Junkers
Ju 88 C - D
Zware Jager
|
| De Ju 88 C werd voor korte tijd, van 23 juli 1940 tot 13 oktober 1941, ingezet voor lange-afstand acties bij nacht (Langstrecken Nachtjäger) en was de oorzaak voor veel verliezen onder de Blenheims, Wellingtons en Hampdens die meestal werden neergeschoten op het moment dat ze hun bases naderden, bij de terugkeer van acties boven Europa. |
Toen het RLM in 1935 aan de Duitse vliegtuigindustrie een specificatie uitgaf voor een snelle bommenwerper 'schnellbomber' betekende dit het onstaan van zowel de belangrijkste Duitse bommenwerper als de meest populaire zware jager.
De Junkers Ju 88, ontworpen door Junkers Flugzeug und Motorenwerke AG in Dessau, overtrof niet alleen de verwachtingen van het RLM als meer-doelen middelzware bommenwerper maar tenslotte ook als 'Tag Zerstörer' (zware dagjager) en Schwerer Nachtjäger (zware nachtjager), een vliegtuig waar het Derde Rijk later nog dringend om verlegen zou zitten. Tegen het eind van de oorlog waren er ongeveer 3.964 Ju 88 jagers gebouwd bij een totaal van 15.000 machines, of iets meer dan 25% van het volledige geproduceerde totaal.
Wanneer het eerste prototype Ju 88 V-1 op 21 december 1936 zijn eerste vlucht maakte was er nog geen sprake van om het vliegtuig als jager in te zetten; Het werd echter spoedig duidelijk dat de Ju 88 over uitstekende vliegcapaciteiten beschikte, een hoge snelheid haalde en een groot bereik had - allen eigenschappen die van belang waren voor een zware jager. Ondanks deze bevindingen bleef de ontwikkeling gericht op de evolutie van de eerste productie-variant bommenwerper Ju 88 A-1.
Toen de Ju 88 A-1 in de zomer van 1939 in productie ging was de favoriete zware jager van de Luftwaffe de kleinere twee-motorige, met een dubbele staart uitgeruste Messerschmitt Me 110. Ondanks het feit dat de Me 110 veelbelovend was en de persoonklijke favariet was van Hermann Göring had hij een gebrek aan vliegbereik en moest men later vaststellen dat hij tegenover de Britse éénmotorige jagers de duimen moest leggen. Als alternatief stelden de ontwerpers van Junkers dat de Ju 88 met zijn groot bereik voor, bewapend met een vaste batterij voorwaartsvurende wapens in de neus, als aanvuling aan de Me 110. Het RLM, nog steeds vasthoudend aan zijn concept van de Ju 88 als een bommenwerperontwerp, gaf schoorvoetend de toelating voor de constructie van enkele prototypes Ju 88 Zerstörer (als de Ju 88 Z) op basis van een beperkte, lage prioriteit.
De eerste vliegtuigcel voorbehouden voor het ombouwen was het bommenwerperprototype Ju 88 V-7 (GU + AE). De Ju 88 jagermodificatie omvatte drie vaste 7,92 mm MG 17 machinegeweren en een MG/FF 20 mm kanon, zo gemonteerd dat ze aan stuurboord door de vensters van de neus staken.
![]() |
| De Ju 88 V-7 GU + AE werd later omgebouwd tot verbindingsvliegtuig. De volle metalen neus was dezelfde die werd gebruikt voor de productie Ju 88 C jagers. Het onderste venster in de romp bleven behouden. |
Daar de geplande Ju 88 C-1 en Ju 88 C-3 nooit in productie gingen was de eerste echte Ju 88 Zerstörer de Ju 88 C-2. Over het algemeen waren de Ju 88 A-1 en C-2 uiterlijk identiek, met uitzondering van de voorwaartse bewapening, de verwijderde duikremmen en de verwijderde ETC bommenrekken van de Ju 88 C.
Zoals bij de prototypes werd de Ju 88 C-2 gekenmerkt door een metalen neuskap, alhoewel sommige toestellen het onderste gedeelte van de zijvensters van de bommenwerperversie behielden. Op het verbindingspunt van de holle neuskap en het voorste gedeelte van de romp was er een 11 mm dik gepantserd brandschot geïnstalleerd ter bescherming van de piloot. De bewapening bestond uit drie MG 17's (met 800 patronen per wapen) en een 20 mm kanon (MG/FF met 90 patronen, MG 151 met 350 patronen). Deze wapens waren gemonteerd onder een neerwaartse hoek van ongeveer vijf graden.
Zoals de A-1 bommenwerper werd de Ju 88 C-2 aangedreven door twee Junkers Jumo 211 B of G motoren waarvan de uitlatingen konden voorzien worden van vlammendempers. De Ju 88 C-2 behield bovendien de bommenrekken in het bommenruim zodat hij nog steeds in staat was om 500 kg bommen mee te voeren.
![]() |
| Junkers Ju 88 C-2 W.Nr. 0779 R4 + LH van 1./NJG 2 op 15 september 1941 beschadigd in de buurt van het vliegveld van Gilze-Rijen. |
De Ju 88 C-4 was in wezen de jagervariant van de Ju 88 A-5 bommenwerper die in productie ging in het begin van 1940. De Ju 88 C-4's waren zuivere jagerconversies van de Ju 88 A-5 vliegtuigcellen waarvan alle bommenwerperuitrusting was verwijderd en het onderste gedeelte van de neus volledig was bekleed.
De C-4 maakte gebruik van de verlengde vleugels met dito rolroeren van de A-5 waardoor de spanwijdte werd vergroot tot 20 m. De antennes van de FuG 10 en FuG 16 waren een weinig gemodificeerd en het antennerek van de FuBl 2 was verder naar achteren geplaatst en bedekt met een gestroomlijnde kap in plexiglas.
Voor de motoren bestonden er twee opties : ofwel de Jumo 211 G of de Jumo 211 F met 1.400 pk. Met deze laatste behaalden de C-4 een snelheid van 494 kilometer per uur.
De neusbewapening bleef dezelfde als bij de Ju 88 C-2, alhoewel het MG/FF 20 mm kanon was vervangen door een MG/FFM die over een hogere mondingssnelheid beschikte. Ook de optie voor het gebruik van het alternatief MG 151 kanon bleef behouden. De in het windschermen gemonteerde MG 15 was verwijderd.
![]() |
| De Junkers Ju 88 C-4, die in dienst was vanaf 1941 tot op het einde van de zomer van 1944, werd aangedreven door twee Jumo 211 B of twee C motoren. De voorwaartsvurende bewapening bestond uit vijf MG 15's en een 20 mm MG FF kanon. Veel van de C-types waren zogenaamde 'Mischausführungen' doordat ze omgebouwde bommenwerpers of gemodificeerde zware jagers waren. |
Alhoewel het RLM voortging met het reserveren van de BMW 801 stermotoren voor andere projecten was Junkers er toch in geslaagd de toelating te krijgen voor het produceren van een beperkte serie van met BMW 801 uitgeruste Ju 88 jagers onder de benaming Ju 88 C-5. Door de beperkingen opgelegd door het RLM en de trage leveringen van de motoren konden er slechts 10 exemplaren van de Ju 88 C-5 afgewerkt worden.
De Ju 88 C-5 was een verfijnde versie van de Ju 88 C-4, gekenmerkt door de BMW 801A motoren die een drie-blad volledig metalen VDM propeller aandreven. De buikgondel was vervangen door een gestroomlijde wapenhouder, die naar stuurboord was gemonteerd. Deze wapenhouder bevatte twee 7,9 mm MG 17 machinegeweren met 1.000 patronen per loop. De wapens werden door munitiebanden uit een munitiekist gevoed die waren ondergebracht in het achterste bommenruim. Als experiment werd er een vergrote centrale wapenhouder met twee 20 mm MG 151 kanonnen geïnstalleerd bij minstens één Ju 88 C-5.
De neusbewapening bleef dezelfde als deze van de Ju 88 C-4 met een langloop 20 mm MG 151 kanon in de onderste positie gemonteerd.De lege hulzen van deze wapens werden direct door openingen onder de romp uitgeworpen. De bemanning besteeg het toestel door een luik aan de stuurboordzijde van de romp.De weinige afgewerkte Ju 88 C-5's ondergingen evaluaties voordat ze werden doorgegeven voor verder ontwikkelingswerk. De Ju 88 C-5 was in staat een snelheid van 570 km/u te halen op een hoogte van 6.000 m.
In het begin van 1942 werd de Ju 52 C-6 op de montagelijn gezet. Deze jagervariant bevatte de verschillende verbeteringen die reeds bij de bommenwerper A-4 waren ingevoerd. Alhoewel de Ju 88 productie beperkt bleef begon het RLM tot het besef te komen dat het zich steeds uitbreidender front behoefte had aan een zware jager. Het resultaat daarvan was dat de Ju 88 jager productie voor 1942 werd verhoogd tot ongeveer 257 toestellen en daarmee werd de Ju 88 C-6 de eerste jagervariant die in grotere aantallen beschikbaar werd.
De grootste verandering tussen de Ju 88 C-4 en de Ju 88 C-6 was de installatie van de 1.400 pk Junkers Jumo 211 J-1 of J-2 vloeistofgekoelde motoren in plaats van de Jumo 211 F of G. De installatie van deze motoren werd gekenmerkt door de asymetrische builen onder de motorkappen en de bijkomende luchtinlaten voor de radiator in de voorzijde van de motorkap voor de onder de motor geïnstalleerde koelingen. De dunne metalen VDM propellers werden vervangen door de bredere VS-11 'paddelblad' propellers met hun vergrote propellerdoppen. Om het vergrote gewicht van de verbeterde vliegtuigframes te kunnen opvangen werd het landingsgestel versterkt en iets grote luchtbanden in gebruik genomen. Eigenaardig genoeg bleken een aantal toestellen nog te beschikken over hun duikremmen, die werden echter snel verwijderd.
De voorwaarts vurende bewapening in de neus en de buikgondel bleven dezelfde als bij de Ju 88 A-4, met de mogelijkheid om een 20 mm MG/FF of MG 151 te installeren. Om een sterkere achterste verdediging te bekomen werd de enkele MG 151 in de achterzijde van de cockpit vervangen door twee met munitiebanden gevoede 7,92 mm MG 81 J in een gepantserde verbrede cockpit. De achterwaarts vurende MG 15 in de gondel werd vervangen door een smallere Bola 39 of Bola 81 Z toren waarin naar keuze een MG 15, een MG 81J, een 13 mm MG 131 of een Zwilling MG 81Z kon worden geïnstalleerd. De onderste naar achter vurende wapens werden echter dikwijls verwijderd ten gunste van de voorwaarts vurende 20 mm MG/FFM kanonnen in de gondel.
Zoals de Ju 88 C-2 en C-4 kon de Ju 88 C-6 500 kg bommen of een bijkomende brandstoftank (1.200 l in het voorste, 600 l in het achterste bommenruim) meevoeren. Overeenkomstig de officiële laadtabellen bedroeg het max gewicht tussen 12.550 en 13.550 kg aar naar gelang het gebruik van de interne bommenruimen en de ETC rekken onder de vleugels. De ETC rekken onder de vleugels werden slechts zelden gebruikt. De topsnelheid van de Ju 88 C-6 met een gemiddeld gewicht lag bij 500 km/u.
Het cockpitinterieur was gelijk aan de vorige Ju 88 C's, alhoewel bijkomende apparatuur tot het vergroten van het instrumentenbord hadden geleid. De zetel van de piloot was volledig gepantserd en voor bijkomende bescherming van de bemanning was de bestaande interne pantsering opgevoerd. Ook de neus van het vliegtuig kon van pantserplaten voorzien worden. Alhoewel de eerste Ju 88 C-6's de vensters van de bommenwerperversie hadden, werden er later ramen van gepantserd glas op de montagelijn geïntroduceerd en werden deze de standaarduitrusting voor de latere toestellen.
Bij de eerste Ju 88 C-6's werd het roer van de vroege Ju 88's gebruikt (zowel bij de bommenwerper als jagerversie). Dit werd later ook vervangen door een uitgebalanceerd roer die de vorm van de scharnierlijn van het roer deed veranderen. Er werd een EZ 6 antenne ingebouwd in het midden van de romprug die werd beschermd door een rond deksel in plexiglas. De antenne van de FuBl 2 werd iets naar voor verplaatst en de antennes voor de FuG 110 hoogtemeter bevonden zich onder de vleugel aan bakboord.
![]() |
| De meeste van de eerste Ju 88 C-6's werden in 1942 toegewezen aan bommenwerpereenheden voor het uitvoeren van 'Zerstorer'-opdrachten. Deze Ju 88 C-6 was toegewezen aan 6./KG 3 'Blitz', dat een bekende tank- en treinkiller eenheid was aan het Oostfront. De propellerdoppen waren wit en rood geschilderd, op de neus stond de witte bliksemschicht. (Bundesarchiv) |
Tegen het eind van 1942 werd de Ju 88 C-6 de eerste jagervariant van de Ju 88 die was uitgerust met A.I. (air intercept) radar en tegen het midden van 1943 werd de Ju 88 C-6 steeds meer ingezet als lange-afstand nachtjager. Sommige Nachtjagd-eenheden ontvingen hun eerste Ju 88 C-6's zonder radar. De eerste met radar uitgeruste vliegtuigen waren dikwijls dezelfde als de dagjagers van de aanvangsproductie, maar dan voorzien van in de neus gemonteerde radarantennes. Andere uitrustingsdetails zoals verschillende installaties bij de defensieve bewapening, motoruitlaten met vlammendempers, en vlammendempers voor op de kanonlopen konden tussen de vliegtuigen onderling verschillen.
![]() |
| Alhoewel de nachtjacht was geconcentreerd boven West-Europa waren er een aantal met radar uitgeruste Ju 88 C-6's toegewezen aan I./NJG 2 in het Middellandse-Zeegebied. Dit toestel werd gekenmerkt door een FuG 202 radar, met niet-standaard horizontale dipolen, het gepantserd windscherm en de vlammendempers op alle voorwaarts vurende wapens. |
Bij het begin van de Tweede wereldoorlog was Nazi-Duitsland slecht voorbereid voor het opvangen van de nachtelijke raids van het RAF Bomber Command en moesten de piloten van de Luftwaffe de RAF bommenwerpers visueel trachten op te sporen. Later in de oorlog werd de 'Kommbinierte Nachtjagd' taktiek gebruikt boven bepaalde Duitse steden. Deze taktiek maakte gebruik van grondstations voor radarcontrole die de jagers naar de bommenwerpers in afgebakende 'jachtzones'moesten leidden. Daar werden de bommenwerpers in 'flakzones' opgewacht die dichter bij het doel lagen. Hierbij bestond het gevaar dat Duitse jagers die deze 'flakzones' binnenvlogen door hun eigen luchtafweer werden geraakt of neergehaald, wat de effectiviteit van deze taktiek sterk beperkte.
Een meer efficient systeem, bekend als 'Himmelbett' was ontwikkeld door Generaal Kammhuber en combineerde de gronverdediging en de jagers in de lucht achter een scherm van lange afstand 'Freya' en korte afstand 'Wurzburg' grondstations.
![]() |
| Een Würzburg-Riese op het Nederlandse eiland Walcheren. Een opname van 2 mei 1942 gemaakt door de Britten. De man bovenaan de trap diende als maatstaaf voor het bepalen van de grootte van het toestel. |
Alhoewel door de storingsacties van de RAF tot het uitschakelen van de FuG 202 en FuG 212 had geleid, was dit probleem spoedig opgelost bij het beschikbaar worden van de FuG 220 SN-2 radar, die bijna parallel met de beide andere radars was ontwikkeld. De SN-2 was herkenbaar aan zijn vier grote gebogen masten die elk twee vertikale dipolen droegen. Het volledige syteem was op de neus onder een neerwaartse hoek van 5° opgesteld.
Een tegenvaller bij de eerste SN-2 modellen (Model 0 en Model A) was zijn gebrek aan korte-afstand bereik, zijn minimum afstand bedroeg 500 m. Om dit te kunnen opvangen werden voor korte tijd de FuG 202 of FuG 212 bijgevoegd om ook deze afstand onder controle te krijgen en onderscheppingen op korte afstand te kunnen uitvoeren. Bij de latere SN-2 modellen (Model B) bestond de mogelijkheid om over te schakelen op kort bereik en werden de FuG 202/212 overbodig. De FuG 220 SN-2 werkte op een frequentie van 97 Mhz wat een bereik van 5.300 m opleverde.
Eén van de meest effectieve bewapeningsmodificaties bij de nachtjagers van de Luftwaffe was de 'Schräge Musik' (schuine muziek), een installatie van één of twee naast of achter elkaar opgestelde naar boven vurende kanonnen in de romprug. Deze bewapening verscheen voor het eerst tegen het eind van 1943 en stond onder een hoek van 70 à 80° opgesteld. Met deze installatie was het voor de Duitse nachtjagers mogelijk om de Britse bommenwerpers ongezien vanuit hun dode hoek onder het toestel aan te vallen.
De Ju 88 C-6 was de eerste Ju 88 jager die met deze modificatie werd uitgerust, gewoonlijk waren de kanonnen boven de bommenruimen gemonteerd. De uitwerpers voor de lege hulzen bevonden zich meestal in de luiken van het bommenruim. Er bestonden verschillende variaties in de opstelling bij de Ju 88 C-6, enkele daarvan waren modificaties die op het terrein waren aangebracht. Om de op de centerlijn gemonteerde wapens een vrij schootsveld te geven werd FuG 10 antenne verplaatst en aan een zijdelingse steun op het staartvlak bevestigd. Het mikken gebeurde door middel van een vizier dat boven de piloot op het raamwerk van het cockpitdak was bevestigd. Over het algemeen waren er twee met munitiebanden gevoede lang-loop MG 151 kanonnen, met elk 500 patronen, geïnstalleerd.
Van de Ju 88 C-7 werden waarschijnlijk maar enkele exemplaren gebouwd. Over de C-7 spreken verschillende bronnen elkaar tegen (sommige vermelden de C-7 als een dagjager zonder radaruitrusting, andere aanzien de machine als een verbeterde uitvoering van de C-4 en bij nog andere wordt hij beschreven als een testbank voor motoren). Gezien de (zeer) minieme bijdrage en het uiterst klein (of geen) aandeel in de verloop van de ontwikkeling van de Ju 88 C wordt hier niet verder op 'voort geborduurd'.
Bij het begin van de ontwikkeling van de Ju 88 begonnen Junkers en de Luftwaffe te discussiëren over de ontwikkeling van lange-afstand hoge-snelheid verkenningsvariant die de Dornier Do 17 P moest vervangen.Tegen 1940 werden er plannen gemaakt voor de ontwikkeling van een verkenningsvariant van de Ju 88 A onder de benaming Ju 88 D. Totdat de productie Ju 88 D beschikbaar werd voor de inzet werden er Ju 88 A-1 en A-5 aangepast voor de verkennersrol.
Een aantal Junkers Ju 88 A-1's en A-5's werden gemodificeerd voor verkenningsopdrachten door het verwijderen van alle specifieke bommenwerpersuitrusting en de installatie van drie camera's in een verticaal raamwerk in het achterste bommenruim. Deze aangepaste Ju 88's, Ju 88 A-1(F) en Ju 88 A-5(F) genaamd, waren uiterlijk gelijk aan de bommenwerperversies met uitzondering van afwezigheid van de ETC-bommenrekken en de duikremmen. De vierdelige luiken van de bommenruimtes werden vervangen door één dubbele. Aan stuurboord werden twee ronde cameravensters in het luik gemonteerd en één in het luik aan de bakboordzijde. Gewoonlijk werd er in het voorste bommenruim een 1.200 l brandstoftank geïnstalleerd. De bediening van de rompcamera's en de handbediende camera in de neus werden ondergebracht in de positie van de bommenrichter. In het begin van de zomer 1940 werden een aantal Ju 88 A-4(F)'s en Ju 88 A-5(F)'s ingezet voor bewakingsopdrachten boven Groot-Brittannië.
In de loop van 1940 begonnen de eerste van ongeveer 330 productie Ju 88 D verkenningsvliegtuigen de montagelijnen van Junkers te verlaten. In de loop van de komende drie jaar zouden vijf varianten van de Ju 88 D gebouwd worden. Deze varianten waren afgeleid van de Ju 88 A-4 en Ju 88 A-5 en bevatten de meeste van de vernieuwingen en uitrustingstukken die bij de standaard bommenwerpervarianten waren ingevoerd, waaronder de afwerpbare brandstoftanks, de zwaarder bewapening en de radaruitrusting.
De meegevoerde fotografische uitrusting bestond uit Rb (Reihenbild) 70/30 grote-hoogte camera's, Rb 50/30 grote-hoogte camera's en Rb 20/30 lage-hoogte camera's, in verschillende combinaties naar gelang de aard van de opdracht. De productie van de Ju 88 D werd beëindigd in 1944 met een totaal tussen 1.450 en 1.500 exemplaren.
De Ju 88 D's deden dienst op alle fronten en deden niet alleen dienst bij de Luftwaffe, maar werden ook bij een paar Duitse gealieerden, waaronder luchtmachteenheden van de Roemenen en Hongaren. De Luftwaffe-eenheden die met de Ju 88 verkenner inzetten omvatten Aufklärungsgruppen 10, 11, 14, 22, 120, 121, 122, 123 en 124 en ook de Aufklärungsgruppe des Oberbefehlshabers der Luftwaffe.
Tegen midden 1940 was er een kleine groep pre-productie Ju 88 D-0's gebouwd, die werden gevolgd door een eerste productiemodel, de Ju 88 D-2. Beide toestellen waren gebaseerd op het Ju 88 A-5 vliegtuigframe, uitgerust met Jumo 211 B-1 (voor de D-0), G-1 of H-1 motoren en met de camera's geïnstalleerd in het achterste bommenruim zoals bij de eerste Ju 88 A-5(F). De ETC-bommenrekken bleven op hun plaats voor het ophangen van afwerpbare brandstoftanks. 1.(F)/122, gestationeerd in Stavenger in Noorwegen, was waarschijnlijk de eerste eenheid die de Ju 88 D-0 ontving. De eerste eenheid die operationeel werd met de Ju 88 D-2 was 2.(F)/123 die opereerde vanaf bases in Frankrijk.
![]() |
| Grondpersoneel bij het starten met de manivel van een Ju 88 D-1 F6 + DN van 5.(F)/122. Om het cameracompartiment niet te hinderen was de FuBl 2 antenne verplaatst naar het achterste gedeelte van de romp. Deze Ju 88 D-1 is uitgerust met smalle VDM metalen propellers in plaats van de standaard VS houten paddelblad propellers. |
De Ju 88 D-1, die beschikbaar werd in het begin van 1941, was gebaseerd op de Ju 88 A-4. Anders dan bij de Ju 88 D-2 had zijn camera's geïnstalleerd in de romp, onmiddellijk achter het achterste bommenruim. Bij de operationele opdrachten werden enkel de twee camera's aan stuurboord meegevoerd, onder de romp was de plaats voor het installeren van een derde camera gemarkeerd. De FuGl 2 antenne was verder naar achter geplaatst.
De Ju 88 D-1 werd bovendien gekenmerkt door een met de brandstof gevoede verwarming in het cameracompartiment met een uitlaatpijp in een gestroomlijne bekleding in de romp. Voor het onderhoud was het cameracompartiment bereikbaar langs de achterzijde van het achterste bommenruim. De achterzijde van het compartiment was afgesloten van de rest van de romp door een zeildoek.
De Ju 88 D-1 kon het volledige pak aan bommen of bijkomende brandstoftanks die ook ter beschikking waren voor de Ju 88 A-4 meevoeren. De Ju 88 D-1 werd snel de meest gebruikte Ju 88 verkenner-bommenwerpervariant.
Voor operaties boven de woestijn werd er een tropenversie van de Ju 88 D-1 geproduceerd onder de benaming Ju 88 D-3. De tropenuitrusting bestond uit zandfilters voor de luchtinlaten en overlevingspaketten voor in de woestijn voor de bemanning. Er werden een aantal Ju 88 D-1's gemodificeerd door de conversiecentra van de Luftwaffe onder de benaming Ju 88 D-1/Trop.
De Ju 88 D-4 was een getropicaliseerde productieversie van de Ju 88 D-2. Aanvankelijk kregen deze toestellen de benaming Ju 88 D-2/Trop., deze benaming werd later dan veranderd in Ju 88 D-4.
De Ju 88 D-5 was de eindproductieversie en werd parallel geproduceerd met de Ju 88 D-1. De D-5 was een variant voor algemene doelen met drie camera's, tropenuitrusting en ofwel Jumo 211 G of J motoren die metalen VDM-propellers aandreven.
Bronnen
Aircraft Profile nr. 29 - The Junkers Ju 88 A-series
Podzun-Pallas-Verlag, Band 48 Das Arbeitspferd Der Luftwaffe Ju 88
Squadron/Signal Band 15 Junkers Ju 88
Squadron Signal Band 85 - Junkers Ju 88 in action
Squadron Signal Band 113 - Junkers Ju 88 in action
Das waren die deutschen Kampfflieger-Asse 1939-1945, Motorbuch-Verlag Stuttgart
Aero Detail nr.20 - Junkers Ju 88
Luftwaffe im focus 2-2003, 3-2003, 4-2004
Luftwaffe at war nr.15 - German Bombers over Russia
Foto's :
US Air Force Archiv - Helmut Roosenboom Archiv - Bundesarchiv Koblenz - Bibliotheek f. Zeitgeschichte
Uwe Feist Archiv - Squadron/Signal Archiv - US Official - James V. Crow - Stein Archiv
Podzun Archiv - Mr. Aders, Bonn - Mr. Petrick, Berlijn - Mr. Zucker, Ottobrun
| Awarded to quality aviation information websites | |||