Messerschmitt
Me 109 B - C
![]() |
| Me 109 B's in parade-opstelling. Deze toestellen waren bewapend met drie 7,9mm MG 17's. |
In februari 1937 had de gewone Ausburger, bij zijn "Tassen Kaffee" in de Köningsbrau op de Adolf-Hitler Platz, er geen enkel benul van dat er op enkele kilometers van waar hij zat een bijzondere gebeurtenis plaats vond die van een immense betekenis zou blijken te zijn. Een gebeurtenis waarvan men zelfs bij de jonge Luftwaffe van het Dritte Reich niet onmiddellijk de draagwijdte kon inschatten, maar die toch het begin betekende van het Duitse overwicht in een levensbelangrijke categorie gevechtsvliegtuigen – de éénzitter-jager. Naast de fabriekshallen van de Bayerische Flugzeugwerke, op het kleine vliegveld tussen Augsburg en Haunstetten, stond het eerste produktie-exemplaar van de nieuwe, met in bepaalde bereiken radikale jager, de Messerschmitt Bf Me 109 klaar om zijn overnamevlucht uit te voeren en aan de Luftwaffe overhandigd te worden.
Deze gebeurtenis die werd bijgewoond door Robert Ritter von Greim, General der Jagdflieger, en door Oberst Ernst Udet die, 18 maand voordien bij het zien van het eerste prototype van de Bf Me 109 had gezegd: " Uit dit toestel kan er nooit een jager worden."– volgde op een hardomstreden competitie met een andere kandidaat voor de Luftwaffe-bestellingen, de Heinkel He 112. Deze competitie, waarbij men in het verloop ervan de vorderingen van de Bf Me 109 van outsider tot onbestreden favoriet had kunnen volgen, was het voorwerp geworden van onenigheid tussen de regerings- en industriële kringen. Elk van de beide deelnemers had zijn uitgesproken voorstanders, en deze voorstanders hadden niet geaarzeld om ook hun stem te verheffen. De onderlinge verdeeldheid werd op geen enkel punt verzacht wegens de intense persoonlijke afkeer die er bestond tussen Willy Messerschmitt en Ernst Heinkel.
![]() |
| De grote concurrent voor de Me 109, de Heinkel He 112. Dit toestel was een aërodynamisch afgewerkte laagdekker met intrekbaar landingsgestel en gesloten cockpit. Hier een toestel van de A-serie. |
![]() |
| Me 109 B-1. Terwijl de Me 109 B-0 modellen bij de eenheden verbruikt werden bij het testen handelde het zich bij de B-1 om een echte serie-machine die reeds met de Jumo 210 D was uitgerust. Deze motor leverde 650 startpk. Deze kracht kon echter niet volledig benut worden daar de B-1 nog altijd uitgerust was met een vaste houten tweeblad propeller. De bewapening bestond uit drie 7,9 mm machinegeweren waarvan er twee gesynchroniseerd door de propeller vuurden. < |
De uit aluminium gevormde ovalen schaalsecties van de romp van de Bf Me 109 B werd in twee delen gebouwd en in de langsrichting boven en onder met elkaar verbonden. Elke helft was opgebouwd uit lengteliggers en vertikale panelen, deze laatste hadden flenzen om Z-ramen te vormen die doorboord waren voor bevestiging aan de lengteliggers. De één-balk vleugel was op drie punten met de romp verbonden, twee aan balkflenzen, één aan de vleugelvoorrand. De volledige achterrand bestond uit scharnierende onderdelen, van scharnieren voorziene rolroeren naar de vleugeltippen toe en van scharnieren voorziene kleppen naar de romp toe. Aan de voorrand van de vleugels waren er naar de vleugeltippen toe automatische voorvleugelkleppen geïnstalleerd. Het staartstuk was als één geheel verbonden aan de romp, de staartvlakken waren aan beide zijden door een steun opgevangen. De twee hoofdelementen van het landingsgestel werden buitenwaarts in de vleugels ingetrokken door hydraulische stangen.
De krachtbron was een Jumo 210 Da motor die was voorzien van een tweesnelheden compressor en verbruikte 87 oktaan A2 brandstof. Als propeller werd een tweeblad houten niet verstelbare propeller van Schwarz gebruikt. Deze motor leverde bij 2.700 t/m 720 startpk, op zeespiegelhoogte leverde hij aan 2.500 t/m 545 pk en aan 2.600 t/m 610 pk. Op een hoogte van 2.700 m leverde de Jumo 210 Da een 640 pk maximaal constante kracht voor een periode van 5 minuten, en een maximale constante kracht van 575 pk en 510 pk aan respectievelijk 2.600 en 2.500 t/m
.
De brandstoftank met een inhoud van 250 l was aangebracht achter en onder de zetel van de piloot. De piloot beschikte over een Carl Zeiss Reflexvisier C/12C reflectorvizier, en de voorziene bewapening bestond uit twee 7,9 mm MG 17's die boven de krukas van de motor waren gemonteerd met hun lopen ingebouwd in kanalen die door de bovenste neusbekleding staken. Een derde MG 17 was gemonteerd tussen de cilinderbanken en vuurde doorheen de propellernaaf. Elk wapen beschikte over 500 patronen. Testen die met de Bf Me 109 V4, V5 en V6 werden uitgevoerd hadden aangetoond dat de centrale MG 17 na een paar vuurbuien een neiging vertoonde tot vastlopen, de oorzaak daarvan was een ontoereikende koeling. Daarom waren vanaf de Bf Me 109 B-1 de toestellen die aan de Jagdgruppe 88 werden geleverd uitgerust met slechts twee MG 17's. Er was ook mogelijkheid voorzien om een FuG 7 R/T te installeren, een radio voor korte afstand die op één enkel golfband werkte, maar dit werd aanzien als een misbare luxe en werd dus niet ingebouwd in de toestellen die naar Spanje vertrokken.
De Bf Me 190 B-1 werd in feite enkel aanzien als een tussentijds jagersmodel die het resultaat was geworden van een haastige beslissing van de Luftwaffenführungsstab die het nieuwe vliegtuig op operationeel niveau moest brengen. Toen in het begin van de zomer van 1937 de Bf Me 109 B-2 verscheen die de B-1 moest vervangen hadden er minder dan 30 exemplaren van het eerste model de montagelijn van Augsburg-Haunstetten verlaten. De eerste exemplaren van de B-2 maakten gebruik van de verstelbare tweeblad metalen Hamilton propeller die onder licentie door VDM werd gebouwd. Dit was het enige verschil met de B-1. De eerste produktiegroep van de B-2, die eveneens met de Jumo 210 Da motor waren uitgerust, gingen onmiddellijk naar Spanje waar ze aan 1./Jagdgruppe 88 werden toegewezen.
![]() |
|
Duitsland nam met drie Me 109 B-2's deel aan de internationale Vliegmeeting van Zürich van 1937. Daar werden ze wereldkampioen bij de snelheidswed- strijd voor militaire vliegtuigen en bij de patrouillevluchten. De toestellen behaalden een gemiddelde snelheid van 430 km/u. Deze resultaten werden door de Nazi's gebruikt voor een internationale propagandacampagne. Hier werd 'Messerschmitt' hét begrip voor jachtvliegtuig. |
Tijdens de lente en zomer van 1937 was het ontwikkelingstempo van de Bf Me 109 versneld, en er waren plannen opgemaakt voor het bouwen onder licentie van de nieuwe jager door andere firma's. De Bf Me 109 V7 (Wnr 881 D-IALY) die in maart 1937 aan zijn testvluchtprogramma was begonnen als prototype voor de Bf Me 109 B-2 was uitgerust geworden met een VDM-Hamilton verstelbare metalen propeller. Deze werd aangedreven door een Jumo 210 G die gebruik maakte van directe brandstofinjectie, een tweetraps compressor en een automatische gasregelaar. De directe brandstofinjectie liet toe dat de motor in gelijk welke positie goed functioneerde. Dit was een enorm voordeel voor een jachtvliegtuig. De Jumo 210 G leverde 700 startpk en 730 pk op 1.000 m, op 3.800 m was er nog steeds 675 pk beschikbaar. Deze motorversie was echter nog niet klaar voor gebruik bij de produktietoestellen toen de Bf Me 109 B-2's in de zomer van 1937 afgeleverd werden. Daarom werd het grootste gedeelte van deze versie met de Jumo 210 Da uitgerust, de Jumo 210 G werd pas bij de laatste produktiegroepen van de serie ingebouwd.
De Bf Me 109 V8, V9 en V10 waren hun carrière begonnen als prototypes voor de Bf Me 109C. Deze was vanaf de lente 1937 voorzien geweest als de definitieve met Jumo 210-motor uitgeruste produktievariant van de jager. De V8 en V9 werden gekenmerkt door de inlaat van de oliekoeler die was verplaatst en zich nu voor de radiator onder de neus bevond en uitgerust was met bijkomende koelkieuwen. De definitieve Bf Me 109 C was voorzien van een diepere radiator die standaard ingebouwd werd op dezelfde plaats als die bij de Bf Me 109B.
Toen de moeilijkheden met de op de motor gemonteerde MG 17 nog steeds niet waren opgelost werd er bij de door de Jumo 210 Da aangedreven Bf Me 109 V8 een paar in de vleugels ingebouwde MG 17's ingevoerd die geïnstalleerd werden onmiddellijk aan buitenboord van de ligplaats van de wielen van het landingsgestel. Deze installatie vereiste slechts een paar kleine modificaties aan de vleugelstructuur en enkel uit een plaatselijke versterking bestonden. Als gevolg van de schiettesten werden er enkele verstijvingen aangebracht aan de binnenzijde van de vleugelvoorrand en een miniem fladderen in de rolroeren werd weggewerkt door balansen te installeren. Verder verliepen de testen met succes en het geheel werd aanvaard als standaardvorm voor de Bf Me 109 C-1.
![]() |
|
De C-versie werd slechts in beperkte aantallen gebouwd en verschilde van de B-serie door zijn zwaar- dere bewapening. De bewapening moest versterkt worden daar de Britten over nieuwe jagers beschik- ten die met acht machinegeweren waren uitgerust (Hawker Hurricane). De C-1 beschikte over vier 7,9 mm MG 17 MG's, de C-2 bezat nog een vijfde MG 17 die door de propellernaaf vuurde. |
![]() |
| Grondpersoneel bij het onderhoud en laden van de wapens. Vanaf augustus 1938 vertrokken twaalf C-2's naar Spanje voor inzet bij het Ledion Condor. Tijdens het begin van de oorlog in het Westen, in mei-juni 1940, waren nog enkele eenheden van de Luftwaffe met deze machine uitgerust. |
Feitelijk waren de Spaanse piloten, in de schoot van het Legion Condor, reeds begonnen met het omschakelen op de Bf Me 109. Daar het Duitse Opperbevel vreesde voor een gewelddadige reactie van Frankrijk en Groot-Brittannië bij het uitvoeren van de op handen zijnde bezetting van Sudetenland werd een terugroepen van het ervaren Luftwaffepersoneel uit Spanje in het vooruitzicht gesteld. Daardoor werd het noodzakelijk dat er geleidelijk aan Spanjaarden in de rangen van Jagdgruppe 88 werden opgenomen. Spaanse piloten die op de Bf Me 109 vlogen werden feitelijk vanaf de eindfase van de Slag aan de Ebro in oktober 1938 in de gevechten betrokken. Ze opereerden vanaf La Cenia, Tarragona. Op 23 december 1938 behoorden er in totaal 37 Bf Me 109's, van de 52 die naar Spanje waren gezonden voor acties met het Legion Condor, tot de frontlijn inventaris. 32 ervan hadden hun basis op La Cenia, de vijf anderen op León.
Het succes dat de Bf Me 109 ondertussen had behaald en, als gevolg daarvan, de daarmee samenhangende internationale erkenning voor Prof Dr. Ing. Willy Messerschmitt, was zodanig dat de Bayerische Flugzeugwerke, die munt wilde slaan uit deze faam, ermee akkoord ging om Messerschmitt aan te stellen als President en Directeur. Op 11 juli 1938 werd de naam van De Bayerische Flugzeugwerke veranderd in Messerschmitt A.G.
Het jaar 1938 was zowel belangrijk voor de Luftwaffe als voor zijn nieuwe jager. De produktie van de met Jumo 210 uitgeruste Bf Me, nu Me 109, moest worden voortgezet alhoewel de ontwikkeling nu volledig geconcentreerd was op varianten van het basisontwerp die werden uitgerust met de sterkere Daimler-Benz 12 cilinder vloeistofgekoelde omgekeerde V-motoren. De moeilijkheden die betrekking hadden op een voldoende koeling voor de op de motor gemonteerde MG waren grotendeels opgelost, en de Me 109 C-2 die nu op de montageband moest verschijnen was voorzien voor een bewapening die bestond uit de vier MG 17's van de C-1 en een bijkomende MG die terug op het motorblok was geïnstalleerd. De volgende variant van de Me 109 C, de C-4, moest met een 20 mm MG FF/M kanon in plaats van de MG 17 op de motor worden uitgerust, maar deze variant werd nooit in gebruik genomen voor de dienst, de weinige exemplaren die ervan werden gebouwd gebruikte men voor test- en ontwikkelingsdoeleinden.
Toen de Anschluss van Oostenrijk plaats vond, op 13 maart 1938, bezat de Luftwaffe 12 Jagdgruppen (zonder Jagdgruppe 88 in Spanje mee te tellen), waarvan de helft was uitgerust met de Me 109 – of bezig was met de omschakeling op de Me 109. Deze eenheden waren : I./JG 131 te Jesau, I./JG 132 te Döberitz, II./JG 132 te Jüterborg-Damm, I./JG 234 te Köln, II./JG 234 te Düsseldorf en I.JG/334 te Wiesbaden. Met uitzondering van I./JG 136 te Eger-Marienbad dat nog steeds op de verouderde He 51 C-2 vloog, terwijl er gewacht werd op de op handen zijnde leveringen van de Me 109's, vlogen de vijf overblijvende Gruppen -I. en II./JG 134 te Dortmund en Werl, I./JG 135 te Aibling, I./JG 137 te Bernburg en II./JG 334 te Mannheim- voor het merendeel met de Arado Ar 68 E en 68F's.
Toen de spanning steeg met het naderen van de geplande bezetting van Sudetenland werd er door de Luftwaffe-Generalstab in allerijl een programma opgesteld voor een snelle uitbreiding van de jagerstrijdmacht en op 1 juli 1938 werden er niet minder dan acht Jagdgruppen officieel opgericht. Deze Gruppen (III. en IV./JG 132 te Jüterborg-Damm en Werneuchen, IV./JG 134 te Dortmund, II./JG 135 te Aibling, II./JG 137 te Zerbst, I./JG 138 te Aspern, III./JG 234 te Düsseldorf en III./JG 334 te Mannheim) werden zo snel mogelijk opgericht en uitgerust met verouderde jachtvliegtuigen. Eén van hen, I./JG 138, was bezet met het personeel van de jachteenheden van de Oostenrijkse Luftstreitkräfte die na de Anschluss door de Luftwaffe waren opgeslorpt. Een andere Gruppe, III./JG 132, die was gevormd met Ar 68E's was kort na zijn oprichting van Jüterborg-Damm overgeplaatst naar Fürstenwalde en daar heruitgerust met de He 112 B-0. Deze toestellen behoorden tot een groep van 12 toestellen die klaar stond om naar Japan verscheept te worden maar waren nu door de Luftwaffe opgeëist.
Als op 1 augustus de frontlijn-inventaris van de Luftwaffe 643 jagers omvatte waren er minder dan de helft van het Me 109 type, maar door de druk die door de plannen van de Führer achter de produktie werd gezet kwamen de vliegtuigen sneller van de band dan dat ze door de Luftwaffe in haar rangen kon worden opgenomen. Arado te Warnemünde was ondertussen ook betrokken geworden in het produktieprogramma van de Me 109, naast Erla, Fieseler en Focke-Wulf. Op 19 september stonden er in een verslag van de Ob.d.L. in totaal 583 Me 109's van alle types vermeld, en van deze toestellen waren er 510 operationeel.
![]() |
| Om de productie te kunnen opdrijven werden ook Erla, Fieseler en Focke Wulf in het productieproces betrokken. Hier een foto van de eerste tien door Focke Wulf geprodu- ceerde Me 109 C-2's te Bremen in augustus 1938. De C-versie was de laatse versie die met de motor van Junkers (Jumo) werd uitgerust en beschikte over vijf MG's. |
Tijdens de lente en de zomer van 1939 werd er koortsachtig gewerkt om de Jagdstaffeln uit te rusten met de Me 109 E-1, terzelfdertijd werden er nieuwe eenheden opgericht. Een idee over de snelheid waarmee de Me 109 E-1 in het operationele inventaris van de Luftwaffe werd opgenomen valt af te leiden uit het gestegen aantal Jagdstaffeln dat op 1 september in de slagorde was opgesteld, alhoewel er nog een aantal eenheden waren die nog steeds met oudere modellen van de Bf 109 vlogen. Hierbij dient ook vermeld te worden dat er vijf van de zeven Zerstörergruppen die nog op de Bf Me 109 vlogen tijdelijk de benaming Jagdgruppe kregen. Deze waren : II.ZG 1 (J.Gr.101), I./ZG 2 ( J.Gr.102), III./ZG 26 (J.Gr.126), I./ZG 52 (J.Gr.152) en II./ZG 76 (J.Gr.176). De benaming van I. en II./ZG 26, die op de Bf Me 109 B en C's vlogen, bleef onveranderd daar ze op punt stonden te worden heruitgerust met de Bf 110 C.
Slagorde van de met Bf Me 109 uitgeruste eenheden en hun numerieke sterkte (operationele) en de Luftflotten waartoe ze behoorden op de vooravond van de vijandelijkheden:
| Eenheid | Aantal | Operationeel | Type | |
|---|---|---|---|---|
| Luftflotte 1 | I/JG.1 | 54 | 54 | Me 109 E |
| I./JG 2 | 42 | 39 | Me 109 E | |
| 10.(Nacht)./JG 2 | 9 | 9 | Bf Me 109 C | |
| Stab en I./JG 3 | 51 | 45 | Me 109 E | |
| I./JG 20** | 21 | 20 | Me 109 E | |
| I./JG 21** | 29 | 28 | Bf Me 109 C en Me 109 | |
| J.Gr.101 (II./ZG 1) | 36 | 36 | Bf Me 109 B | |
| J.Gr.102 (I./ZG 2 ) | 44 | 40 | Bf Me 109 D | |
| Luftflotte 2 | Stab en I./JG 26 | 51 | 51 | Me 109 E |
| II./JG 26 | 48 | 44 | Me 109 E | |
| 10.(Nacht)./JG 26 | 10 | 8 | Bf Me 109 C | |
| I. en II./ZG 26*** | 96 | 92 | Bf Me 109 C en Bf Me 109 D | |
| J.Gr 126 (III./ZG 26) | 48 | 44 | Bf Me 109 B en Bf Me 109 C | |
| Luftflotte 3 | I./JG 51 | 47 | 39 | Me 109 E |
| I./JG 52 | 39 | 34 | Me 109 E | |
| J.Gr 152 (I./ZG 52) | 44 | 43 | Bf Me 109 B | |
| I. en II./JG 53 | 51 en 43 | 39 en 41 | Me 109 E | |
| 1. en 2./JG 70 | 24 | 24 | Me 109 E | |
| 1. En 2./JG 71**** | 39 | 18 | Bf Me 109 C en Me 109 E | |
| Luftflotte 4 | I./JG 76 | 49 | 45 | Me 109 E |
| I. En II/JG 77 | 50 en 50 | 43 en 36 | Me 109 E | |
| J.Gr.176 ( II.ZG 76) | 40 | 39 | Bf Me 109 B en Bf Me 109 C | |
|
**Deze twee eenheden waren op 1 november 1938 oorspronkelijk als nachtjachteenheden voorzien maar werden kort voor het begin van de vijandelijkheden ingeschakeld als dagjachteenheden. ***Deze twee eenheden stonden op het punt om op de Bf 110 C te worden omgerust. ****Deze eenheden bevonden zich in de fase van omvorming tot nachtjachteenheden. | ||||
Daarbij kwam nog de zogenaamde Luftwaffe-Lehrdivision, die op 1 november 1938 was gevormd en voornamelijk voor het ontwikkelen van operationele taktieken en technieken verantwoordelijk was, de Stab en I(Jagd)./LG 2 met 39 (37) Me 109 E's in de getalsterkte en 11(Nacht)./LG 2 met 10 (9) Me 109 E's. II./JG 186 omvatte de 5. en 6. Staffel met 24 (24) Bf Me 109 B's die ogenschijnlijk onder het bevel van het Oberkommando der Marine stonden.
De met de Jumo motoren uitgeruste Bf Me 109 C's werden geleidelijk aan uit de frontlijneenheden teruggetrokken tijdens de eerste oorlogsmaanden en werden tegen het eind van 1938 grotendeels toegewezen aan de Jagdfliegerschulen. Hun laatste operationele dienst werd uitgevoerd met de nachtjacht-Staffeln zoals 10.(Nacht./ JG 2 en 10.(Nacht)./JG 26.
*De Bf Me 109 A produktieversie werd niet gebouwd daar dit toestel slechts over twee machinegeweren beschikte. Door de geruchten die de ronde deden dat de Britse Hurricane en Spitfire met vier machinegeweren zouden uitgerust worden vloog de Bf Me 109 V4 reeds met drie machinegeweren.
Bron: Air Enthousiast Nov 71
"Die Ersten und die Letzten" Adolf Galland
Foto's : Bundesarchiv Koblenz
Archiv Podzun Verlag
Archiv Ulrich Elfrath