Back to...

 

Messerschmitt
Me 109 B - C

Ar 234 V9
Me 109 B's in parade-opstelling. Deze toestellen waren bewapend met
drie 7,9mm MG 17's.

Inhoud

gotop  Inleiding

In februari 1937 had de gewone Ausburger, bij zijn "Tassen Kaffee" in de Köningsbrau op de Adolf-Hitler Platz, er geen enkel benul van dat er op enkele kilometers van waar hij zat een bijzondere gebeurtenis plaats vond die van een immense betekenis zou blijken te zijn. Een gebeurtenis waarvan men zelfs bij de jonge Luftwaffe van het Dritte Reich niet onmiddellijk de draagwijdte kon inschatten, maar die toch het begin betekende van het Duitse overwicht in een levensbelangrijke categorie gevechtsvliegtuigen – de éénzitter-jager. Naast de fabriekshallen van de Bayerische Flugzeugwerke, op het kleine vliegveld tussen Augsburg en Haunstetten, stond het eerste produktie-exemplaar van de nieuwe, met in bepaalde bereiken radikale jager, de Messerschmitt Bf Me 109 klaar om zijn overnamevlucht uit te voeren en aan de Luftwaffe overhandigd te worden.
          Deze gebeurtenis die werd bijgewoond door Robert Ritter von Greim, General der Jagdflieger, en door Oberst Ernst Udet die, 18 maand voordien bij het zien van het eerste prototype van de Bf Me 109 had gezegd: " Uit dit toestel kan er nooit een jager worden."– volgde op een hardomstreden competitie met een andere kandidaat voor de Luftwaffe-bestellingen, de Heinkel He 112. Deze competitie, waarbij men in het verloop ervan de vorderingen van de Bf Me 109 van outsider tot onbestreden favoriet had kunnen volgen, was het voorwerp geworden van onenigheid tussen de regerings- en industriële kringen. Elk van de beide deelnemers had zijn uitgesproken voorstanders, en deze voorstanders hadden niet geaarzeld om ook hun stem te verheffen. De onderlinge verdeeldheid werd op geen enkel punt verzacht wegens de intense persoonlijke afkeer die er bestond tussen Willy Messerschmitt en Ernst Heinkel.
Heinkel He 300
De grote concurrent voor de Me 109, de Heinkel He 112. Dit toestel was een aërodynamisch
afgewerkte laagdekker met intrekbaar landingsgestel en gesloten cockpit.
Hier een toestel van de A-serie.
          De selectie van de Bf Me 109 was het onderwerp geworden van veel ongunstige kritiek die voornamelijk het resultaat was van persoonlijke vooroordelen en jaloezie. Messerschmitt's team was er echter van overtuigd dat – van op die dag in het begin van september 1935 toen hun chef-testpiloot Hans D. "Bubi" Knoetsch voor de eerste maal was opgestegen met het eerste prototype van de Bf Me 109 vanaf hetzelfde kleine vliegveldin Beieren – het toestel de kenmerken van een volbloed bezat. De V1 was in feite een afleiding van de Bf Me 108 Taifun, een vierpersoonsvliegtuig, en bleek een kleine hoekige laagdekker te zijn met een intrekbaar landingsgestel, neusvleugelkleppen en een gesloten cockpit. De bedoeling was dat het toestel uitgerust zou worden met de Jumo 210 A motor, maar daar deze voor het prototype niet beschikbaar was werd een Rolls-Royce Kestrel VI van 695 pk gebruikt. Nu stond het toestel tegenover zijn grootste test – de gevechtsdienst. De jager van Messerschmitt kon het zich niet veroorloven om de normale, gebruikelijke procedure van ontwikkeling voor volledig nieuwe gevechtsvliegtuigen te doorlopen. De onvermijdelijke kinderziektes en rimpels moesten weggewerkt worden onder echte operationele omstandigheden.
          Toen het eerste produktie-exemplaar van de jager, de Bf Me 109 B-1*, de montagelijn te Augsburg-Haunstetten in februari 1937 verliet was het Luftwaffe Geschwader, JG 132 Richthofen aangeduid om als eerste eenheid de nieuwe jager in ontvangst te nemen. De eenheid had terzelfdertijd de opdracht gekregen om de Bf Me 109 klaar te stomen tot gevechtsniveau. De bedoeling was dat de II. Gruppe te Jüterborg-Damm als eerste met het nieuwe toestel zou worden uitgerust, kort nadien gevolgd door de I. Gruppe te Döberitz. Maar de heruitrusting van tenminste een gedeelte van de Jagdgruppe 88, die in Spanje aan de zijde van Franco vocht, kreeg voorrang. Dit was noodzakelijk geworden door het feit dat de Russische I-15 en I-16's de overhand schenen te halen tegenover de He 52's waarmee de Gruppe was uitgerust. Bovendien bood het Spaanse conflict aan de Luftwaffe een uitstekende gelegenheid om zijn nieuwe jager onder gevechtsomstandigheden te evalueren en terzelfdertijd nieuwe geschikte operationele taktieken te ontwikkelen. Na een haastige omscholingscursus werd het personeel van II./JG 132 naar Spanje overgeplaatst, vanaf april 1937 kwamen de eerste Bf Me 109 B-1's daar toe. Deze werden aan de 2./JG 88 toegewezen.
Me 109 B-1
Me 109 B-1. Terwijl de Me 109 B-0 modellen bij de eenheden verbruikt werden bij het testen
handelde het zich bij de B-1 om een echte serie-machine die reeds met de Jumo 210 D was
uitgerust. Deze motor leverde 650 startpk. Deze kracht kon echter niet volledig benut worden daar
de B-1 nog altijd uitgerust was met een vaste houten tweeblad propeller. De bewapening bestond
uit drie 7,9 mm machinegeweren waarvan er twee gesynchroniseerd door de propeller vuurden.
<
          De Bf Me 109 B-1 berokkende geen ernstige problemen ondanks zijn aanzienlijk hogere snelheid en de zeer verschillende karakteristieken van de bediening die nog ongewoon waren voor de piloten die gewend waren aan het vliegen met eenvoudige He 51 tweedekker. Aanvankelijk werd er enig ongenoegen geuit over de alarmerende neiging van de Bf Me 109 B om tijdens het opstijgen en juist voor het landen zijn bakboordvleugel te laten 'vallen', na enige ervaring ondervonden de piloten van 2./JG 88 dat door een voorzichtig gebruik van het roer deze neiging bijna volledig werd geëlimineerd. Alhoewel er kleine problemen optraden tijdens het vliegen aan hoge snelheden (aanzienlijk fladderen van de rolroeren, storingen in de lengteas die konden opgevangen worden door gebruik van het roer, e.a.) waren de piloten, na een gewenningsperiode aan de capaciteiten van de Bf Me 109 B, ervan overtuigd dat ze met de beste jager vlogen die er op het ogenblik bestond.

gotop   Enkele details

De uit aluminium gevormde ovalen schaalsecties van de romp van de Bf Me 109 B werd in twee delen gebouwd en in de langsrichting boven en onder met elkaar verbonden. Elke helft was opgebouwd uit lengteliggers en vertikale panelen, deze laatste hadden flenzen om Z-ramen te vormen die doorboord waren voor bevestiging aan de lengteliggers. De één-balk vleugel was op drie punten met de romp verbonden, twee aan balkflenzen, één aan de vleugelvoorrand. De volledige achterrand bestond uit scharnierende onderdelen, van scharnieren voorziene rolroeren naar de vleugeltippen toe en van scharnieren voorziene kleppen naar de romp toe. Aan de voorrand van de vleugels waren er naar de vleugeltippen toe automatische voorvleugelkleppen geïnstalleerd. Het staartstuk was als één geheel verbonden aan de romp, de staartvlakken waren aan beide zijden door een steun opgevangen. De twee hoofdelementen van het landingsgestel werden buitenwaarts in de vleugels ingetrokken door hydraulische stangen.
          De krachtbron was een Jumo 210 Da motor die was voorzien van een tweesnelheden compressor en verbruikte 87 oktaan A2 brandstof. Als propeller werd een tweeblad houten niet verstelbare propeller van Schwarz gebruikt. Deze motor leverde bij 2.700 t/m 720 startpk, op zeespiegelhoogte leverde hij aan 2.500 t/m 545 pk en aan 2.600 t/m 610 pk. Op een hoogte van 2.700 m leverde de Jumo 210 Da een 640 pk maximaal constante kracht voor een periode van 5 minuten, en een maximale constante kracht van 575 pk en 510 pk aan respectievelijk 2.600 en 2.500 t/m
.           De brandstoftank met een inhoud van 250 l was aangebracht achter en onder de zetel van de piloot. De piloot beschikte over een Carl Zeiss Reflexvisier C/12C reflectorvizier, en de voorziene bewapening bestond uit twee 7,9 mm MG 17's die boven de krukas van de motor waren gemonteerd met hun lopen ingebouwd in kanalen die door de bovenste neusbekleding staken. Een derde MG 17 was gemonteerd tussen de cilinderbanken en vuurde doorheen de propellernaaf. Elk wapen beschikte over 500 patronen. Testen die met de Bf Me 109 V4, V5 en V6 werden uitgevoerd hadden aangetoond dat de centrale MG 17 na een paar vuurbuien een neiging vertoonde tot vastlopen, de oorzaak daarvan was een ontoereikende koeling. Daarom waren vanaf de Bf Me 109 B-1 de toestellen die aan de Jagdgruppe 88 werden geleverd uitgerust met slechts twee MG 17's. Er was ook mogelijkheid voorzien om een FuG 7 R/T te installeren, een radio voor korte afstand die op één enkel golfband werkte, maar dit werd aanzien als een misbare luxe en werd dus niet ingebouwd in de toestellen die naar Spanje vertrokken.

gotop   Gevechten in Spanje

De Bf Me 190 B-1 werd in feite enkel aanzien als een tussentijds jagersmodel die het resultaat was geworden van een haastige beslissing van de Luftwaffenführungsstab die het nieuwe vliegtuig op operationeel niveau moest brengen. Toen in het begin van de zomer van 1937 de Bf Me 109 B-2 verscheen die de B-1 moest vervangen hadden er minder dan 30 exemplaren van het eerste model de montagelijn van Augsburg-Haunstetten verlaten. De eerste exemplaren van de B-2 maakten gebruik van de verstelbare tweeblad metalen Hamilton propeller die onder licentie door VDM werd gebouwd. Dit was het enige verschil met de B-1. De eerste produktiegroep van de B-2, die eveneens met de Jumo 210 Da motor waren uitgerust, gingen onmiddellijk naar Spanje waar ze aan 1./Jagdgruppe 88 werden toegewezen.
Me 109 B-2
Duitsland nam met drie Me 109 B-2's deel aan de internationale Vliegmeeting
van Zürich van 1937. Daar werden ze wereldkampioen bij de snelheidswed-
strijd voor militaire vliegtuigen en bij de patrouillevluchten. De toestellen
behaalden een gemiddelde snelheid van 430 km/u. Deze resultaten werden
door de Nazi's gebruikt voor een internationale propagandacampagne.
Hier werd 'Messerschmitt' hét begrip voor jachtvliegtuig.
          De twee met Bf Me 109 B uitgeruste Staffeln van het Legion Condor vormden de Gruppo 6 van de Nationalistische Luchtmacht. De 2.Staffel had tot dan toe hoogtebescherming gevlogen voor de 1. en 3. Staffel van de He 51's die tijdens het offensief van Brunette voor nabijsteun waren ingezet. Daarbij hadden de Bf Me 109 B-1's een duidelijk luchtoverwicht tegenover de Russische I-15 en I-16's bereikt. Bij gelegenheid waren ze ook ingezet geweest als escortejagers voor de bommenwerpers van Kampfgruppe 88. Daarna was 2.Staffel overgeplaatst naar het noorden om deel te nemen aan de campagne tegen Santander en 2, kort nadat de nieuw uitgeruste 1.Staffel zich bij hen had gevoegd, bestond er hun primaire opdracht in om het luchtoverwicht te behouden. Daarnaast werden ze evenwel ook ingezet voor het uitvoeren van offensieve aanvallen, grondaanvallen en escorte-opdrachten voor de bommenwerpers. Tijdens hun offensieve aanvallen ontmoetten de met Bf Me 109 B uitgeruste Staffeln regelmatig grote formaties van de Republikeinse jagers, en ondanks hun beperkt aantal bouwden de Messerschmitt-jagers van 1. en 2.Staffel een opmerkelijke reputatie op tijdens de zomer en herfst van 1937. De ervaring die tijdens deze periode werd opgedaan zou van grote waarde zijn in de grotere strijd die op komst was. Verschillende van de toekomstige Luftwaffe-"Ase" 'scherpten hun tanden' bij één van deze twee Bf Me 109 B Staffeln. Leutnant Wilhelm Balthasar, die drie jaar later grote roem zou oogsten door het vernietigen van 21 vijandelijke vliegtuigen in 21 opeenvolgende dagen, slaagde erin om in een tijdspanne van zes minuten vier Republikeinse I-16 jagers neer te halen. Ook Werner Mölders en Adolf Galland verdienden hun eerste sporen bij de gevechten tijdens de Spaanse Burgeroorlog.
          Terwijl de Bf Me 109 B zijn het bloed deed vloeien in Spanje deed het Propaganda Ministerie in Berlijn, zonder al te veel publiciteit en inspanningen om de activiteiten van het Legion Condor te publiceren, er alle moeite voor om kapitaal te slaan uit de prestaties van de door Messerschmitt ontwikkelde jager en om het prestige van de Duitse luchtvaart wereldkundig te maken. De 4de Internationale Vliegmeeting, die gehouden werd in Zürich-Dübendorf tussen 23 juli en 1 augustus 1937, bood een uitstekende gelegenheid om door demonstraties de kracht van de Bf Me 109 te demonstreren. Het Duitse team bestond uit niet minder dan vijf Bf Me 109's, waarvan er in feite geen enkel een volledig standaard produktiemodel was. De Bf Me 109 V8 (D-IPLU) en V9 waren uitgerust met de Jumo 210 Ga motor met brandstofinjectie, een Bf Me 109 B-2 was van alle bewapening ontdaan, en de Bf Me 109 V10 (D-ISLU) en Bf Me 190 V13 (D-IPKY) waren uitgerust met een nieuwe Daimler-Benz DB 600 Aa motor.
          De resultaten van het team waren zo indrukwekkend dat er zich verschillende deelnemers uit de wedstrijd terugtrokken, de prestaties van de Bf Me 109 die door het Propaganda Ministerium waren voorspeld kwamen volledig tot hun recht. De bewering dat de jager zich reeds op grote schaal in dienst bevond was echter een overdrijving want afgezien van het Legion Condor in Spanje waren enkel I. en II/JG 132 Richthofen te Döbertitz en Jüterborg-Damm en I./JG 234 Schlageter te Köln met Bf Me 190 B's uitgerust. En geen enkele van deze Gruppen was al op volle sterkte gebracht ten tijde van de vliegmeeting in Zürich.

gotop   De Bf Me 109 C

Tijdens de lente en zomer van 1937 was het ontwikkelingstempo van de Bf Me 109 versneld, en er waren plannen opgemaakt voor het bouwen onder licentie van de nieuwe jager door andere firma's. De Bf Me 109 V7 (Wnr 881 D-IALY) die in maart 1937 aan zijn testvluchtprogramma was begonnen als prototype voor de Bf Me 109 B-2 was uitgerust geworden met een VDM-Hamilton verstelbare metalen propeller. Deze werd aangedreven door een Jumo 210 G die gebruik maakte van directe brandstofinjectie, een tweetraps compressor en een automatische gasregelaar. De directe brandstofinjectie liet toe dat de motor in gelijk welke positie goed functioneerde. Dit was een enorm voordeel voor een jachtvliegtuig. De Jumo 210 G leverde 700 startpk en 730 pk op 1.000 m, op 3.800 m was er nog steeds 675 pk beschikbaar. Deze motorversie was echter nog niet klaar voor gebruik bij de produktietoestellen toen de Bf Me 109 B-2's in de zomer van 1937 afgeleverd werden. Daarom werd het grootste gedeelte van deze versie met de Jumo 210 Da uitgerust, de Jumo 210 G werd pas bij de laatste produktiegroepen van de serie ingebouwd.
          De Bf Me 109 V8, V9 en V10 waren hun carrière begonnen als prototypes voor de Bf Me 109C. Deze was vanaf de lente 1937 voorzien geweest als de definitieve met Jumo 210-motor uitgeruste produktievariant van de jager. De V8 en V9 werden gekenmerkt door de inlaat van de oliekoeler die was verplaatst en zich nu voor de radiator onder de neus bevond en uitgerust was met bijkomende koelkieuwen. De definitieve Bf Me 109 C was voorzien van een diepere radiator die standaard ingebouwd werd op dezelfde plaats als die bij de Bf Me 109B.
          Toen de moeilijkheden met de op de motor gemonteerde MG 17 nog steeds niet waren opgelost werd er bij de door de Jumo 210 Da aangedreven Bf Me 109 V8 een paar in de vleugels ingebouwde MG 17's ingevoerd die geïnstalleerd werden onmiddellijk aan buitenboord van de ligplaats van de wielen van het landingsgestel. Deze installatie vereiste slechts een paar kleine modificaties aan de vleugelstructuur en enkel uit een plaatselijke versterking bestonden. Als gevolg van de schiettesten werden er enkele verstijvingen aangebracht aan de binnenzijde van de vleugelvoorrand en een miniem fladderen in de rolroeren werd weggewerkt door balansen te installeren. Verder verliepen de testen met succes en het geheel werd aanvaard als standaardvorm voor de Bf Me 109 C-1.
Me 109 C
De C-versie werd slechts in beperkte aantallen gebouwd en verschilde van de B-serie door zijn zwaar-
dere bewapening. De bewapening moest versterkt worden daar de Britten over nieuwe jagers beschik-
ten die met acht machinegeweren waren uitgerust (Hawker Hurricane). De C-1 beschikte over vier
7,9 mm MG 17 MG's, de C-2 bezat nog een vijfde MG 17 die door de propellernaaf vuurde.
De bewapening werd later verplaatst en de Jumo 210 Da ruimde plaats voor de Jumo 210 Ga. In deze vorm nam de Bf Me 109 V8 uiteindelijk deel aan de vliegmeeting van Zürich. De V9 was in hoofdzaak gelijk aan de V8 maar de in de vleugels gemonteerde MG's waren vervangen door op dezelfde plaats ingebouwde 20 mm MG FF kanonnen. De ontwikkeling van deze installatie had nogal lang geduurd en werd, hier in dit geval, niet gestandaardiseerd voordat de E-series van de jager werden in gebruik genomen.
          In november 1937 begon een vierde Gruppe, II./JG 234 Schlageter te Düsseldorf met de uitrusting op de Bf Me 109 B en ontving de 13de van de maand zijn eerste toestellen. Tegen het eind van het jaar werden de leveringen van de Augsburg-Hanstetten fabriek gesupplementeerd door leveringen van de Gerhard Fieseler Werke te Kassel die begonnen was met het onder licentie bouwen van de Bf Me 109 B-2. De Erla Maschinenwerk te Leipzig-Heiterblick had een vergevorderd stadium van fabricage van de Bf Me 109 C bereikt en de Focke Wulf Flugzeugbau te Bremen ontving eveneens een contract voor de licentieproduktie van dit model.
          De levering van de Bf Me 109 C-1 begon in het begin van de lente van 1938. De machine was uitgerust met de Jumo 210 Ga motor die voorzien was met een diepere radiator en herziene uitlaten en vier MG 17 MG's - twee in de romp met elk 500 patronen en twee in de vleugels met elk 420 patronen . Evenals de vroegere produktiemodellen werden er sommigen van de eerste Bf Me 109C-1's vanaf de produktielijn naar Spanje verscheept voor dienst met het Legion Condor. In de loop van de zomer begon I./JG 132 zijn Bf Me 109 B-1s te vervangen door het nieuwere model.
          In totaal waren er 40 Bf Me 109 B-1's en B-2's naar Spanje verscheept geworden voor dienst bij het Legioen Condor en een groep van 12 Bf Me 109 C-1's werd nu geleverd voor het uitrusten van 3.Staffel van Jagdgruppe 88 dat zo tijdens de maand juli 1938 zijn oude He 51's kon vervangen. Afgezien van de zwaardere bewapening en de krachtiger motor verschilde de C-1 nog van de B's van de 1. en 2.Staffel door het bezit van de FuG 7 R/T radio. De waarde van radioverbinding was tenslotte toch doorgedrongen bij de verantwoordelijken, zowel voor verbinding in de lucht als voor verbinding met de grondtroepen tijdens het uitvoeren van nabijsteun voor deze laatsten. Gelijktijdig met de komst van de C-1 voor de 3.Staffel werd er aan de operationele basis van de Jagdgruppe 8 bij Teruel een He 112 B-0 geleverd om deze machine te laten evalueren door vooraanstaande Spaans-Nationalitische jagerspiloten. Generaal Morato, de succesrijkste piloot van de Nationalisten, kwam op de basis aan op 27 juni 1938 om met de Heinkel te vliegen en nam van de gelegenheid gebruik om ook de Bf Me 109 C-1 te testen. Ten gevolge van zijn aanbevelingen verlangde de Nationalistische regering de levering van de Bf Me 109 jagers om haar Escuadrillas de Caza uit te rusten.
Me 109 C-1
Grondpersoneel bij het onderhoud en laden van de wapens. Vanaf augustus 1938 vertrokken twaalf C-2's
naar Spanje voor inzet bij het Ledion Condor. Tijdens het begin van de oorlog in het Westen, in mei-juni 1940,
waren nog enkele eenheden van de Luftwaffe met deze machine uitgerust.

          Feitelijk waren de Spaanse piloten, in de schoot van het Legion Condor, reeds begonnen met het omschakelen op de Bf Me 109. Daar het Duitse Opperbevel vreesde voor een gewelddadige reactie van Frankrijk en Groot-Brittannië bij het uitvoeren van de op handen zijnde bezetting van Sudetenland werd een terugroepen van het ervaren Luftwaffepersoneel uit Spanje in het vooruitzicht gesteld. Daardoor werd het noodzakelijk dat er geleidelijk aan Spanjaarden in de rangen van Jagdgruppe 88 werden opgenomen. Spaanse piloten die op de Bf Me 109 vlogen werden feitelijk vanaf de eindfase van de Slag aan de Ebro in oktober 1938 in de gevechten betrokken. Ze opereerden vanaf La Cenia, Tarragona. Op 23 december 1938 behoorden er in totaal 37 Bf Me 109's, van de 52 die naar Spanje waren gezonden voor acties met het Legion Condor, tot de frontlijn inventaris. 32 ervan hadden hun basis op La Cenia, de vijf anderen op León.
          Het succes dat de Bf Me 109 ondertussen had behaald en, als gevolg daarvan, de daarmee samenhangende internationale erkenning voor Prof Dr. Ing. Willy Messerschmitt, was zodanig dat de Bayerische Flugzeugwerke, die munt wilde slaan uit deze faam, ermee akkoord ging om Messerschmitt aan te stellen als President en Directeur. Op 11 juli 1938 werd de naam van De Bayerische Flugzeugwerke veranderd in Messerschmitt A.G. Het jaar 1938 was zowel belangrijk voor de Luftwaffe als voor zijn nieuwe jager. De produktie van de met Jumo 210 uitgeruste Bf Me, nu Me 109, moest worden voortgezet alhoewel de ontwikkeling nu volledig geconcentreerd was op varianten van het basisontwerp die werden uitgerust met de sterkere Daimler-Benz 12 cilinder vloeistofgekoelde omgekeerde V-motoren. De moeilijkheden die betrekking hadden op een voldoende koeling voor de op de motor gemonteerde MG waren grotendeels opgelost, en de Me 109 C-2 die nu op de montageband moest verschijnen was voorzien voor een bewapening die bestond uit de vier MG 17's van de C-1 en een bijkomende MG die terug op het motorblok was geïnstalleerd. De volgende variant van de Me 109 C, de C-4, moest met een 20 mm MG FF/M kanon in plaats van de MG 17 op de motor worden uitgerust, maar deze variant werd nooit in gebruik genomen voor de dienst, de weinige exemplaren die ervan werden gebouwd gebruikte men voor test- en ontwikkelingsdoeleinden.

gotop   Op weg naar WO II

Toen de Anschluss van Oostenrijk plaats vond, op 13 maart 1938, bezat de Luftwaffe 12 Jagdgruppen (zonder Jagdgruppe 88 in Spanje mee te tellen), waarvan de helft was uitgerust met de Me 109 – of bezig was met de omschakeling op de Me 109. Deze eenheden waren : I./JG 131 te Jesau, I./JG 132 te Döberitz, II./JG 132 te Jüterborg-Damm, I./JG 234 te Köln, II./JG 234 te Düsseldorf en I.JG/334 te Wiesbaden. Met uitzondering van I./JG 136 te Eger-Marienbad dat nog steeds op de verouderde He 51 C-2 vloog, terwijl er gewacht werd op de op handen zijnde leveringen van de Me 109's, vlogen de vijf overblijvende Gruppen -I. en II./JG 134 te Dortmund en Werl, I./JG 135 te Aibling, I./JG 137 te Bernburg en II./JG 334 te Mannheim- voor het merendeel met de Arado Ar 68 E en 68F's.
          Toen de spanning steeg met het naderen van de geplande bezetting van Sudetenland werd er door de Luftwaffe-Generalstab in allerijl een programma opgesteld voor een snelle uitbreiding van de jagerstrijdmacht en op 1 juli 1938 werden er niet minder dan acht Jagdgruppen officieel opgericht. Deze Gruppen (III. en IV./JG 132 te Jüterborg-Damm en Werneuchen, IV./JG 134 te Dortmund, II./JG 135 te Aibling, II./JG 137 te Zerbst, I./JG 138 te Aspern, III./JG 234 te Düsseldorf en III./JG 334 te Mannheim) werden zo snel mogelijk opgericht en uitgerust met verouderde jachtvliegtuigen. Eén van hen, I./JG 138, was bezet met het personeel van de jachteenheden van de Oostenrijkse Luftstreitkräfte die na de Anschluss door de Luftwaffe waren opgeslorpt. Een andere Gruppe, III./JG 132, die was gevormd met Ar 68E's was kort na zijn oprichting van Jüterborg-Damm overgeplaatst naar Fürstenwalde en daar heruitgerust met de He 112 B-0. Deze toestellen behoorden tot een groep van 12 toestellen die klaar stond om naar Japan verscheept te worden maar waren nu door de Luftwaffe opgeëist.
          Als op 1 augustus de frontlijn-inventaris van de Luftwaffe 643 jagers omvatte waren er minder dan de helft van het Me 109 type, maar door de druk die door de plannen van de Führer achter de produktie werd gezet kwamen de vliegtuigen sneller van de band dan dat ze door de Luftwaffe in haar rangen kon worden opgenomen. Arado te Warnemünde was ondertussen ook betrokken geworden in het produktieprogramma van de Me 109, naast Erla, Fieseler en Focke-Wulf. Op 19 september stonden er in een verslag van de Ob.d.L. in totaal 583 Me 109's van alle types vermeld, en van deze toestellen waren er 510 operationeel.
Me 109 C-2
Om de productie te kunnen opdrijven werden ook Erla, Fieseler en Focke Wulf in het
productieproces betrokken. Hier een foto van de eerste tien door Focke Wulf geprodu-
ceerde Me 109 C-2's te Bremen in augustus 1938. De C-versie was de laatse versie die
met de motor van Junkers (Jumo) werd uitgerust en beschikte over vijf MG's.
Een aanzienlijk aantal van deze jagers moest nog aan de frontlijn Jagdgruppen worden toebedeeld. De Bf Me 109 B bezat nog steeds het overwicht, ondanks de overtuiging die er heerste dat de met Jumo 210 uitgeruste versies reeds uitgerangeerd waren. De -B was ondertussen op de montagebanden al vervangen door de met de Daimler-Benz uitgeruste variant. Maar aangezien er zich een opstopping in de bevoorrading met de Daimler-Benz motoren voordeed was men wel verplicht was om terug te vallen op het gebruik van de Jumo 210 motoren.
          Met de geplande tewaterlating van het eerste Duitse vliegdekschip, toen bekend onder de naam "Träger A" werd er op 1 augustus 1938 te Kiel-Hotenau een boordeenheid, -Trägergruppe 186-, gevormd. Deze omvatte oorspronkelijk 4. Trägersturzkampfstaffel/186 die moest uitgerust worden met de Ju 87 A duikbommenwerpers en 6./186 die moest uitgerust worden met de Bf Me 109 B. Deze laatste staffel moest in de zomer van 1939 versterkt worden door een tweede staffel die eveneens met de Bf Me 109 B was uitgerust, dit zou dan de 5.Trägerstaffel/186 worden. De eigenlijke bedoeling was dat beide Staffeln uiteindelijk zouden uitgerust worden met een gespecialiseerde boordvliegtuigversie van de Bf Me 109 die vanaf de Graf Zeppelin ( zoals de Träger A werd gedoopt bij zijn tewaterlating op 8 december 1938) zouden opereren. Toen het project voor het vliegdekschip in de schuiflade terechtkwam werden de Trägerstaffeln terug naar landbases overgedragen.
          Op 1 november 1938 vond er een algemene reorganisatie plaats in de Luftwaffe en voor de eerste maal werd de jagerstrijdmacht onderverdeeld in 'Leichte' en 'Schwere' Jagdgruppen, deze laatsten werden vanaf 1 januari 1938 Zerstörergruppen genoemd. De leichte Jagdgruppen waren I./JG 130 (Jessau), I./JG 131 Richthofen (Döberitz), I. en II./JG 132 Schlageter (Köln en Düsseldorf), I. en II./JG 133 ( Wiesbaden-Erbenheim en Mannheim), I./JG 134 (Aspern), I. en II./JG 231 (Bernburg en Zerbst), I./JG 233 (Aibling), I./JG 331 ( Mähr Trubau), I. en II./JG 333 (Herzogenaurach en Eger-Marienbad) en I./JG 433(Böblingen). Met uitzondering van I./JG 130 die opereerde met zowel de Bf Me 109 C en de met de DB 600 motor aangedreven Me 109 D, en één of twee Gruppen zoals I/JG 133 die op hun nieuwe toestellen wachtten, waren alle leichte Jagdgruppen uitgerust met de Bf Me 109 B of Bf Me 109 C. De schweren Jagdgruppen omvatten I./s.JG 141 (Jüterborg-Damm) met Me 109 D's, II./s.JG 141 ( Fürstenwalde) met Bf Me 109 C's, I. II. en III./s.JG 142 (Dortmund, Werl en Lippstadt) met een mengeling van B,C en D's en I./s.JG 143 (Illesheim) en I./s.JG 144 (Gablingen) beiden met Bf Me 109 B's. Op 1 januari 1939, met de naamsverandering van de schweren Jagdgruppen in Zerstörergruppen werd JG 141 ZG 1, de eerste Gruppe van deze eenheid begon kort daarna haar omrusting op de Bf Me 110, JG 142 werd ZG Horst Wessel, JG 143 werd ZG 52 en JG 144 werd ZG 76 waaraan een tweede Gruppe werd toegevoegd die uitgerust was met Bf Me 109 B's en de I. Gruppe die omgerust werd op de Bf Me 110. Terwijl de Bf Me 109 jagersproduktie in 1938 amper de 400 exemplaren overschreed (de volledige Duitse produktie van éénzitter-jagers, met inbegrip van een klein aantal Ar 68's en He 112's, bedroeg ongeveer 450 toestellen) verlieten er niet minder dan 1.091 Me 109's de montagelijnen tussen 1 januari 1939 en 1 september toen door het codewoord Ostmarkflug de luchtaanval tegen Polen werd gelanceerd. Dit vertegenwoordigde een maandelijks produktiegemiddelde van 1.364 Bf Me 109's voor de eerste acht maand. De getalsterkte die General-Quartiermeister aan de Oberbefehlshaber der Luftwaffe bij het begin van de vijandelijkheden doorgaf bedroeg 1.056 Messerschmitt-jagers waarvan er 946 operationeel waren.

gotop   Begin van het einde

Tijdens de lente en de zomer van 1939 werd er koortsachtig gewerkt om de Jagdstaffeln uit te rusten met de Me 109 E-1, terzelfdertijd werden er nieuwe eenheden opgericht. Een idee over de snelheid waarmee de Me 109 E-1 in het operationele inventaris van de Luftwaffe werd opgenomen valt af te leiden uit het gestegen aantal Jagdstaffeln dat op 1 september in de slagorde was opgesteld, alhoewel er nog een aantal eenheden waren die nog steeds met oudere modellen van de Bf 109 vlogen. Hierbij dient ook vermeld te worden dat er vijf van de zeven Zerstörergruppen die nog op de Bf Me 109 vlogen tijdelijk de benaming Jagdgruppe kregen. Deze waren : II.ZG 1 (J.Gr.101), I./ZG 2 ( J.Gr.102), III./ZG 26 (J.Gr.126), I./ZG 52 (J.Gr.152) en II./ZG 76 (J.Gr.176). De benaming van I. en II./ZG 26, die op de Bf Me 109 B en C's vlogen, bleef onveranderd daar ze op punt stonden te worden heruitgerust met de Bf 110 C.
Slagorde van de met Bf Me 109 uitgeruste eenheden en hun numerieke sterkte (operationele) en de Luftflotten waartoe ze behoorden op de vooravond van de vijandelijkheden:
EenheidAantalOperationeelType
Luftflotte 1I/JG.15454Me 109 E
I./JG 24239Me 109 E
10.(Nacht)./JG 2 9 9 Bf Me 109 C
Stab en I./JG 35145 Me 109 E
I./JG 20**2120Me 109 E
I./JG 21**2928Bf Me 109 C en Me 109
J.Gr.101 (II./ZG 1)3636Bf Me 109 B
J.Gr.102 (I./ZG 2 )4440Bf Me 109 D
Luftflotte 2Stab en I./JG 265151Me 109 E
II./JG 26 4844Me 109 E
10.(Nacht)./JG 26108Bf Me 109 C
I. en II./ZG 26***9692Bf Me 109 C en Bf Me 109 D
J.Gr 126 (III./ZG 26) 4844 Bf Me 109 B en Bf Me 109 C
Luftflotte 3I./JG 514739Me 109 E
I./JG 523934Me 109 E
J.Gr 152 (I./ZG 52)4443 Bf Me 109 B
I. en II./JG 5351 en 4339 en 41 Me 109 E
1. en 2./JG 702424Me 109 E
1. En 2./JG 71****3918Bf Me 109 C en Me 109 E
Luftflotte 4I./JG 764945Me 109 E
I. En II/JG 7750 en 5043 en 36Me 109 E
J.Gr.176 ( II.ZG 76)4039Bf Me 109 B en Bf Me 109 C
**Deze twee eenheden waren op 1 november 1938 oorspronkelijk als nachtjachteenheden voorzien maar werden kort voor het begin van de vijandelijkheden ingeschakeld als dagjachteenheden.
***Deze twee eenheden stonden op het punt om op de Bf 110 C te worden omgerust.
****Deze eenheden bevonden zich in de fase van omvorming tot nachtjachteenheden.

          Daarbij kwam nog de zogenaamde Luftwaffe-Lehrdivision, die op 1 november 1938 was gevormd en voornamelijk voor het ontwikkelen van operationele taktieken en technieken verantwoordelijk was, de Stab en I(Jagd)./LG 2 met 39 (37) Me 109 E's in de getalsterkte en 11(Nacht)./LG 2 met 10 (9) Me 109 E's. II./JG 186 omvatte de 5. en 6. Staffel met 24 (24) Bf Me 109 B's die ogenschijnlijk onder het bevel van het Oberkommando der Marine stonden.
          De met de Jumo motoren uitgeruste Bf Me 109 C's werden geleidelijk aan uit de frontlijneenheden teruggetrokken tijdens de eerste oorlogsmaanden en werden tegen het eind van 1938 grotendeels toegewezen aan de Jagdfliegerschulen. Hun laatste operationele dienst werd uitgevoerd met de nachtjacht-Staffeln zoals 10.(Nacht./ JG 2 en 10.(Nacht)./JG 26.

*De Bf Me 109 A produktieversie werd niet gebouwd daar dit toestel slechts over twee machinegeweren beschikte. Door de geruchten die de ronde deden dat de Britse Hurricane en Spitfire met vier machinegeweren zouden uitgerust worden vloog de Bf Me 109 V4 reeds met drie machinegeweren.

Bron: Air Enthousiast Nov 71
"Die Ersten und die Letzten" Adolf Galland
Foto's : Bundesarchiv Koblenz
Archiv Podzun Verlag
Archiv Ulrich Elfrath

Top
TOP

Go to...  Messerschmitt Me 109 E Emil

Go to...  Messerschmitt Me 109 Jabo

Go to...  Messerschmitt Me 109 F Friedrich

Go to...  Messerschmitt Me 109 G Gustav

Go to...  Messerschmitt Me 109 G2 Jabo

Go to Luftwaffe  ---- Update okt 2006 Go to RAF  ----  Update 13 jan 2003 Go to USAAF ---  Update apr 2002


Valid HTML 4.0 Transitional

Informatie

email

Gastenboek

http://www.luchtoorlog.be