er wordt aangenomen dat de eerste Me 109 F werd neergeschoten boven Engeland, op de avond van 11 mei 1941 door een Sgt.Pilot van No. 91 RAF Sqdn die met een Spitfire, VB W3126, vloog. Op 10 juli 1941, juist een jaar nadat de eerste experimentele vluchten hadden plaats gevonden, bekwam de RAF haar eerste operationele en vliegklare Me 109 F in handen. Hptm Rolf Pingel, Gruppenkommandeur van I./JG 26 werd op deze datum verplicht met zijn F-2 bij Dover een noodlanding uit te voeren wegens motorpech. Zijn nog intacte toestel werd snel ingeschakeld in een testprogramma bij de RAE te Farnborough maar stortte kort daarna neer en werd daarbij volledig vernietigd.
          De eerste meermotorige bommenwerper die onder de wapens van JG 26 viel werd neergeschoten op 18 juli. Feldwebel Ernst Jäckel van 2./JG 26 schoot toen een Short Stirling neer langs de kust van Kent. Bij deze actie verbruikte hij 96 granaten en 679 MG-patronen.
          In de nacht van 11/12 februari 1942 begonnen de Duitse zware kruisers Scharnhorst en Gneisenau, beiden 26.000 brt, aan hun doorbraak door het Kanaal. Bij deze operatie, waarbij de beide schepen zich van Brest naar de veiliger havens van Kiel en Wilhelmshaven begaven, werden ze geëscorteerd door zeven destroyers en een aantal lichtere escortevaartuigen. Als luchtdekking beschikte Adolf Galland, zopas benoemd tot Jagdflieger-Inspector, over 252 jachtvliegtuigen. JG 2 leverde 90 Me 109 F-4's, III./JG 26 had ongeveer 30 Me 109 F4's. De rest van het Geschwader opereerde met de FW 190 A-2. 60 Me 109 F-4's werden bij JG 1, die zijn basis had in de Duitse Bocht, vrijgemaakt. Ook de Jagdfliegerschule bij Parijs leverde een dozijn Me-toestellen. Er werden 30 Me 110 nachtjagers voorzien voor operaties bij schemering en dageraad. De ganse operatie werd zowel voor de Kriegsmarine als voor de Luftwaffe een klinkend succes. Tijdens de ganse doorbraak waren er bijna voortdurend luchtgevechten gevoerd boven de scheepseenheden. Daarbij werden er 49 RAF-toestellen als zeker vernietigd vermeld en 13 'waarschijnlijke'.
          Op 10 maart gaf de bevelvoerende generaal van Luftflotte III, General Hugo Sperrle, het bevel voor het vormen van een Jabo-Staffel binnen JG 2 en JG 26. Op gebied van organisatie was dit gemakkelijk te regelen daar er bij JG 2 reeds een 10./JG 2 bestond die op 10 november 1941 was gevormd en onder bevel van Hauptmann Frank Liesendahl stond. Op 26 juni 1942 had deze eenheid reeds een totaal van 20 vernietigde schepen gemeld met ongeveer 63.000 BRT. De activiteiten van de jachtbommenwerpereenheid waren vooral tegen Britse kustvaartuigen geconcentreerd. 10./JG 2 die met de Me 109 F-4 opereerde voerde tussen 19 april en 18 juni 32 raids uit. De doelen waren: schepen (6), spoorweg-installaties (8), fabrieken (5), gaswerken (2), troepeninstallaties (8), haveninstallaties (8) en één actie tegen 'een gelegenheidsdoel' die aanzien werd als een 'verkenning met bommen'. In deze periode werd 10./JG 2 aangevoerd door Hauptmann Karl Plunser. Bij een aanval op 24 april tegen een gaswerk te Folkstone leed de eenheid haar eerste verlies. Feldwebel Hans-Jürgen Frölich, Rottenflieger van Lt. Hans Ragotzi, had goede treffers kunnen plaatsen met twee SC 250 kg bommen maar toen hij zich van zijn aanval terugtrok werd zijn vliegtuig zwaar door de luchtafweer getroffen.
          Later in juni werden de twee jabo-Staffeln met FW 190's uitgerust. De acties die deze eenheden uitvoerden vormden een bedreiging voor het moreel van de burgerbevolking en waren bijna onmogelijk op te vangen, zelfs nadat de RAF vaste patrouilles had ingevoerd. Deze verrassingsaanvallen bleven voortduren tot aan het eind van 1942, toen werden de jabo-Staffeln ontbonden daar men dringend behoefte kreeg aan onderscheppingsjagers.

gotop   Naar Noord-Afrika

In december 1941 werd Luftflotte II overgeplaatst naar het Middellandse Zeegebied.
Terugkeer
Hans-Joachim Marseille in september 1942.
Hij kreeg de bijnaam van 'Ster van Afrika' wegens
zijn buitengewone capaciteiten als jachtvlieger.
Marseille viel op 30 september 1942 toen hij wegens
een defecte motor moest uitstijgen en daarbij door
het staartstuk van zijn toestel werd geraakt.
(Foto: Jagdgeschwader 27)
De bedoeling daarvan was een einde maken aan de bedreiging van de konvooiroutes naar Noord-Afrika door het uitvoeren van aanvallen op Malta en het verdrijven van de Britse Commonwealth Strijdkrachten uit de Westelijke Woestijn en Noord-Afrika. De volledige getalsterkte van JG 53 'Pik As' en II./JG 3 'Udet' namen hun posities in op de voorste vliegvelden van Sicilië en verbleven daar tot mei 1942. II./JG 3 en I./JG 53 begaven zich dan terug naar Rusland. III/JG 53 ging de drie Gruppen van JG 27 in Noord-Afrika versterken. In de rangen van 3./JG 27 was er een jonge piloot die misschien de beste piloot was van alle jagerspiloten die ooit op de Me 109 F gevlogen hebben. Zijn naam Hans-Joachim Marseille. Hij stierf in Afrika op 30 september 1942 met 158 overwinningen op zijn naam. Er bestonden twistpunten rond de verbazend hoge score die deze jonge piloot van amper 22 jaar opeiste, maar zelfs als de details van zijn carriére werden verwrongen door de propaganda kon er geen twijfel over bestaan dat hij een geboren jachtpiloot was die er in slaagde in een zeer korte periode een bemerkenswaardig hoog aantal tegenstanders neer te halen. Eén van de meest bekende acties die hij uitvoerde vond plaats op 3 juni. Toen schoot hij als Oberleutnant en Staffelkapitän van 3./JG 27 zes toestellen neer in een gevecht dat slechts elf minuten duurde. Het waren toestellen uit een formatie van P-40 Tomahawks van No. 5 RAAF Sqdn dat onder bevel stond van Major John E. Forest. De SAAF gaf later het verlies toe van vijf P-40's. Marseille vloog zijn 'Gele 14', een Me 109 G-2 W.nr. 14256. Drie dagen later kreeg posthuum hij het Eichenlaub zum Ritterkreuz.

gotop   Asse in het Oosten

In tussentijd in Rusland. Vele piloten hadden aan het Oostfront hun score steeds verder opgedreven terwijl ze op de Me 109 F vlogen. Op 20 mei 1942 scoorde Major Gordon Gollob, Kommodore van JG 77, zijn 100ste overwinning met een Me 109 F-4 Wnr. 10253, en was daarmee de 10de Luftwaffe-jachtpiloot die deze grens behaalde. 9./JG 52 die verder zuidelijk opereerde, aangevoerd door Hermann Graf, maakte in 17 dagen, tussen 24 mei en 14 juni, aanspraak op 42 overwinningen. Op 14 mei brachten niet minder dan 7 overwinningen de score van Graf op 104. Daardoor was hij de zevende 'honderdman'. Zijn Rottenflieger Leopold Steinbatz behaalde in de maand mei 35 overwinningen en bekwam als eerste niet bevelvoerende piloot het Eichenlaub mit Schwerter zum Ritterkreuz. Andere prominente leden van de Staffel waren Oberfeldwebel Fullgrabe en Süss en de Feldwebel Alfred Grislawski.
          De negende piloot die de grens van 100 overwinningen bereikte was de Gruppenkommandeur van IV./JG 51 'Mölders' , Heinz Bär. Hij scoorde zijn 100ste overwinning op 19 mei. In de noordsector scoorde ook JG 54 'Grünherz' grote overwinningen in de maand mei. Op 12 mei bereikte de Staffelkapitän van 7./JG 54, Oberleutnant Max Hellwig Ostermann zijn 100ste overwinning. Leutnant Hans Gütz van 2.JG/54 schreef in mei 25 overwinningen op zijn naam en Oberleutnant Heinrich Jung, Staffelkapitän van 4./JG 54 behaalde er 18 in mei.
          Gedurende de zomer van 1942 vlogen verschillende piloten met hun Me 109 F geïmproviseerde nachtvluchten. Een handvol officieren bewezen met veel succes hun kunnen bij deze acties : Hans-Joachim Wandel, Staffelkapitän van 5./JG 54 behaalde niet minder dan 16 overwinningen in nachtelijke acties. De beste bij dit soort aanvallen was Oberleutnant Erwin Leykauf die zes overwinningen behaalde in de nacht van 22 op 23 april 1942.

gotop   Experimenteel nageslacht

Vanaf het ogenblik dat de eerste Me109 F serie in produktie werd gesteld werd het werk aan de verderontwikkeling voorgezet en daaruit kwamen een aantal interessante projecten van F-varianten voort. De Me 109 G en H series waren parallelle ontwikkelingen. De H moest een grote-hoogtejager worden die op de F-uitvoering was gebaseerd. De ontwikkeling ervan startte in het begin van 1943 en de Me 109 H V1 werd na het uitvoeren van de fabriekstesten in de herfst overgebracht naar de E-stelle Rechlin. Later werd dit toestel overgebracht naar de DB-fabrieken in Echterdingen voor ontwikkelingtesten met de motor. Het toestel werd bij een luchtaanval in augustus 1944 tezamen met een buitgemaakte Spitfire V die met een DB 601 motor was uitgerust vernietigd.
          Het prototype voor de H-0 was een gemodificeerde F-variant. De spanwijdte van de H-0 bedroeg 12,23 m en werd bereikt door het installeren van een rechthoekige sectie aan de vleugelwortel. De DB 601 E motor was uitgerust met GM-1. De bewapening bestond uit twee MG 17's en een MK 108 die door de propelleras vuurde.
Me 109
Midden 1942 kwam de nieuwe Daimler Benz DB 605 A, die 1.475 pk leverde, ter
beschikking. Men installeerde deze motor in een F-cel wat tot het ontstaan van de
G-serie voerde. Met de nieuwe motor konden de prestaties nog maar eens opgedreven
worden, ten nadele van andere technische eigenschappen. Zo was het bereik, en daar-
mee de gevechtsreserve, nog maar eens kleiner geworden en had daarmee zijn laagste
waarde bereikt. De grenzen van de modificatiemogelijkheden werden zichtbaar. Tenslotte
was de Me 109 oorspronkelijk ontworpen voor een startgewicht van ongeveer 2.200 kg
- nu had zijn gewicht bijna 3.500 kg bereikt. (een feit waarmee ook de laatste versies van
de Spitfire, wiens prestaties tegenover de Messerschmitt sterk overroepen waren,
te maken kreeg). Het voornaamste uiterlijke verschil van de eerste G-versies tegenover
de F-versie was het gepantserde windscherm.
Alhoewel het toestel nu 3.808 kg woog bereikte het een snelheid van 745 km/u en kon opereren tot op een hoogte van 14.200 m. De H-0 machines werden in Frankrijk getest onder operationele omstandigheden maar er moest voor verschillende problemen een oplossing gevonden worden. Vooral een fladderen van de vleugels zorgde voor problemen. De gekozen oplossingen leidden tot structurele fouten en de testen werden opgeschort. Er werd een klein aantal H-1 produktietoestellen afgewerkt en deze vlogen in 1944 verschillende verkenningsopdrachten boven Engeland. Voorgestelde ontwikkelingen van de H-serie waren de H-2 en H-5 die moesten aangedreven worden door respectievelijk de Jumo 213E en de DB 605.
          Een andere ontwikkeling die afgeleid was uit de Me 109 F was de Z Zwilling. Dit toestel, dat als prototype in 1942/43 gebouwd werd, bestond uit twee F-rompen die verbonden waren door een vleugelmiddelstuk en een staartvlak. Als motoren waren er twee DB 601 E ingebouwd. Waarschijnlijk heeft het prototype nooit gevlogen.
          Er werd een groot aantal Me 109 's gebruikt voor experimentele doeleinden en daaronder bevonden er zich een aantal interessante F-modificaties. Eén van de vroegste projecten was de Me 209. Het prototype Me 109 F-1 V13 was om die reden gemodificeerd met een breedspoor landingsgestel dat voorzien was om bij de Me 209 in gebruik te worden genomen. Dit was een superieure verbetering tegenover de gebruikelijke smalspoor landingsgestellen die normaal bij de Me 109's werden gebruikt en de oorzaak waren dat er veel toestellen bij het landen beschadigd werden. Een latere aanpassing was een gestroomlijnde bescherming van de vleugelvoorrand die voorzien was voor de installatie van kanonnen, de voor de Me 209 voorziene bewapening. Nadien werd de V13 gebruikt in verbinding met de Me 309. De originele Versuchsmachine van de F-serie werd gebruikt voor het testen van het koelsysteem in de windtunnel van Göppingen. CE+EP Wnr 5603 werd gebruikt voor het testen van een landingsgestel met neuswiel, voorzien voor de Me 309, en nadien gebruikt voor het testen van een dubbel neuswiel zoals dit dat werd gebruikt voor de Me 264 bommenwerper. De Me 109 F V30 ND+IE en V30a ND+IF werden gebruikt voor de testen van de drukkabine die eveneens voor de 309 voorzien was. Het volledige Me 309 programma werd op een later tijdstip geschrapt toen men merkte dat dit toestel geen verbeteringen bracht tegenover de latere Me 109 varianten.

gotop   Het Beethoven-Gerät

Geen enkele beschrijving van de carriére van de Me 109 zou volledig zijn zonder de vermelding van de meest gedurfde en besproken 'compositie' die bekend werd als 'Beethoven-Gerät of Mistel'. De oorspronkelijke officiële benaming was Beethoven-Gerät en werd later veranderd in Mistel-Program. In zijn originele vorm had dit project zijn samenstelling te danken aan zweefvliegtuigexperts en bestond uit een vertikale verbinding tussen een sleepvliegtuig en een vrachtzweefvliegtuig. De eerste onderzoeken waren uitgevoerd met de DFS 230 en een Me 109 E-3. Daarbij was de Me 109 E-3 boven op het zweefvliegtuig gemonteerd. De combinatie was in staat op eigen kracht te starten, vliegen en landen.
          De mogelijkheid om deze combinatie als wapen in te zetten was afgekeken van rapporten over Japanse Kamikaze-operaties in de Pacifiek.
Me 109
Een voorbeeld van Mistel of Beethoven-Gerät. Hier bestaat de
combinatie uit een Me 109 E-4 en en Ju 88 A-4.
Junkers begon aan het ontwikkelen van het programma en ontwierp daarbij een systeem voor het besturen van beide vliegtuigen en voor het ontkoppelen van het onderste vliegtuig vanuit de cockpit van het bovenste toestel. De eerste geproduceerde versie bestond uit een combinatie van een Me 109 E-4 gemonteerd op een gemodificeerde Ju 88 A-4. Er werden vijftien pre-produktie-exemplaren gebouwd. Voor het modificeren van de Ju 88 werd deze vanuit de Junkersfabriek te Leipzig overgebracht naar Merseburg. De oorlogskop van 3.500 kg werd nadien in Nordhausen geïnstalleerd. De combinaties werden ingezet in Normandië, kort na de landing en schijnen daarbij enkele successen te hebben behaald. De basisgegevens van de combinatie Me 109 E/Ju 88 A waren als volgt : Totaal gewicht 16.800 kg, kruissnelheid 448 km/u, maximale snelheid 480 km/u, bereik tussen 670 en 700 km, duur van de vlucht ± 96 min, bereik van het bovenste toestel (terugvlucht) 792 km.
          De Ju 88 droeg twee brandstoftanks van 420 l en twee tanks van 425 l voor eigen gebruik. Voor de heenvlucht droeg de Ju 88 bovendien nog een brandstoftank van 1200 l voor de Me 109. De Me 109 bezat voor de terugvlucht zelf een interne brandstoftank van 400 l en een afwerpbare brandstoftank onder de romp van 300 l. Het loskoppelen van het onderste vliegtuig van de combinatie gebeurde gewoonlijk op een hoogte tussen 1.000 en 3.000 meter. Dan dook de Ju 88 met een snelheid van 592 km/u op zijn doel af.

gotop   Vreemde eenheden

De Me 109 F werd ook in beperkte aantallen aan de As-satelieten Italië en Hongarije geleverd. In oktober 1942 volgde een flight van 1/1 Jagersquadron van de Hongaarse Luchtmacht een vliegcursus op de Me 109 en werd afgedeeld bij een Duits JG in het gebied bij Stalingrad. In overeenkomst met de Duitse autoriteiten werd 5/1 Jagersquadron heruitgerust met Me 109 F en G's en kwam onder bevel van de Luftwaffe te staan. 5/1 werd overgeplaatst naar Stary Oskol en 5/2 ging naar Uman voor omscholing. Aanvankelijk vormden de Hongaren een aparte Gruppe aan het Russische Front en waren afhankelijk van III./JG 51 maar deze 'Puma' Gruppe pas zijn eerste gevechten in juni 1943, lang nadat Stalingrad terug in Russische handen was.
          In het begin van 1943 waren twee Gruppi van de Regia Aëronautica, de 3de en 150ste, uitgerust met de Me 109 F-4's, een mengeling van F-4/R's en F-4/R1's.

 

Bron : Aircraft Profile nr. 184 Messerschmitt BF Me 109 F
Jagdflieger-Asse - Die Große Gegner von Einst (Edward H. Sims)
Die Ersten und Die Letzten - Jagdflieger im Zweiten Weltkrieg (Adolf Galland)
Das waren die deutschen Jagdflieger-Asse 1939-1945 (Tolliver/Constable)
Jagdgeschwader 27 - Eine Documentation über den Einsatz an allen Fronten 1939-1945 (Ring/Girbig)
Holt Gartmann vom Himmel - Geschichte des erfolgreichtse Jagdflieger der Welt (Tolliver/Constable)
Luftkampf zwischen Sand und Sonne (Ring/Shores)
Das Dritte Reich - Sonderheft Luftwaffe 1/2
Messerschmitt Me 109 - Das Waffen-Arsenal Band 17
Air Plane Nr. 154 - Messerschmitt Bf 109
Luftfahrt International nr. 25 - 26 - 27 3100-100-8

Top
TOP

Go to...  Messerschmitt Me 109 F Foto's (1)

Go to...  Messerschmitt Me 109 F Foto's (2)

Go to...  Messerschmitt Me 109 F Camouflage

Go to...  Messerschmitt Me 109 E Emil

Go to...  Messerschmitt Me 109 Jabo

Go to...  Messerschmitt Me 109 G Gustav

Go to...  Messerschmitt Me 109 G2 Jabo

Go to Luftwaffe  ---- Update okt 2006 Go to RAF  ----  Update 13 jan 2003 Go to USAAF ---  Update apr 2002


Valid HTML 4.0 Transitional

Informatie

email

Gastenboek

http://www.luchtoorlog.be