Henschel
Hs 129 Panzerjäger
![]() |
| De enige Hs 129 C-1/V4 WNr 220001 was uitgerust met een 75 mm kanon onder de romp. Dit wapen werd de standaarduitrusting voor de B-3. De paralelle gaten achter de monding van het wapen maakten deel uit van de mondingsrem en dienden voor het afleiden van wapengassen van het kanon. De 20 mm kanonopeningen waren afgesloten en de 7,92 mm machinegeweeropeningen waren dichtgeplakt. |
Ve Spaanse burgeroorlog (1936-39) was een ideale testperiode voor Duitsland, Italië en de Sovjet-Unie om nieuwe wapens en tactieken te evalueren voor land- en luchtgevechten. Tot deze testen hoorde ook een nieuw concept van nabije luchtsteun voor bevriende troepen tegen vijandelijke strijdkrachten. De taak om vaste of traagbewegende doelen met uiterste precisie te vernietigen was toevertrouwd aan duikbommenwerepers zoals de Stuka Ju 87 Stürzkampfbomber. De Duitsers, die de Spaanse Nationalisten steunden, waren van het gedacht dat de verouderde tweedekkers zoals de Heinkel He 51 en Henschel Hs 123 niet voldeden om kleine, snelle en beweeglijke doelen aan te vallen. Deze doelen omvatten tanks, pantservoertuigen en troepenconcentraties. De He 51 en Hs 123 waren ongepantserd, licht bewapend, traag en kwetsbaar voor grondvuur. De ondervinding in Spanje maakte duidelijk dat er nood was aan een goed beschermd en zwaar bewapend Schlachtflugzeug (grondaanvalsvliegtuig).
De ervaring opgedaan door het Duitse Legion Condor in het uitvoeren van nabije luchtsteun in de Spaanse Burgeroorlog werd doorgegeven naar Duitsland. In april 1937 werd er door het Technisches Amt van het Reichsluftfahrtministerium een specificatie uitgegeven. Deze specificatie was voor een klein, tweemotorig vliegtuig bewapend met zware 20 mm machinegeweren en bommen. Het TA stelde voor - maar eiste niet - om de Argus As 410 A-0 motoren voor dit nieuwe toestel te gebruiken. Deze 12 cylinder, luchtgekoelde motor-in-lijn leverde een 460 pk voor het opstijgen en 430 pk in vlakke vlucht.
Het vliegtuig voor nabij-steun door het RLM voorgesteld was voorzien voor het uitvoeren van vlakke vluchten op lage hoogte boven het strijdtoneel waar het luchtoverwicht in eigen handen was. Dit betekende dat er geen behoefte was aan een staartschutter, waardoor het gewicht van het toestel kon worden beperkt en de nuttige last verhoogd. De eigen pantserbescherming tegen grondvuur voor de piloot en de motoren werd als cruciaal voorzien, naast een bescherming voor de piloot wanneer deze een noodlanding moest uitvoeren. Het toestel moest bovendien een eenvoudige structuur bezitten en gemakkelijk te onderhouden zijn. Het TA gaf de deenemende concurrerende ontwerpers de vrije hand in het afwerken van de details van hun voorstellen.
De toelating voor het ontwerpen van een nabij-ondersteuningsvliegtuig werd door het TA aan vier constructeurs toegekend: Focke-Wulf Flugzeugbau AG, Gotha Waggonfabrik AG, Hamburger Flugzeugbau (later Blohm & Voss) en Henschel Flugzeugwerke AG. Gotha slaagde er niet in om tegen de door het TA vastgestelde datum een voorstel in te dienen, terwijl Hamburger en Focke-Wulf een gemodificeerde versie van hun respectievelijke verkenningsvliegtuigen, de Ha 141 en de FW 189, leverden. Henschel leverde als enige een nieuw ontwerp af dat speciaal was ontworpen om aan de vereisten tegemoet te komen.
Hamburg's P-40 was een modificatie van zijn Ha 141 (later BV 141) verkenningsvliegtuig dat gebruik maakte van een asymetrische configuratie. De romp bevond zich buiten de centerlijn van het vliegtuig terwijl het compartiment voor de tweekoppige bemanning in een aparte gondel aan stuurboord was ondergebracht. De Ha 14 werd aangedreven door een vooraan in de romp gemonteerde 960 pk Daimler-Benz DB-600 vloeistofgekoelde motor-in-lijn. De ongewone construstie resulteerde in een uitstekend rondom zicht voor de bemanning en een beperking van de torsiekrachten van de motor die vooral invloed hadden bij vluchten op zeer lage hoogte.
Het project voor een nabij-ondersteuningsvliegtuig van Focke-Wulf hield het op de bestaande As-410 A-0 motoren en de dubbele romp van de FW 189 verkenner; de cockpit was wel kleiner gemaakt en zwaar gepantserd. De piloot en de rugschutter zaten rug-aan-rug. De piloot was gedeeltelijk beschermd door een 57 mm dik gepantserd windscherm, de rugschutter beschikte over een vertikale opening. De voorgestelde bewapening voor de ondersteuningsvariant van de FW 181 bestond uit 2 20 mm MG 151/20 kanonnen en 2 7,9 mm machinegeweren in de rompzijden. de rugschutter beschikte over een 7,9 mm machinegeweer op een beweeglijke steun.
Henschel begon met de voorbereidende ontwerpswerkzaamheden voor het Schlachtflugzeug in januari 1938 onder de benaming P.46. In februari en maart werden verschillende besprekingen gehouden met het Technisches Amt omtrent het tegemoetkomen aan de vereisten die door de Luftwaffe waren gesteld. In april begon de echte ontwikkeling en de P.46 kreeg de officiële benaming Hs 129
Het originele ontwerp van Henschel -fabrieksnaam P-46 ontworpen door Dipl.Ing. Friedrich Nicolaus- was ongeveer 20% kleiner in afmeting en gewicht dan de FW 141. De P.46 werd eveneens aangedreven door twee As-410 A-0 motoren, waardoor deze versie een hogere snelheid behaalde dan de rivaal van Focke-Wulf. Het toestel van Henschel werd gekenmerkt door een ongebruikelijk driehoekvormige doorsnede van de romp met afgeronde bodem.De romp was 30 cm breed aan de bovenzijde, 110 cm aan de onderzijde en had een hoogte van 116 cm. Deze driehoekige vorm leverde een kleiner doel en deed aan de zijwanden projectielen afwijken, maar had ook de bekrompen positie voor de piloot in de cockpit tot gevolg. De bovenzijde van de romp was berekend op de gemiddelde schouderbreedte van een volwassen man. De cockpit zelf was goed ontworpen en bezat de basisvereisten van het TA. Een dikke pantserplaat in de cockpit beschermde de piloot en deed dienst als rug- en hoofdsteun.
![]() |
| Piloten van de Luftwaffe poseren voor 'Weiße 8', een Hs 129 A-0 (WNr.3008 GM + OE) van de Ergänzungszerstörergruppe, een opleidingseenheid voor Hs 129 piloten. De Hs 129A's en eerste B's hadden een groot rond landingslicht in de bakboordvleugel. De piloten gebruikten dit licht om de grond onder hen te verlichten tijdens het nadere, landen en taxiën. Witte 8 werd vernietigd bij een ongeval in Polen op 15 juli 1942. (Möller) |
In juli 1940 begon Henschel aan een pre-productieserie van 23 Hs 129's, onder de benaming Hs 129 A-0. Deze beslissing werd genomen terwijl de evaluatie en operationele testen nog steeds verder werden gezet bij de E-stelle Rechlin. Henschel kende deze serie de fabrieknummers W.Nr. 129 3004 tot 129 3026 toe. De eerste Hs 129 A-0 W.Nr.129 3004 Stammkenzeichen/radiocode GM+OA maakte zijn maidenflight op 1 augustus 1940. Eind 1940 verminderde het RLM de opdracht voor 23 toestellen tot 14.
De diensttesten met de Hs 129 A-0 begonnen in de herfst van 1940 toen het eerste toestel werd overgedragen aan 5.(Schlacht) Staffel van LG (Lehrgeschwader) 2 te Tutow. Deze eenheid -eveneens uitgerust met Messerschmitt Me 109 E jagers en Hs 123 duikbommenwerper- ontving tegen eind 1940 zeven Hs 129 A-0's. De resterende zeven toestellen werden afgewerkt en dan in januari 1941 geleverd. De piloten van 5.(Sch.)/LG 2 haden dezelfde klachten over de Hs 129 A-0's als de testpiloten, slechte zichtbaarheid, weinig motorkracht en middelmatige besturing. Eén van de toestellen (GM+OF WNr. 3009) stortte op 16 december 1940 neer waarbij de piloot en een mechanieker de dood vonden. Ondanks deze tegenslag zette men het testprogramma verder om tegemoet te komen aan de dringende noodzaak van de Luftwaffe voor een geschikte grondaanvalsmachine.
![]() |
| De piloot van 'Weiße 5' leunt uit de cockpit van zijn Hs 129 A-0 (WNr. 3005) De schoepen op de propellerdop regelden de instellingshoek van de tweeblad Argus propeller. De grote opening onder de propellerdop was de inlaat voor de olieradiator, de twee kleinere openingen dienden voor de afkoeling van de Argus As 410 A-1 motor. Dezelfde combinatie van motoren en propellers werd gebruikt voor de Focke-Wulf Fw 189 verkenner. (Möller) |
Het RLM weigerde, nadat het de resultaten had gekregen van de operationele testen van de Hs 129 A-0, om de Hs 129 A-1 te aanvaarden, en verwees daarbij naar de 'luie' prestaties van de machine. Friedrich Nicolaus begon aan een nieuw project gebaseerd op de Hs 129 A-1. De P-76 behield de configuratie van de Hs 129 A maar kreeg iets grotere afmetingen. Het nieuwe ontwerp had een spanwijdte van 15,5 m, een lengte van 10,11 m en een hoogte van 3,51 m. De motoren waren nu twee 700 pk Rhone & Gnome 14 M 04/05 stermotoren die een drieblad metalen Ratier propeller met variabele spoed aandreven. De tegen de wijzerzin in draaiende motoren waren aan bakboord gemonteerd, de met de klok meelopende motoren kregen een plaats aan stuurboord. De dringendheid waarmee de Luftwaffe de grondaanvalsvliegtuigen nodig had betekende het einde van het P-76 project, dat niet binnen het jaar kon afgewerkt worden. Henschel was gedwongen om de R&G motoren te gebruiken voor de reeds beschikbare Hs 129 A-1 frames.
Henschel vernieuwde het Hs 129 V-3 prototype (WNr. 129 3003) met de Franse motoren in Schönefeld in het begin van 1941. De middensecties van de vleugels en de motordragers waren aangepast om de grotere en zwaardere motoren te kunnen installeren. De ingenieurs verplaatsten binnen in het toestel sommige uitrustingsstukken naar het staarteinde om het door de zwaardere motoren veranderde zwaartepunt te compenseren. Het gemodificeerde toestel, met de benaming Hs 129 V-3/U1 (Umbausatz) vloog voor de eerste maal op 19 maart 1941. Aansluitende testvluchten in Rechlin bevestigden de verbeterde prestaties door de G&R motoren tegenover de Argus. Als resultaat van deze testvluchten werden er 16 Hs 129 A-1's opnieuw uitgerust met de 14 M motoren. Deze toestellen kregen dan de benaming Hs 129 B-0 Het eerste volledige vliegtuig dat werd gemodificeerd tot Hs 129 B-0 was He 129 A-0 W.Nr. 126 3007 GM+0D.
Voordat er werd overgegaan tot de aflevering aan de Luftwaffe maakten de techniekers van Henschel een nieuwe Hs 129 B-1 klaar voor motortesten in de fabriek van Johannistal. Deze machine bezat de vroege ronde inlaten onder de motorkap en een groot landingslicht in de voorzijde van de bakboordvleugel. Bij latere productie Hs 129's werd dit landingslicht achterwege gelaten.
![]() |
| Mekaniekers maken een nieuwe Hs 129 B-1 klaar voor een motortest op het terrein van de fabriek van Johannistal. De machine heeft de vroege ronde luchtinlaat onder de motorkap en het grote landingslicht in de bakboordvleugel. Bij latere productie Hs 129B's werd dit licht verwijderd. (Bernad) |
Er werd geen eigen nummer of benaming gegeven aan deze uitrustingsopties voor de Hs 129. Officiele handboeken en RLM Lieferpläne (leveringsplannen) vermelden ook de beschikbare bewapening en uitrustingsopties, maar geen Rüstsatz-benaming.
Henschel paste 10 Hs 129 B-0's (WNr.0151 tot 0160) aan tot B-1 versies en produceerde daarna 50 originele B-1's (W.Nr.0161 tot 0210) overeenkomstig de lopende RLM-bestelling voor 60 toestellen. Tijdens de constructie van de laatste groep bracht Henschel de Hs 129 productie over van Schönefeld naar zijn grotere fabriek in Jahannistal, ten zuidoosten van Berlijn.
Uiteindelijk bereikten de eerste Hs 129 B-0's en B-1's op 3 jabuari 1942 de eenheden. Er werden twee Hs 129 B-0's geleverd aan de Ergänzungs- Schlachtstaffel van Lehrgeschwader 2 als trainingstoestellen, samen met drie Hs 129 B-1s productoetoestellen.Het eerste verlies van een Hs 129 B-0 deed zich voor op 6 januari 1942 toen Fw. Konrad Bewermeyer neerstortte en de dood vond in W.Nr.0017 in Rechlin.
In december 1941 bestelde het RLM 250 tropenversies van de Hs 129 B-1, die moesten uitgerust worden met zandfilters voor operaties in de woestijn. Deze bestelling werd geannuleerd in april 1942 en de laatst 10 Hs 129 B-1's (W.Nr.0201 tot 0210) werden aangepast als de eerste versies van de Hs 129 B-2.
De indiensttreding van de Hs 129 B-1 aan het Oostfront in de lente van 1942 bracht verschillende problemen aan het licht. Het meest verontrustende probleem werd ontdekt aan de Gnôme & Rhône 14 M motoren, die bleken te weinig bestand tegen stof, zand en gevechtsschade. Het ontwerpsteam van Dipl.Ing. Nicolaus ging onmiddelijk aan het werk om de Hs 129 B aan te passen zodat deze problemen van de baan waren. De verbeteringen omvatten het aanpassen van de motorkappen en het verkorten van de uitlaatpijpen. Men neemt aan dat de uitlaatpijpen werden verkort om het oververhitten van de motor tegen te gaan. De ronde luchtinlaten van de Hs 129 B-1 werden vervangen door rechthoekige inlaten voorzien van verbeterde zand- en stoffilters.
Het brandstofsysteem werd eveneens aangepast met onder andere het in gebruik nemen van een drukregelaar dicht bij de brandstoffilter en brandstofpomp. Pompen geïnstalleerd in de vleugeltanks verminderden het risico op vastlopen van de motor door vorming van gasbellen onder tropische omstandigheden. Deze aanpassingen aan de Hs 129 B-1 resulteerden in de Hs 129 B-2, die later 90% van alle gebouwde Hs 129's vertegenwoordigde. De eerste B-2 WNr.0201 -oorspronkelijk besteld als B-1- was klaar in mei 1942. Dit was het eerste toestel van de 250 B-2's die door het RLM waren besteld.
De Hs 129 B-2 behield de basisstructuur en uitrusting van de Hs 129 B-1, afgezien an de motor en brandstofsysteem. Bij het begin van de B-2 productie werd de radioantennemast verplaatst en vervangen door een antennekabel die van de bovenzijde van de romp naar de top van het staartvlak liep. Een RDF (Radio Direction Finding) ringantenne werd bij latere toestellen op de rug van de romp gemonteerd. Deze antenne werkte samen met radio-grondbakens om de piloot te voorzien van juiste navigatieinformatie. Een achteruitkijkspiegel boven op het windscherm en verkorte uitlaatpijpen werden geïnstalleerd bij latere productietoestellen.
Zes Hs 129 B-2's (WNr.0351 tot 0356) werden in de staartkegel uitgerust met een Schleppkupplung (sleepkoppeling) voor het slepen van de DFS 230 aanvalszweefvliegtuig. Er zijn echter nergens verslagen te vinden over een actieve Hs 129/DFS 230 combinatie.
![]() |
| Deze vroege Hs 129 B-2 WNr.0226 draagt de typische camouflage en kentekens. Bij latere productietoestellen werd het zwarte centrum van het balkenruis weggelaten. Deze machine maakte een buiklanding op 4 augustus 1942 en werd daarbij voor 35% beschadigd. |
Henschel had gepland om tot 40 Hs 129 B-2's per maand te bouwen, maar tegenstrijdige RLM eisen en tegenstrijdige bestellingen herleiden de uitstoot tot 20 toestellen per maand in september 1942. Het RLM had Henschel oopgedragen om de Ju 88 bommenwerpers onder licentie te bouwen, eiste daarna dat de productie overschakelde op de bouw van de Me 410 zware jager. In december 1943, nadat Henschel was opgerust voor de bouw van de Me 410, werd de opdracht gegeven om in de plaats daarvan de Ju 388 bommenwerper te bouwen. Deze veranderingen in de productiecapaciteiten van Henschel, zorgden er voor dat er aanzienlijk in de Hs 129 productie werd gesneden op een ogenblik dat men het toestel het meest nodig had. Tegen eind 1943 had het totale aantal Hs 129's die afgeleverd waren 664 toestellen bereikt. De natuurlijke afvloeiing was hoog; in dezelfde periode waren er 495 van de 664 geproduceerde Hs 129's verloren gegaan door gevechten, ongelukken en achtergelaten of overrompeld op vliegvelden die in vijandelijke handen vielen. Ook de geallieerde bombardementen op de Duitse industrie droegen bij tot de vertragingen in het productieproces. Een plan van het RLM van begin 1942 voorzag tegen 30 maart 1945 1.128 afgewerkte Hs 129 B-2's. Ondanks de obstakels die de productie vertraagden melde de firma meer dan 1.000 B-2's te hebben gebouwd toen de productie van dit model in september 1944 werd beëindigd.
De Hs 129 B-2's bewapend met de 30 mm of 37 mm kanons boekten aanzienlijke successen in hun anti-tankrol. De toestellen schakelden de Russische tanks uit door de voertuigen van langs achter en van opzij aan te vallen, daar was de pantsering minder dik. Tegen begin van 1944 vroeg de Luftwaffe om zwaardere anti-tankwapens om ingezet te worden tegen het groeiende aantal verbeterde Russische tanks en gepantserde aanvalswapens. Het RLM verzocht Henschel een studie uit te voeren over de mogelijkheid om het 75 mm PaK 40 L(5) kanon aan te passen voor installatie in een B-2.
In het begin van 1944 werd er een houten model van dit kanon en zijn bekleding onder de romp van een Hs 129 B-2 WNr.141258 gemonteerd. Met deze combinatie werden er in mei 1944 aerodynamische testen uitgevoerd bij de E-Stelle Travermünde. De testvluchten wezen uit dat het 75 mm kanon en zijn bekleding geen nadelige gevolgen hadden voor de vliegprestaties van de B-2. Deze succesvolle testen met het houten model werden gevolgd door het installeren van het PaK 40 L in drie Hs 129 B-2's -WNr.140494,141291 en 141292. De drie toestellen werden toegewezen aan EKdo 26(6) en werden in augustus en september gebruikt voor het uitvoeren van testen tegen buitgemaakte Russische tanks. Bij deze uitgebreide testen werd aangetoond dat het 75 mm kanon in staat was om alle Russische gepantserde voertuigen, met inbegrip van de zware JS-2, te vernietigen.
![]() |
| Hs 129 B-2 W.Nr.140494 DO+XG gemodificeerd tot de B-3 standaard. In juni 1944, na het uitvoeren van een aantal algemene testvluchten, werd de machine in zes testvluchten door het RLM en de E-Stelle Rechlin op de korrel genomen. Na achttien verdere vluchten waarbij de vibraties bij het besturen, de vliegeigenschappen en de landingsgedragingen werden nagegaan kreeg de machine een groter roer en werd overgedragen aan Tarnewitz op 8 juli 1944. |
Het ontwerpteam van Henschel, onder Dipl.Ing. Nicolaus zocht naar krachtiger motoren dan de 700 pk Gnôme & Rhône 14M. Nicolaus stelde het gebruik van de Italiaanse Isotta-Fraschini Delta RC 16/48 motoren voor omdat er geen geschikte Duitse motoren beschikbaar waren. Deze 1200 pk Delta RC 16/48 was een 12 cilinder luchtgekoelde motor-in-lijn. Twee Delta RC's zouden worden gebruikt voor de Hs 129 C-1, een nieuwe variant aan het RLM voorgesteld door Henschel in 1943.
De Hs 129 C-1 behield de standaardbewapening van de vorige B-2 maar kreeg een paar 30 mm MK 103 kanonnen met 60 granaten per wapen naast elkaar gemonteerd onder de romp. De piloot beschikte over een afstandsbediening voor deze wapens met een beperkte dwarse beweeglijkheid. Op de romp waren er twee naar achter vurende MG 17 machinegeweren ingebouwd als verdediging tegen aanvallen langs achter van vijandelijke toestellen. De piloot beschikte over een speciaal achteruitkijkvizier Revi 5 om met deze wapens te mikken. Dit vizier was getest met een standaard Hs 129 B-2 in 1943 bij de E-stelle Tarnewitz. Deze variant kon ook worden uitgerust met bommenrekken onder de vleugels tot 1.000 kg.
De Isotta-Fraschini Delta RC 16/48 motoren bleven tijdens hun ontwikkeling onderhevig aan problemen. Deze problemen -samen met de Italiaanse wapenstilstand met de geallieerden op 3 september 1943- beëindigden de samenwerking met Henschel. De firma liet daarna haar keuze vallen op de 820 pk Gnôme & Rhône R14 M38 motoren voor de nieuwe Hs 129 variant. Deze 14 cilinder luchtgekoelde stermotor leverde 120 pk meer dan de 14M motoren van de B-2 Henschel monteerde de R14 M38 in een Hs 129 B-2 WNr. 0267 die in augustuis 1943 met zijn nieuwe motoren vloog.
![]() |
| Dipl.Ing.Friedrich Nicolaus, de schepper van de Hs 129, chef-ingenieur van Henschel. Hij eindigde de oorlog als lid van de Volksturm |
De Hs 129 was tegen het begin van 1942 uitgebreid getest door verschillende E-Stellen over Duitsland. Deze testen waren uitgevoerd geworden onder verschillende omstandigheden met verschillende soorten wapens. Het succes van het testprogramma overtuigde het RLM ervan om het toestel operationeel te verklaren.
De eerste operationele Hs 129 B-1's werden toegewezen aan een nieuw opgerichte eenheid van de Luftwaffe, Sch.G 1 (Schlachtgeschwader 1). De eenheid was opgericht in Lippstadt op 13 januari 1942 en bestond uit de I. en II. Gruppe. Iedere Gruppe was verdeeld in drie Staffeln van elk 12 vliegtuigen. De 4. en 8.Staffel plus een kleine Stab Staffel rondden het geheel af. De Hs 129 B-0 en B-1's werden eerst alleen aan II./Sch.G 1 (5., 6. en 7./Sch.G 1) toegewezen terwijl de andere onderdelen van het Geschwader nog op de oudere Hs 123 en Me 109 E jagers bleven vliegen. In april 1942 werden ook de toestellen van de 4. en 8. Staffeln vervangen door Hs 129's.
De Hs 129's waren in de standaard camouflagekleuren van de Luftwaffe geschilderd die bestonden uit een splinterpatrron van RLM70 zwartgroen en RLM71 donkergroen. De onderzijde was RLM65 lichtblauw. Voor het balkenkruis was een individuele letter in de Staffelkleur geschilderd. Achter het balkenkruis was een witomrande zwarte driehoek aangebracht die verwees naar een Schlachtverband (grondaanvalseenheid). De toestellen die opeerden aan het Oostfront hadden de neus, onderzijde van de vleugeltippen en de rompband in het RLM27 geel geschilderd. Het neuspaneel voor de cockpit was donkergroen gehouden om de luchtweerkatsing voor de piloot te beperken. Bij sommige toestellen was er op de neus met een stencil het Infanterie-Sturmabzeichen kenteken aangebracht. Individuele Staffal kentekens werden gewoonlijk achter de cockpit aangebracht.
De Hs 129 B's van II./Sch.G 1 werden vanuit Duitsland midden mei 1942 in de zuidelijke sector van het Oostfront ontplooid. 4. en 5./Sch.G 1 werden toegewezen aan het Krim-schiereiland en de 6. en 7./Sch.G 1 aan de noordzijde van het Azovmeer. Sch.G 1 had 43 beschikbare Hs 129B's bij het begin van zijn operationele inzet in mei, en begon onmiddellijk met algemene verkenningsvluchten om het operatiegebied te leren kennen. Daarna voerden de toestellen aanvallen uit tegen Russische gemotoriseerde kolonnes, artilleriestellingen en versterkte posities. Bij deze eerste opdrachten bewees de Hs 129B succesvol te zijn alhoewel de motoren een algemeen zorgenkind bleven. Het merendeel van de Hs 129B's die verloren gingen tijdens de gevechten kwamen op rekening van de Russische luchtafweer.
![]() |
| Bodempersoneel maakt Hs 129 B-2 'Weiße G' W.Nr. 0366 klaar voor een nieuwe opdracht vanaf een ondergesneeuwd, vooruitgeschoven vliegveld eind 1943. Dit was een machine van 4.(Pz)/Sch.G 1 in de zuidelijke sector aan het Oostfront. |
In de herfst van 1942, na de Britse overwinning bij El Alamein, waren het Duitse Afrika Korps en de Italiaanse verbondenen in vole terugtocht naar het Westen. De Britse overwinning was grotendeels het gevolg van hun groeiende superioriteit aan pantserwagens en grondtroepen. In december besloot de Luftwaffe een Staffel Hs 129 B's in dit gebied te ontploien. De 4.Staffel van het nieuw gevormde Schlachtgeschwader 2 werd er op uit gestuurd. De Staffel stond onder bevel van Hauptmann Bruno Meyern een veteraan van de grondaanvalsvliegtuigen en Ritterkreuzträger. De zwartgroen en donkergroene bovenzijden van de toestellen werd overschilderd met RLM79 zandgele en RLM80 olijfgroene vlekken. Sommige toestellen werden ook overschilderd met zandbruine en roodbruine vlekken en minstens één toestel had zandgele oppervlekken met donkergroene en donkerbruine vlekken. De onderzijde was afgewerkt in RLM65 lichtblauw of RLM78 lichtblauw. De Hs 129 B-2's die naar Afrika werden gestuurd droegen witte neusbanden, aan de onderzijde witte vleugeltips en een witte rompband.Deze toestellen droegen individuele gekleurde letters voor het balkenkruis.
![]() |
| Henschel Hs 129 B-2 W.Nr.0310 van 4.(Pz)/Sch.G 2 op het vliegveld van Castel Benito in Libië, februari 1943. Dit was de machine van Staffelkapitän Bruno Meyer. Een witte chevron en 'Blauwe O'. |
De Duitse nederlaag bij Stalingrad in het begin van 1943 markeerde het keerpunt aan het Oostfront. Het Sovjet Leger had zijn aantal manschappen, tanks en vliegtuigen sterk verhoogd terwijl de Duitse Wehrmacht geleidelijk aan zwakker werd. Deze veranderde situatie verhoogde het belang van de met de Hs 129 uitgerustte Schlachtgeschwader bij het Duitse commando.
![]() |
| Hptm. Bruno Meyer, Ritterkreuzträger, commandant van de Panzerjäger tijdens Operation Zitadelle. |
Deze vereenvoudiging in structuur verbeterde tergelijkertijd de organisatie en het onderhoud van deze eenheid.De Hs 129 B's van IV./SG 9 stonden in het begin van 1944 onder grote druk om de Russische opmars naar het westen tot stoppen te brengen. Ongeveer 50 beschikbare toestellen, samen met ongeveer 30 Hs 129 B's die aan de Roemenen waren geleverd, stonden voortdurend in het gevecht aan de zuidelijke sector van het Oostfront. Door de voortdurende opmars van de Russen door west-Rusland moesten de Hs 129 B's van de Gruppe in maart gesplitst worden. De Gruppenstab en 13.(Pz)/SG 9 werden afgeleid naar Oost-Polen terwijl de 10., 12. en 14. Staffel zich naar het door Roemenië gehouden Trans-Dnestra, Bessarabië en Bukovina spoedden. Deze drie laatste eenheden hielpen bij het tot staan brengen van een mislukt Russisch offensief in de lente in die streek. De Hs 129 B's van 10.(Pz)/SG 9 hielpen bij het dekken van de evacuatie van de Krim in april.
De met de Hs 129 uitgeruste IV.(Pz)/SG 9 vloog zijn 10.000ste opdracht op 1 mei 1944 - ongeveer zeven maand nadat de eenheid was opgericht. De piloten van de eenheden eisten meer dan 1.500 Russische tanks en pantservoertuigen op en duizenden ander voertuigen (camions, jeeps, enz) tijdens deze periode. Voortdurende operaties vanaf voorwaarts gelegen vliegvelden eisten een zware tol van de Hs 129 Staffeln. Tijdens de eerste helft van 1944 verloor de Luftwaffe 56 Hs 129's in het gevecht en 38 toestellen door ongevallen.
Eén van de meeste bekende Hs 129 piloten was Haupymann Rudolf-Heinz Ruffer, Staffelkapitän van 10.(Pz)/SG 9. Op 9 juni 1944 had hij het Ritterkreuz ontvangen na het vernietigen van 72 Russische tanks met een Hs 129 B. Ruffer eiste nog acht verdere tanks op voordat hij de dood vond in Polen op 16 juli 1944.
Op 22 juni 1944 begon het Rode Leger met zijn 'Operatie Bagration', het verdrijven van de Duitse Leger Groep Midden uit Bjelorussie. De twee Hs 129 B eenheden in Oost-Polen, 10.(Pz) en 14.(Pz)/SG 9 werden naar het front gestuurd ter versterking van 13.(Pz)/SG 9. De drie Schlachtstaffeln vernietigden grote aantallen Russische tanks en pantservoertuigen maar slaagden er niet in om de stormloop van het Russische Leger naar Oost-Polen tot staan te brengen. De Schlachtstaffeln begonnen de strijd met 69 vliegtuigen, 22 ervan gingen verloren in de strijd, 21 door ongelukken. De drie Hs 129 Luftwaffe Hs 129 eenheden in Roemenië werden eveneens naar Polen overgebracht.
Op 20 augustus 1944 begonnen de Russen een offensief tegen Roemenië waarbij de Roemeense Hs 129's tervergeefs probeerden om de opmars van het Rode Leger tot staan te brengen. In Roemenië, dat drie dagen later overliep naar het geallieerde kamp, vonden er nu gevechten plaats tussen Duits-Hongaarse Hs 129's en Roemeense toestellen. De Duitsers stuurden 14.(Pz)/SG 9 naar centraal Transsylvanië tegen het eind van augustus om de Roemeense tegenstanders uit te schakelen. Tegen eind september werd de Staffel naar Hongarije teruggedrongen door de Russische en Roemeense opmars. De Hs 129's van 14.(Pz)/SG 9 bleven in Hongarije actief tot aan de val van Budapest op 13 februari 1945. Toen trokken ze terug naar Slowakije.
Verschillende Hs 129 B-3's, bewapend met 75 mm BK 7,5 kanonnen onder de romp, werden in de herfst van 1944 aan 13.(Pz) en 14.(Pz)/SG 9 geleverd. Het geringe aantal toestellen kon slechts weinig uitrichten tegen de Sovjet-opmars door Polen en in Oost-Duitsland. Er zijn slechts weinig gevechtsrapporten over de laatste maanden van de oorlog waarin de Hs 129 B-3's aan het front worden vermeld. In september 1944 gaf het RLM het bevel tot het stopzetten van de Hs 129 productie om zo de productie op minder vliegtuigtypes te kunnen concentreren.
De FW 190 F begon op dit ogenblik de rol van tankkiller en grondaanvalsvliegtuig van de Hs 129 over te nemen.
Op 1 januari 1945 bleven er nog slechts 39 Hs 129 B's over bij de drie operationele eenheden: Gruppenstab IV.(Pz)/SG 9 en 1.(Pz) en 14.(Pz)/SG 9. Andere Hs 129 Staffeln waren ondertussen tegen eind 1944 begin 1945 overgeschakeld op de Fw 190 F. De overblijvende Henschels opereerden in West-Polen, Oost-Duitsland en het westelijk deel van Hongarije. Hun aantallen gingen verder achteruit door verliezen en ongevallen, terwijl andere toestellen aan de grond moesten blijven door gebrek aan brandstof of wisselstukken. Verschillende Hs 129's werden door hun eigen piloten opgeblazen om ze niet in handen te laten vallen op vliegvelden die door de Russen waren overrold.
De Hs 129 B's van 14.(Pz)/SG 9 namen nog deel aan de laatste grote slag van de oorlog, in de buurt van het Balaton Meer in Hongarije in januari 1945. De Russische overwinning dwong de resterende toestellen naar Slowakije terug te trekken, zo verder naar Böhmen und Mähren met een laatste basis in het noordwesten van Oostenrijk tegen het einde van de oorlog.
De overblijvende Hs 129 B's van 10(Pz°/SG 9 vlogen zo veel opdrachten als de omstandigheden dit toelieten. In maart 1945 vernietigde de eenheid nog 100 Russische tanks, 30 stukken stormgeschut en honderden andere voertuigen. Daarbij kwamen ook nog zes vernietigde Russische vliegtuigen. In begin april voegde 10.(Pz)/SG 9 zich bij 14.(Pz)/SG 9 in Oostenrijk en Tsjechoslowakije en namen daar nog deel aan de gevechten om Wenen. De laatste toestellen moesten aan de grond blijven door totale uitputting van bevoorrading en het gronspersoneel en de piloten werden ingezet als infanteristen in de laatste dagen van de oorlog.
![]() |
| Hauptmann Ruffer poseert bij zijn Hs 129 B-2 'Weiße J' op een Roemeens vliegveld. Hij draagt een zwemvest die standaarduitrusting was voor vluchten over de Zwarte Zee. Het Ritterkreuz mocht hij op 9 juni 1944 op Bacãu in Roemenïe in ontvangst nemen. Hij werd boven Polen gedood op 16 juni 1944. De gebruikelijke gele neus, die de toestellen aan het Oostfront identificeerde, was hier niet aangebracht. |
Het merendeel van de Hs 129's die verloren gingen tijdens gevechten vielen door de luchtafweer op lage of middelgrote hoogte. De meeste luchtafweerwapens die gebruikt werden tegen de Hs 129 waren lichtautomatische wapens van 7,62 tot 37 mm. Er werden maar een beperkt aantal Hs 129's door Sovjet-jagers neergehaald. Dit aantal steeg echter vanaf midden 1943 daar de Sovjet-piloten steeds meer ervaring opdeden en bij hun Duitse tegenstanders het aantal toestellen en de kwaliteit van de piloten steeds verder daalde.
De Hs 129 onderscheidde zich van de meeste nadere grondaanvalsvliegtuigen door het feit dat hij slechts één enkel bemanningslid had. Veel van de andere grondaanvalsvliegtuigen -waaronder de Ju 87 Stuka en Il-2 Shturmovik- hadden een rugschutter. Aanvankelijk hadden de ontwerpers van de Henschel ook een tweede man voorzien, maar dit ontwerp werd verworpen om gewicht uit te sparen. De ontwerpers gingen er bovendien van uit dat een rugschutter niet veel gevechtswaarde zou toevoegen aan de operationele waarde van het vliegtuig.
De voornaamste verdediging van de Hs 129 tegen vijandelijk vuur waren zowel zijn pantsering en de manier waarop de piloot zijn toestel kon besturen. De gepantserde 'badkuip' in de cockpit omsloot de piloot met een pantsering die varieerde van 6 mm aan de zijkanten tot 12 mm aan de onderzijde en het front. Deze structuur beschermde de piloot bovendien tegen zware verwondingen bij noodlandingen. Het gepantserde windscherm en cockpitdak leverden eveneens hun bijdrage. Sommige van de Hs 129's waren uitgerust met een achteruitkijkspiegel geïnstalleerd boven op het windscherm waardoor de piloot zicht kreeg op vijandelijke toestellen die langs achter naderden. De overlevingsmogelijkheden van de Hs 129 werd vergroot door de driehoekige vorm van de romp, die er voor zorgde dat lichte projectielen afketsten. Het gebruik van luchtgekoelde motoren was een bijkomend voordeel voor een grondaanvalsvliegtuig omdat ze in het gevecht minder kwetsbaar waren dan hun bloeistofgekoelde tegenhangers.
Meer dan 95% van de Hs 129 die verloren gingen door vijandelijk vuur boven het Oostfront - het oorlogstoneel waar de machine haar meeste acties ondernam. De westelijke geallieerden in Noord-Afrika haalden maar een paar Henschels neer. De Duitse piloten daarentegen schoten verschillende Hs 129 B's neer nadat Roemenië van kamp was gewisseld in augustus 1944.
Verschillende Sovjet-asen telden Hs 129's onder hun slachtoffers, daaronder Major Ivan N Kozhedub, de hoogste scorende geallieerde piloot in WO II. Onder zijn 62 overwiningen bevonden er zich 3 Hs 129's. Waarschijnlijk het hoogste aantal door een enkele piloot neergehaald.
In het begin van 1943, door de Duitse nederlaag bij Stalingrad, werd de Luftwaffe er toe aangezet om het verouderde arsenaal aan gevechtsvliegtuigen van de Aeronautica Regalã Românã te moderniseren. Tijdens de campagnes van 194-43 aan het Oostfront werd het duidelijk dat de Roemaanse Luchtmacht nood had aan moderne toestellen voor nabij-steun. In de lente van 1943 speelde de ARR het klaar om moderne Duitse vliegtuigen te verwerven voor het uitrusten van hun fronteenheden van het Corpul I Aerian Regal Romãn (1ste Roemeense Luchtkorps).
De Hs 129 B-2 werd uitgekozen om de rol van grondaanvalsvliegtuig op zich te nemen en Duitsland ging akkoord om voldoende vliegtuigen te leveren om een groep met drie sdqns uit te rusten. De ARR koos op 11 mei 1943 Grupul 8 vânãtoare (8ste Jager Groep) uit om met het nieuwe toestel te opereren, de naam van de eenheid werd veranderd in Grupul 8 Asalt Deze eenheid beschikte over drie sdqns (Staffeln), de 41ste, 42ste en 60ste en kreeg een basis te Târgsor, bij Ploesti in Roemenië.
Het personeel van Grupul 8 Asalt werd op de Hs 129 B-2 omgeschoold door een Duits opleidingscentrum in Kirovgrad in de Oekraïne. Na de omscholing op Duitse Hs 129 B-2's ontvingen de Roemenen tegen augustus 1943 34 nieuwe toestellen. De toestellen bij Escadrilla 41 Asalt kregen nummers beginnend bij 111, de toestellen bij 42ste Escadrilla 8 Asalt kregen nummers vanaf 2111 en bij het 60ste vliegtuigen met nummers beginnend bij 311. De Groep werd in begin augustus ontplooid in hun gevechtszones, eerst in Mariupol-West en dan naar hun nieuwe basis in Kramatorskaya in de Oekraïne.
Op 15 augustus ging er bij een aanval Russische vliegtuigen op Kramatorskaya een Hs 129 B-2 verloren en werden er twee licht beschadigd. De volgende dag vloog de 8ste Groep zijn eerste opdracht tegen Russische troepenconcentraties langs de Donetz in de sector van Isyum. In het verder verloop van de oorlog boekten de Roemenen nog grote successen met hun Hs 129's.
![]() |
| Een Escadrilla 42 asalt Hs 129 B-2's bij het opwarmen van de motoren in de zuidelijke Oekraïne, begin 1944. De toestellen zijn voorzien van witte vlekken over de oorspronkelijke camouflagekleur. |
Een aantal Hs 129's viel in geallieerde handen, in zowel operationele als niet-operationele staat. Russische Lavochkin La-5 jagers haalden een Hs 129 B-1 WNr.0222 neer bij Elshevdomo op 14 novmber 1942. De Hs 129 maakte een buiklanding op Russische gebied en de Russen brachten het toestel naar Moskou voor eveluatie. Na de strijd bij Stalingrad maakten de Russen verschillende intacte Hs 129 B's buit (waaronder WNr. 0193 en 0228) op onder de voet gelopen Duitse vliegvelden.
De Britten en Amerikanen maakten verschillende Hs 129's buit in Noord-Afrika op het eind van 1942 begin 1943. Twee ervan (WNr. 0297 door de Britten - WNr.0385 door de Amerikanen) werden gebruikt voor testvluchten. Beiden werden na de oorlog verschroot.
In augustus 1943 stuurde Duitsland vier Hs 129 B's naar Hongarije die moesten dienen voor de opleiding van een Hongaarse grondaanvalseenheid. Eén van de toestellen ging verloren door een ongeval. De geringe beschikbaarhied van de Hs 129 zorgde voor een stopzetting van verdere leveringen en in de herfst van 1943 keerden de drie overblijvende toestellen naar Duitsland terug.
Spanje vertoonde eveneens interesse voor de Hs 129 en bestelde drie toestellen in juli 1944. De bestelling werd door de Duitsers geannuleerd door de dringendheid waarmee ze zelf de toestellen nodig hadden. Bulgarije evalueerde eveneens de machine maar gaf tenslotte de voorkeur aan de Ju 87 Stuka.
(1)GL=Generalluftzeugmeister/C=Technische Amt,2=Fliegerisch Gerät
(2)SC=Splitterbomb Cylindrisch (ronde fragmentatiebom)
(3)SD=Splitterbombe, Dickwand (dikwandige fragmentatiebom)
(4)BK=Bordkanonen, vast boordkanon 37 mm
(5)PaK=Panzerabwehrkanone, anti-tankkanon
(6)EKdo=Erprobungskommando, testeenheid
(7)Wfr.Gr.=Wurfgerät, mortier
Alle foto's © Imperial War Museum konden gepubliceerd worden na contact met Mr. Geoff O'Connor -- GOconnor@iwm.org.uk-- en dank zij de vriendelijke toelating van Mr.Ian Carter --ICarter@iwm.org.uk-- van het I.W.M.
Bronnen: Profile Aircraft nr. 69 - Henschel Hs 129
Squadron Signal nr 1176 - Aircraft in Action Henschel Hs 129
Henschel Hs 129 - Panzerjäger
Miniatury Lotnicze nr 8 - Henschel Hs 129 in combat - SchG 1 en Sch.G 2