Er valt niets tegen in te brengen dat de Hawker Hurricane wordt gerangschikt als één van de belangrijkste vliegtuigontwerpen in de militaire vliegtuiggeschiedenis. Afgezien van de grote verantwoordelijkheid die aan deze jager werd toevertrouwd tijdens de eerste kritieke jaren van de oorlog toen de Nazi-Blitzkrieg alles onder de voet scheen te lopen, was de Hurricane de belangrijkste jager van de RAF die deelnam aan de Slag om Engeland, en was het eerste Britse vliegtuig dat meer dan 480 km/u haalde in horizontale vlucht.
Bij Hawker Aircraft Ltd werd het logische vertrekpunt gevormd door Sydney Camm's zeer succesvolle Fury tweedekker die over een ongewone structurele betrouwbaarheid beschikte en een weerspiegeling was van de ervaring en ontwerpsgenie bij Hawker. Het eerste stadium was het ontwerpen van een sterke vrijdragende vleugel voor de Fury en dit werd bereikt door het gebruik van een twee-balken structuur onderverdeeld en versterkt door diagonale onderdelen die een ongewoon sterk Warren spant vormden. De traditionele primaire rompstructuur van Hawker bestond uit een paar Warren spanten vervaardigd uit stalen en aluminium buizen die met elkaar door middel van bouten en 'visplaten' met elkaar verbonden waren. Een tweede secondaire structuur van ramen en verbindingsbalken werden daaraan bevestigd en - met de vleugels en staart - met stof bespannen.
Het verschijnen van de Hawker Hart bommenwerper in 1930 met een topsnelheid van 350 km/u was de oorzaak dat de voorheen gestelde jagervereisten moesten worden aangepast, gewoon omdat er op dit ogenblik geen enkele jager die toen in dienst was deze prestaties evenaarde. Specificatie F.7/30 vereiste een jager met een topsnelheid van 400 km/u en een bewapening van vier machinegeweren. Tegen 1933 werd het duidelijk dat deze snelheid het uiterste bereik was voor de tweedekkers, alhoewel er tot dan toe geen enkel ontwerp erin was geslaagd dit te bereiken. Tegen het eind van dit jaar hadden drie ontwerpers - Sydney Camm (Hawker), R.J.Mitchell (Supermarine) en Willy Messerschmitt (Duitsland) - gelijktijdig besloten om de mogelijkheden van een kleine eendekker te onderzoeken en gooiden daarmee het twintig jaar oud vooroordeel tegen deze ontwerpen over de boeg.
Eerst werd de door stoom gekoelde Rolls-Royce Goshawk motor voorgesteld om te worden gebruikt maar dit werd verworpen wegens de kwetsbaarheid van het koelsysteem en in 1934 viel de keuze op de nieuwe P.V.12 van Rolls-Royce (die later de beroemde Merlin zou worden). Andere verbeteringen aan het ontwerp hadden betrekking op het intrekken van het landingsgestel dat, door de positie van de buikradiator, kon geïnstalleerd worden zonder andere belangrijke structurele onderdelen te hinderen. De piloot werd voorzien van een gesloten cockpit - nog een relatief zeldzaam kenmerk voor die jaren.
De grote verbeteringen betreffende de snelheid die door Camm en Mitchell in hun ontwerpen werden voorzien leidden ertoe dat Sqdn.Ldr. Ralph Sorley van het Air Ministry Armament Branch aandrong op nog zwaardere wapeninstallaties - hij ging ervan uit dat hogere snelheden de tijd voor het mikken zouden verkorten en er dus zwaardere vuurbuien moesten kunnen worden afgegeven. Specificatie F.5/34 vereiste dus een jager met acht machinegeweren en die werd, gezien dit op zichzelf reeds tot interessante ontwerpen leidde, door Camm aangenomen als de basis voor het bepalen van de bewapening.
Volgend op de ontvangst van een fabriekscontract werd de constructie van een prototype in 1935 verder afgewerkt. Ondertussen waren er uitgebreide testen uitgevoerd met wapenbatterijen van verschillende ontwerpen door het Aircraft & Armament Expertimental Establishment die resulteerden in de keuze voor de Amerikaanse Colt 0.30 machinegeweer. De licentie voor de fabricage van dit wapen - gemodificeerd om Britse 0.303 munitie af te vuren - werd door de BSA toegestaan. De ontwerpen van Camm en Mitchell voor acht machinegeweren werden aangenomen.
De eerste vlucht van het prototype Hawker K 5083 werd uitgevoerd door chef-testpiloot Flt.Lt. P.W.S. Bulman te Brooklands op 6 november 1935. Op dit ogenblik bedroeg het totale gewicht van het toestel 2.457 kg en met een 1.025 pk Merlin C, die een houten Watts propeller aandreef, bereikte het toestel 434 km/u op zeespiegelhoogte, 507 km/u op 5.000 m en 400 km/u op 9.000 m. Zijn begin klimsnelheid bedroeg 731 m/min en bereikte 6.000 m in 8.4 minuten. Het hoogteplafond bedroeg 10.790 m.
Het prototype onderging gedurende een viertal maanden testen bij de fabrikant en daarbij werden een aantal verbeteringen ingevoerd.
Het prototype K5083 tijdens een testvlucht. Hier zijn de ribben van de met stof bespannen vleugel duidelijk zichtbaar.
Het paneel van het cockpitdak werden versterkt om een probleem met vibraties in het dak op te lossen, de tijdelijke stutten van de staartvlakken werden verwijderd en het roer werd voorzien van een trimklep. In februari 1936 werd K5083 aan A&AEE overgedragen te Martlesham Health, Suffolk, voor de eerste diensttesten die werden uitgevoerd tussen 18 en 24 februari. Bij A&AEE was men over het algemeen gezien enthousiast over het toestel, maar de piloten van het testcentrum raadden aan om een modificatie uit te voeren aan de vergrendeling van het cockpitdak en de bedekking het onderste deel van de wielen aan te passen. Er werd een volledig nieuw windscherm en cockpitdak geïnstalleerd.
De ontwikkeling van de Merlin motor leidde naar de ‘C’-serie die werd opgegeven ten gunste van de ‘F’-serie die geproduceerd zou worden als de Merlin I. Deze op zijn beurt werd al spoedig vervangen door de ‘G’-serie of Merlin II. Tenslotte was het de Merlin III met 1.030 pk die de meeste Hurricanes van de beginproductie zou aandrijven.
Terwijl de evaluatie van het prototype verder ging ontving Hawker een eerste productiebestelling onder een contract van 3 juni 1936 voor 600 vliegtuigen, de grootste productiebestelling die er ooit was geplaatst voor een militair vliegtuig in vredestijd. Op 27 juni werd de naam Hurricane officieel erkend. Het prototype zou dienst doen als testvliegtuig tot in het laatste jaar voor de oorlog waarna het een opleidingstoestel werd.
De installatie van de nieuwe Rolls-Royce Merlin III die een volledig herontwerp van de bovenste motorkap meebracht veroorzaakte een vertraging in de productie van de Hurricane. Er waren veranderingen nodig aan de bovenste vorm van de motorkap zodat de tank met de koelvloeistof moest verplaatst worden en de ophanging werd aangepast. De inlaat van de carburator werd verkort, de overbrengverhouding van de propeller werd met ongeveer 40 t/m verhoogd voor de start en de instellingshoek van de propeller was een halve graad vergroot tegenover de standaard Watts Type Z28 houten tweeblad propeller. De radiator was groter en in de met stof bespannen vleugels waren acht .303 (gemodificeerde .30) browning machinegeweren ingebouwd die op 500 m waren geconvergeerd. Buitenboord van de machinegeweren was er in elke vleugel een landingslicht geïnstalleerd. De eerste productie Spitfire Mk I L1547 (van de groep L1547-L2146) vloog voor de eerste maal op 12 oktober 1937 met een totaal gewicht van 2.476 kg met en werd gevlogen door Philip Lucas, chef productietestpiloot.
Hurricane Mk I N2359 van No.17 Sqdn RAF. De machine is uitgerust met een drieblad de Havilland propeller. Onder de cockpit staat een persoonlijk embleem met 'Popeye'.
Deze vliegtuigen van de aanvangsproductie waren gelijk aan het prototype, afgezien van een paar kleine modificaties. Drie niervormige uitlaatpijpen vervingen de zes uitlaatstompen aan iedere zijde van de motorkap en de deuren van het landingsgestel waren herontworpen waarbij de naar buiten klapbare onderste luiken waren verwijderd. De neus was nog verder verfijnd en er was een voet voor het ringvizier gemonteerd Het gebogen eendelig windscherm had een optisch vlak paneel. Het staartwiel dat bij K5083 intrekbaar was nu een vast onderdeel. De voornamelijk met stof bespannen vliegtuigcel ontbrak het aan elke vorm van pantsering.
Tegen november waren er voldoende Mk I’s geproduceerd om een Flight van No.111 (Fighter) Sqdn met basis te Northolt uit te rusten die in het begin van 1938 hun tijd besteden aan ‘het kraken’ van de nieuwe jager. Het publiek maakte voor het eerst kennis met de nieuwe eendekkerjager toen S./L. Gillan, commandant van No.111 Sqdn met een Hurricane van Edinburgh naar Northolt vloog op 10 februari 1938 met een snelheid van 640 km/u (geholpen door een sterke rugwind).
Tegen maart 1938 bereikte de productie een uitstoot van zes vliegtuigen per week en ook andere eenheden begonnen nu ook hun Gauntlets en Gladiators in te ruilen voor de Hurricanes - waaronder de meer bekende eenheden als No.3 en 56.
Spintesten te Martlesham en RAE Farnborough toonden aan dat een groter roer het uit een spin geraken aanzienlijk zou verbeteren en kort daarop verschenen toestellen met een bekleding voor en achter het vaste staartwiel die de luchtstroom aanzienlijk verbeterde, samen met een vergroot roer. Testen bij nacht en overdag toonden aan dat er een probleem was met de uitlaatgloed en er werd een horizontaal schild aan beide zijden van de motorkap aangebracht om die te verminderen. Er werd nog een andere modificatie aan de uitlaatsysteem aangebracht door het installeren van Rolls-Royce uitlaatpijpen en die te gebruiken in plaats van de niervormige uitlaatpijpen waardoor de snelheid met enkel km/u verbeterde.
Terwijl de Hurricane Mk I productie goed liep was de firma bezig met het verder ontwikkelen van een metalen vleugel voor de Hurricane. Tegen het eind van 1938 was er een toestel met deze metalen vleugel afgewerkt te Kingston en voor de eerste maal getest op 28 april 1939. De vliegtuigen op de productieband begonnen nu van vleugels met metalen bekleding te worden voorzien en reeds vroeger gebouwde toestellen kregen deze vleugels tijdens algemene onderhoudsbeurten gemonteerd.
Toen het bekend werd dat de Duitse Messerschmitt Me 109 bewapend was met 20 mm kanonnen begon men pantserplaten in de Hurricane in te bouwen. Er werd een gepantserd windscherm ingevoerd en onmiddellijk voor de cockpit werd een gepantserd brandschot geïnstalleerd. In verdere plannen was een pantsering voorzien voor de zetel van de piloot.
De eerste Hurricanes waren uitgerust met Watts houten tweeblad propellers maar in januari 1939 begonnen de eerste Hurricanes die uitgerust waren met de verstelbare Havilland Hamilton drieblad propellers de eenheden (No.213 Sqdn) te bereiken en tegen het uitbreken van de oorlog waren de meeste Hurricanes in operationele dienst uitgerust met ofwel een D.H. of Rotol drieblad constante spoed propeller.
De Merlin III met zijn gestandaardiseerde as, die zowel met de D.H.Hamilton als met de Rotol propeller kon worden uitgerust, werd tijden de constructie van de tweede groep van 300 vliegtuigen ingevoerd, evenals de metalen vleugels en het kogelvrij windscherm.
Ondanks de druk door de internationale gebeurtenissen in 1938 en 1939 die het zo snel mogelijk invoeren van de Hurricane in het RAF Fighter Command vereisten slaagde er Hawker in om zijn reeds lang bestaande exportpolitiek voort te zetten en nog ongeveer 100 Hurricanes, naast de leveringen aan de eigen Sqdns, naar hun geallieerden te exporteren. Het eerste land dat de kans kreeg om de Hurricane te evalueren was Joegoslavië, dat voorheen reeds een licentie had verkregen om Hurricanes te bouwen. Er werd één enkele Hurricane van een RAF bestelling aan Joegoslavië geleverd in december 1938. Na testvluchten in Belgrado werden er 12 Hurricanes besteld, gevolgd door een tweede bestelling voor 12 toestellen in februari 1940. Ondertussen was er een akkoord bereikt over plannen voor het bouwen van 40 Hurricanes in de PSFAZ Rogozarski fabriek in Belgrado en nog eens 60 in staatsfabriek van Zmaj. In het begin van 1941 had de Koninklijke Joegoslavische Luchtmacht ongeveer 48 Hurricanes in zijn getalsterkte, ongeveer de helft ervan was door de Joegoslaven zelf gebouwd. Eén van deze toestellen kreeg de twijfelachtige eer als zijnde de enige niet met een Merlin motor uitgeruste Hurricane, in plaats daarvan was er een 1.050 pk Daimler-Benz motor geïnstalleerd voor vergelijkende testen.
Een aan de Turken geleverde Hurricane Mk IIC HV608
Na de week die volgde op de Duitse invasie van Joegoslavië op 6 april 1941 kwamen de drie jachteenheden die met de Hurricane waren uitgerust voortdurend in actie en voerden zowel onderscheppingen uit boven Zagreb en Bosnië als grondaanvallen op oprukkende Duitse colonnes. Deze aanvallen werden stopgezet op 13 april onder invloed van de Duitse opmars en men was van plan om de overblijvende toestellen te evacueren naar Griekenland. Er slaagden er slechts een paar in te ontkomen daar de mist verhinderde dat de toestellen konden opstijgen en zo door de bemanningen aan de grond moesten worden vernietigd. Een gelijkaardig lot overkwam de toestellen die er in geslaagd waren om naar Griekenland te ontsnappen, die werden door de Duitse bommenwerpers vernietigd op het vliegveld van Paramythia. Eén of twee toestellen van de jagerschool in Mostar werden door de Italianen buitgemaakt.
In een poging de Poolse verdediging te steunen met meer moderne jagers in het vooruitzicht van een Duitse inval werden er tien Mk I’s naar Polen verscheept. Deze toestellen waren onder weg toen Hitler zijn aanval tegen Polen lanceerde in de ochtend van 1 september 1939. Enkel de evaluatiemachine L2048 was geleverd. Bij het uitbreken van de vijandelijkheden waren er ook 12 Hurricanes onderweg naar Roemenië die 1938 waren besteld. Zuid-Afrika ontving in november 1938 zeven Hurricanes waar ze dienst deden met No. 1 Sqdn SAAF. De Belgische regering kocht 20 Hurricanes in 1939 en het materiaal voor het bouwen onder licentie van nog eens 80 toestellen door Avions Fairey in Gosselies, maar de Duitse invasie in 1940 gooide roet in het eten voordat er meer dan twee toestellen konden getest worden. Deze Belgische Hurricanes verschilden van alle andere Hurricanes door het gebruik van vier 12,65 mm (0.50) Colt/Browning machinegeweren.
Daar het de meest talrijke moderne en beschikbare Britse jager was werd de Hurricane snel in dienst genomen door RAF sqdns rond de wereld alhoewel in sommige gebieden zelfs grotere aantallen te laat en te weinig bleken. Dit was speciaal het geval in het Verre Oosten waar de Hawker een geschenk uit de hemel was voor de squadrons die anders met antieke tweedekkers en verouderde eendekkers zoals de Brewster Buffalo moesten weerstand bieden aan de Japanse Mitsubishi A6M Zero. De Hurricane Mk I’s waren actief in de verdediging van Singapore en vervolgens vochten ze en Sumatra en Java, en alhoewel de inspanningen van de RAF weinig resultaat hadden kon de Hurricane zijn stempel nalaten. Hij werd de voornaamste Britse jachtbommenwerpers in dit gebied tot aan het einde van de oorlog. De eerste modellen werden vervangen door een latere variant voordat de Japanners uiteindelijk werden verslagen.
Met de oorlogwolken die zich boven Europa samentrokken was tot voor Hawker een normale zaak om bijkomende fabrieken voor Hurricane-productie te voorzien voor het geval dat de bestaande faciliteiten werden gebombardeerd.
De capaciteiten voor reserveonderdelen waren beschikbaar bij de Gloster Aircraft fabriek te Hucclecote in Glouchestershire, Hawker had in 1934 deze fabriek overgenomen. Er werd een nieuwe productiefabriek neergeplant in 1938 en aan een eerste productiegroep van 500 Hurricanes begonnen voordat de oorlog uitbrak. De eerste Hurricane Mk I L2020 rolde uit de fabriek op 27 oktober 1939. Tegen het eind van 1940 had de vroegere Gloster fabriek 1.211 Hurricanes uitgesloten en tegen het eind van 1941 nog eens 1.359. De productie bij Gloster werd stilgelegd in maart 1942 na in totaal 2.750 vliegtuigcellen te hebben afgewerkt in de vier aparte groepen.
Het eerste RAF squadron dat de Hurricane in ontvangst mocht nemen was het No. 111 Sqdn met basis te Northolt. Het toestel op de voorgrond (L1550) droeg op de staartvin een pijlpuntvormig kader, het kenteken van de eenheid.
Sinds het niet onwaarschijnlijk was dat elke Britse fabriek kon worden vernietigd of zwaar beschadigd door de vijand waar en wanneer die wilde, zorgde Hawker ervoor dat de Hurricanes onder licentie konden worden gebouwd in Canada. Na besprekingen met Canadian Car & Foundry Co werd er een contract ondertekend voor 40 Mk I’s die zo gebouwd worden in de fabriek van Fort William in Ontario. De eerste Hurricane P5170 vloog op 10 januari 1940. Uitwendig waren de Canadese Hurricanes gelijk aan de Britse, met metalen vleugels, het merendeel werd echter aangedreven door Amerikaanse door Packhard gebouwde Merlins. Hoewel de eerste machines met Rolls-Royce Merlin motoren, die DH propellers aandreven, in hun geheel naar Groot-Brittannië werden verscheept werden de latere leveringen zonder motor, bewapening en instrumenten verstuurd aangezien de eind montage in het UK gebeurde.
Nadat er 166 Mk I’s in Canada waren gebouwd schakelde de productie over op Hurricane Mk X, de benaming die werd gebruikt om de Hurricanes te identificeren die door Amerikaanse Packhard Merlin 28 motoren werden aangerekend. 10 van de door de Canadezen verbouwden Mk I’s waren verloren gaan tijdens het transport, de rest was in tijd aangekomen om deel te nemen aan de slag om Engeland en werden naar behoefte aan de RAF squadrons geleverd.
Bij het uitbreken van de oorlog waren de 497 Mk I Hurricanes in de getalsterkte, voldoende om 18 squadrons volledig uit te rusten. Vier van deze, Nos. 1, 73, 85 en 87 voegden zich bij het Air Component van Britse Expeditionaire Strijdmacht (British Expeditionary Force) die was begonnen met zijn overplaatsing naar Frankrijk op 15 september 1939. Na zich te hebben geïnstalleerd in Frankrijk vlogen de Hurricanes een paar verkenningspatrouilles langs de Duitse grens tijdens de ‘Phoney War’· De voornaamste opdrachten van de Hurricanes tijdens deze stille periode bestonden vooral uit het vliegen van defensieve patrouilles boven de Britse linies. Bij gelegenheid vlogen ze ook escorte-opdrachten voor de Blenheims en Battles (lichte bommenwerpers) of voor een Lysander, een licht verbindingsvliegtuig. De eerste luchtoverwinning van No.1 Sqdn was een Dornier 17 die op 30 oktober 1939 door P.O. Mould bij Toul werd neergeschoten.
Bezoek King George VI aan het British Expeditionary Air Force Component in Frankrijk, Lille Seclin in december 1939. Op de voorgrond Hurricane Mk I's van No. 85 Sqdn, aan de overzijde Gladiators van No.615 Sqdn en een Blenheim van No.57 Sqdn.(IWMF2344C)
In januari 1940 werden de RAF sqdns in Frankrijk gereorganiseerd als de British Air Force in Frankrijk, die de operaties coördineerde van het Air Component en de Advanced Air Striking Force. Toen Duitsland zijn aanval begon tegen Nederland en België op 10 mei 1940 kon het handvol Belgische Hurricanes van de aanvangsproductie weinig uitrichten tegen het grote aantal Luftwaffe-bommenwerpers die over het algemeen begeleid werden door Me 109's en Me 110's. Er werden drie bijkomende Hurricane-eenheden, Nos 3, 79 en 504 snel vanuit Engeland overgebracht.
Deze kostbare machines konden met moeite van de luchtverdediging in Engeland afgeleid worden. De Britse luchtmachtchefs realiseerden zich maar al te goed dat wanneer de zaken in Frankrijk verkeerd liepen er onvermijdelijk een luchtaanval op Engeland zou volgen. Deze vrees was gegrond toen de Duitsers strijdkrachten over Frankrijk uitzwermden. Tegen het tijdstip dat de BEF moest terugtrekken naar Duinkerken bleven er nog maar enkele vliegvelden over die veilig door de RAF-jagers konden worden gebruikt, een groot aantal Hurricanes moest reeds aan de grond blijven door gebrek aan brandstof. Tijdens deze dagen van bijzonder zware gevechten bij de evacuatie van Duinkerken werden de onder hoge druk staande Hurricanes versterkt door Spitfires die zorgvuldig achter de handen waren gehouden voor de verdediging van het UK. Alles tezamen hadden dertien Hurricanes Sqdn meegevochten in de Slag om Frankrijk en deze hadden daarbij 195 piloten en 477 jachtvliegtuigen verloren. De beschadigde toestellen moesten achtergelaten worden omdat er geen tijd overbleef om ze over het Kanaal te verschepen. Het voornaamste was echter dat het Britse Leger gespaard was gebleven van een volledige vernietiging.
Alvorens terug te keren naar de gebeurtenissen in Engeland, volgend op de evacuatie van Duinkerken moet ook nog de Fins-Russische oorlog worden vermeld. Toen Rusland Finland binnenviel rustte de verdediging hoofdzakelijk op verouderde tweedekkers, maar gezien England's belofte te helpen door het leveren van jagers werden er 12 Hurricane I's van Maintenance Units verscheept naar Helsingfors in januari en februari 1940. Het einde van de campagne voorkwam hun volledige uitroeiing in actie.
In Noorwegen werden de Hurricanes van No.46 Sqdn betrokken in zware gevechten. Zij waren overgebracht door de HMS Glorious op 26 mei 1940, zes weken na de Duitse invasie in Noorwegen en naar het vliegveld van Skaanland verscheept ter verdediging van de geallieerde strijdkrachten in de haven van Narvik. Veertien dagen lang vocht No.46 Sqdn in de donkere koude poolnachten tegen de Duitse Luftwaffe en vernietigde daarbij ongeveer 30 vijandelijke vliegtuigen totdat de opdracht werd gegeven de vliegtuigen te vernietigen en terug te trekken. Met in gedachten het tekort aan jagers thuis kreeg de commandant Sqdn.Ldr. K.B.B. Cross de toelating om met de tien overblijvers terug naar de Glorious te vliegen; ondanks hun gebrek aan ervaring bij deklandingen, om terug naar Engeland te worden verscheept. De anticlimax vond plaats toen de Glorious tot zinken werd gebracht tijdens de terugreis en daarbij de piloten en hun toestellen verloren gingen. Alleen Cross en één van zijn officieren overleefde.
Tijdens de Slag om Engeland, die door het Fighter Command werd uitgevochten tussen juli en oktober 1940, behaalde de Hawker Hurricane ongetwijfeld zijn hoogste roem. Hurricane Sqdns werden in allerijl tot operationeel status gebracht na de nederlaag bij Duinkerken en toen de Slag om Engeland werd ingezet tegen eind juli vormden de 527 Hurricanes (28,5 Sqdns) en 321 Spitfires (19 sqdns) en tien andere jachteenheden, meestal uitgerust met Defiants en Blenheims, de speerpunt van de Britse verdediging. Ze stonden tegenover ongeveer 2.700 vijandelijke vliegtuigen die aanvallen uitvoerden op de havens in het Kanaal, de vitale ketting van radarstations, vliegvelden en steden. De Hurricanes richten hun aanvallen meestal tegen de bommenwerpers terwijl de Spitfires zich op de jagers concentreerden. Wanneer Hurricanes met Me 109’s in contact kwamen moesten de Hurricanes meestal de duimen leggen wat betreft snelheid en bewapening maar het verschil was ook weer niet zo groot en het resultaat van een luchtgevecht hing meestal af van de training er ervaring van de piloten. De Hurricanes hadden bovendien nog een groot voordeel : wanneer ze werden neergehaald gebeurde dat boven eigen grondgebied en konden er dank zij hun robuuste constructie nog veel toestellen gerepareerd worden en terug aan de strijd deelnemen.
Hurricanes I van No. 601 Sqdn worden bijgetankt en van nieuwe munitie voorzien op Tangmere in 1940.
De agressiviteit van de Britse sqdns maakte veel goed voor de te geringe doorslagkracht van hun machinegeweren met patronen van een geweerkaliber. Bovendien was een eenmotorige jager bewapend met acht machinegeweren een grote vernieuwing in de wapenstandaard van 1940. Het psychologisch effect die de geconcentreerde inslagen van acht machinegeweren in een eerder zwak gepantserde bommenwerper veroorzaakten hadden tot gevolg dat bommenwerpers hun formatie verlieten als ze Hurricanes zagen naderen. Wanneer dit gebeurde waren de individuele Heinkels, Dornier en Junkers bommenwerpers hapklare brokken voor de verdedigers. Hurricane piloten vonden weinig verschil tussen het neerhalen van een tweemotorige bommenwerper en de terreurwapen van de Blitzkrieg, de Junkers Ju 87 Stuka.
Bij het einde van de slag om Engeland waren er in totaal 2648 Britse en Duitse vliegtuigen vernietigd. De rol van de Hurricane was beslissend geweest en had 75% van alle Duitse vliegtuigen die werden neergeschoten tijdens de gevechten op zijn naam staan. Niet minder dan 272 Me 109’s waren neergehaald voor het verlies van 153 Hurricanes. Zeven van de 17 Duitse en geallieerde jachtpiloten die meer dan 10 overwinningen boekten hadden op de Hurricane vervlogen.
Veel namen van Hurricane piloten zullen voor altijd in de geschiedenis voortleven zoals: Flt.Lt. J.N.Nicholson VC (het enige VC dat ooit in Fighter Command werd toegekend), Sqdn.Ldr. Douglas Bader (de beroemde piloot zonder benen), Group Capt Malan (een Zuid-Afrikaan de topscorer werd van de RAF met 38 overwinningen) en Sgt 'Ginger' Lacey (de hoogst scorende geallieerde NCO -niet officier- met 28 overwinningen).
Toen de grote luchtslagen boven Zuid-Engeland hun einde naderden schakelde het Duitse Oberkommando over op aanvallen tegen Londen en andere steden in een poging om op die manier het luchtruimoverwicht te behalen dat nodig was om een landing in Engeland te kunnen beginnen. Toen ook hier de aanvallen bij dag verminderden begon de zogenaamde 'nacht-Blitz' tegen Londen. Eens te meer waren het de Hurricanes die de hoofdlast van de verdediging op zich moesten nemen, deze keer als nachtjagers.
Op dit ogenblik waren er ook Hurricane Mk I's betrokken bij gevechten tegen de As-mogendheden met ander luchtstrijdkrachten. Toen Italië op 10/11 juni 1940 eveneens ten strijd trok voelde Engeland zich geroepen, ondanks de zware verliezen in Frankrijk, om Hurricanes naar het Midden-Oosten te sturen. De route liep door Zuid-Frankrijk, de Middellandse Zee over naar Tunis en via Malta naar Egypte. De verliezen tijdens deze ferry-vluchten waren zo hoog dat, na het verlies van ongeveer 40 van de 50 op weg gestuurde Hurricanes, deze versterkingsroute werd gesloten. Tegen het eind van juni hadden er vier Hurricanes Malta bereikt, en te samen met een klein aantal Sea Gladiators, vertegenwoordigden deze de verdediging van dit kleine levensbelangrijke eiland.
Kort daarna werd een alternatieve route geopend dwars door Afrika en reeds spoedig kwamen de eerste Hurricanes, nu uitgerust met een extra brandstoftank van 200 l onder elke vleugel voor de overvlucht, aan in de Westelijke Woestijn. Tegen eind 1940 vlogen er drie Sqdns (Nos.73 (ex-Frankrijk), 208 en 274) met Hurricanes. Toen de Italianen zich door de Cyrenaica terugtrokken stortten de jagers zich op de Regia Aeronautica en klonken er terug overwinningskreten.
Spijtig genoeg waren deze overwinningen slechts van korte duur. Door de aanval van Italië op Albanië, deze maal vergezeld door de Duitse aanval door Joegoslavië in de richting van Griekenland, voelden de Britten zich verplicht door hun beloften aan de Grieken ook hier in te grijpen. Terwijl de Joegoslavische Hurricanes onder de voet werden gelopen werden er Hurricanes en Gladiators van Nos 33, 80 en 112 Sqdn naar Griekenland gestuurd om daar de Italiaanse en Duitse strijdkrachten tot staan te brengen.
In een gedenkwaardig gevecht op 28 februari 1941 vochten 16 Hurricanes en 12 Gladiators met 50 Italiaanse jagers en bommenwerpers en schoten daarbij 27 vijandelijke toestellen neer zonder ook maar één eigen toestel te verliezen. Maar ondanks deze overwinning betekende de kleine, slechts uitgeruste strijdmacht geen bedreiging voor de zware pantsercolonnes die nu Griekenland binnenvielen en eens te meer werden de Britten gedwongen hun leger te evacueren. Het was tijdens deze campagne dat een ander grote Hurricane piloot roem behaalde, en wel ten koste van zijn leven. Fl.Lt.M.T.St.J. Pattle had al een half dozijn Italiaansevliegtuigen vernietigd terwijl hij op Gladiators vloog in Egypte, en als commandant van No.33 Sqdn op de Hurricane schoot hij nog eens 24 vijandelijke vliegtuigen neer. Hij was dus op het moment van zijn dood op 19 april 1941 de oogstscorende geallieerde piloot met dertig overwinningen op zijn naam die hij behaald had in slechts negen maand.
De laatste dagen in Griekenland waren karakteristiek voor alle evacuaties en de Hurricane-piloten vochten tot hun laatste machine alvorens zich eerst naar Kreta en uiteindelijk naar Egypte terug te trekken. Ondertussen was de Luftwaffe in het begin van 1941 in Noord-Afrika geland en de piloten van de nu reeds 'bejaarde' Hurricane I's werden nog meer gehinderd door het gebruik van lompe tropische luchtfilters die er in slaagden om de topsnelheid neer te halen tot amper 480 km/u.
Een klein aantal Mk I’s vormden de basis voor een foto verkenner Hurricane die werd ingezet in het midden en het Verre Oosten. De eerste toestellen werden plaatselijk gemodificeerd te Heliopolis, Egypte voor inzet met de nieuw gevormde No.2 Photografic Reconnaissance Unit : serienummer W9116 droeg drie 14 inch F.24 camera’s achteraan in de onderzijde van de romp (een verticale en twee schuin gemonteerde) en V7423 en V7428, elk met twee 8 inch F.24 camera’s. Toen W9116 verlieten ding op 3 oktober 1941, werd hij vervangen door W9353.
Terug naar het begin van 1940. Fundamenteel was de Hurricane als jager volledig geschikt maar tijdens de Slag om Engeland werd het gebrek aan doorslagkracht van de Colt/Browning machinegeweren pas duidelijk. Bij neergestorte Duitse toestellen stelde men vast dat niet-gepantserde onderdelen zoals de vleugels en het cockpitdak gemakkelijk werden doorboord maar relatief zwak gepantserde onderdelen zoals de cockpit, brandstoftanks en motorcompartimenten weerstonden aan de inslagen. Sydney's Camm ontwerpteam had verschillende manieren onderzocht hoe ze de Hurricane nog konden verbeteren zonder ernstige onderbrekingen in de productiestroom te veroorzaken. Op dit tijdstip was Rolls-Royce bezig met het produceren van een verbeterde Merlin die in grote aantallen zowel in Groot-Brittannië als ergens anders zou kunnen worden gebouwd. Deze motor die bekend werd als de Merlin XX leverde aanvankelijk 1.185 pk en later 1.280 pk en kon door een paar kleine veranderingen aangepast worden om te worden ingebouwd in deHurricane Mk I.
Hurricane Mk II Z2346.
Met deze motor uitgerust verscheen de Hurricane II en werd, nog steeds met acht machinegeweren uitgerust, bekend onder de naam Mk II Series 1. Vliegtuigen van dit type werden eerst aan de RAF geleverd in de eerste week van september, als vervanging en waren de enige Mk II's die deelnamen aan de Slag om Engeland. Vervolgens werd er voor de cockpit een rompruimte voorzien en de vleugelverbindingspunten waren zodanig aangepast dat er gemakkelijker vleugels met alternatieve bewapening konden worden gemonteerd. Deze versie werd bekend onder de naam Mark II series 2, maar daarvan kwamen er maar weinig in dienst voor december 1940.
In het begin van 1940 was er al een zwaardere bewapening overwogen en in het begin van 1941 werden er een paar bijkomende Colt/Browning machinegeweren in elke vleugel toegevoegd. Deze versie werd bekend als de Hurricane Mk IIB. Met zijn 12 machinegeweren en 6.000 patronen brachten deze Hurricanes in 1941 het Britse offensief over het Kanaal en vielen ongepantserde doelen aan langsheen de kust in het door de Duitsers bezette deel van Frankrijk. Sommige sqdns opereerden met Mk IIB's die slechts met tien machinegeweren waren uitgerust.
Ook elders in Noord-Europa werden de Hurricane II’s ingezet. In juli 1941 waren er Hurricane IIA's naar IJsland verscheept die dekking moesten leveren bij het terugtrekken van het Britse garnizoen dat zou worden overgenomen door de Amerikanen. Hitler’s aanval op Rusland in 1941 leidde ertoe dat de Britten wapens verscheepten om hun nieuwe geallieerde te helpen. Vooreerst werden er twee nieuwe RAF sqdns gevormd, Nos. 81 en 134, en met een konvooi via de Noordkaap naar Noord-Rusland overgebracht onder bevel van Wing Commander H.N.G.Rammsbottom-Isherwood. Beide eenheden werden verwikkeld in uiterst zware gevechten met de Luftwaffe maar konden bijna al hun toestellen intact houden en de Hurricane IIA's en B's aan de Russen overdragen. Deze machines, ongeveer een 30-tal, werden de voorlopers van niet minder dan 2.952 Hurricanes die in iets meer dan twee jaar tijd vanuit Engeland en Canada werden geleverd.
De volgende verandering aan de bewapening die bij de sqdns verscheen vond in feite zijn oorsprong terug in 1935. In dit jaar was er een Specificatie F.37/35 uitgegeven voor een jager die moest bewapend zijn met vier 20 mm kanonnen. Hawker had in die zin een voorstel gedaan om de Hurricane uit te rusten maar dit voorstel was niet aanvaard geworden omdat men ervan uit ging dat een dergelijke zware bewapening de prestaties van een eenmotorige jager te veel negatief zou beïnvloeden. Vertragingen bij de besprekingen voor het onder licentie bouwen van de Oerlikon en Hispano kanonnen verhinderden een snelle installatie van de wapens in de Hurricane. In 1939 werden er twee 20 mm Oerlikon kanonnen onder de vleugels van een Hurricane Mk I, L1750, gemonteerd voor een paar testen en het succes ervan werd direct herkend. Ondertussen had Camm niet stilgezeten en had verdere studies in die lijn gedaan. Op het hoogtepunt van de Slag om Engeland ontving Hawker een paar beschadigde vleugels voor reparatie maar in plaats daarvan werden er vier Oerlikons ingebouwd en nieuwe testen uitgevoerd (Het toestel dat met deze vleugels werd uitgerust, P2640, werd op 7 juni 1940 gevlogen door Dick Reyell en behaalde slechts 467 km/u. Op 19 augustus werd de machine aan No.151 Sqdn afgeleverd voor uitgebreide testen en ingezet tijdens de Slag om Engeland, met onbekend resultaat). Tijdens de Blitz werden er wel al 20 mm kanonnen gemonteerd in Beaufighters. De evaluatie van de kanonnen moedigde Hawker aan om door te gaan en toen er meer kanonnen beschikbaar werden, werden er enkele Mk I's (V7260, V7360 eb W9324) gebruikt om met de kanonnen te worden uitgerust. Door gebrek aan kracht van de Merlin III motoren gingen deze met kanonnen uitgeruste Hurricane I's niet in dienst bij Fighter Command maar (in grotere aantallen) bij de Fleet Air Arm als Sea Hurricane IC. Toen het ombouwen van de Mk I's bijna klaar was werden de met Merlin XX uitgeruste toestellen beschikbaar en vier ervan - V2461, Z2588, Z2885 en Z2891 - werden de prototypes voor de Hurricane IIC. Het eerste van deze toestellen maakte zijn eerste vlucht op 6 februari 1941 met Set-Smith aan de stuurknuppel.
Van alle Hurricane versies werd de Hurricane IIC in het grootste aantal gebouwd, er werden er 4.711 van gebouwd in het U.K. - het merendeel te Langley. Andere werden gebouwd Door Gloster en Austin en sommigen door de Canadian Var & Foundry in Fort William. Veel Hurricanes die hun carrière begonnen als Merk IIA's en Mk IIB's kregen vleugels met vier kanonnen, naargelang de beschikbaarheid. Zowel de Oerlikon als Hispano kanonnen werden gebruikt en alhoewel de eerste installaties de Chattelerault bandvoeding gebruikten (wegens de vertraging in een geschikte bescherming tegen ijsafzetting van de trommelvoeding) werd de trommelvoeding de standaarduitvoering.
De urricane IIC ging in operationele dienst bij de RAF tegen het eind van mei 1941 maar werd spoedig vervangen in zijn rol van hoofdstadverdediger en dag-onderschepper wegens tekortkomingen in de prestaties. In plaats daarvan werd hij, en ook wel om zijn zware bewapening, in steeds groeiende aantallen ingezet bij offensieve verrassingsaanvallen over het Kanaal langsheen de Noord-Franse kust tegen Duitse gelegenheidsdoelen - lichte kustvaart, invasievaartuigen, spoorweg- en andere voertuigen - die onder een storm van kanongranaten uiteenvielen.
Er werden ook Hurricanes uitgerust met bommen en afwerpbare 200l brandstoftanks maar het verlies aan prestaties - maximale snelheid van 355 km/u met vier kanonnen en twee 113 kg bommen - was zo hoog dat de dagoperaties door de Hurricane-piloten als zelfmoordopdrachten werden beschouwd, vooral dan bij de aanwezigheid van de Fw 190's en de uitgebreide Flak-verdediging aan de Europese kusten.
De eerste aanval met een Hurri-bommenwerper tegen het continent werd uitgevoerd op 30 oktober 1941 tien een paar Mk IIB’s van No.607 Sqdn een elektriciteitscentrale aanvielen bij Tingry. Op de 31ste was het de beurt aan de Canadezen van No.402 Sqdn die acht machines uitstuurden om het vliegveld van Berck-sur-Mer te bombarderen met 113 kg bommen. Gewoonlijk vlogen de Hurricanes in paren over het Kanaal op zeespiegelhoogte om de Franse of Belgische kust te kruisen waarna ze stegen naar 5.400 m naar het doel.
Toen er grotere aantallen werden ingezet werden deze dikwijls geëscorteerd door jagers en naderden de Hurricanes hun doelen in secties van vier. Bommen die werden gedropt van op een hoogte 1500 tot 3.000 m hadden een detonatietijd van 12 sec.Hurricanes die met bommen waren beladen hadden ongeveer hetzelfde vliegbereik als de gewone toestellen, 250 km.
Hurricane Mk II B 'Hurribomber' van No.607 Sqdn op Manston 1941, met twaalf Browning machinegeweren in de vleugels en een 113 kg bom onder elke vleugel.
Daarom opereerden de meeste van de Hurricanes tegen de herfst van 1941 voor het grootste deel bij schemering en in de nacht. Tegen oktober vlogen er niet minder dan 57 sqdns op de Hurricane II's, gewoonlijk in een gemengde opstelling van Mk IIB's en I’s, vanaf bases in het U.K. Misschien het meest bekende sqdn van de RAF, No.1, was operationeel vanaf Tangmere. Deze eenheid voerde de spits bij de nachtelijke indringoperaties en bracht de gevechten naar de bases van de Duitse nachtbommenwerpers. Onder dekking van de duisternis wachtten ze terugkerende bommenwerpers op boven of in de buurt van hun basis om deze vervolgens aan te vallen en neer te schieten. Op 04 mei 1942 zette Flt.Lt. K.M.Kuttlewasher, een Tsjechische piloot en aas van No.1 Sqdn, nadat hij was opgestegen van Tangmere koers naar Fécamp aan de Franse kust in Hurricane IIC JX-E BR581 met twee afwerpbare 200 l brandstoftanks, in de terugvliegroute van terugkerende bommenwerpers. Boven het vliegveld van St.Andre, dat verlicht werd door een fakkelpad voor de binnenkomende bommenwerpers, zette hij zich achter één van deze toestellen die hij identificeerde als een He 111 en schoot hem met een twee-seconden vuurbui van zijn 20 mm kanonnen neer. Hij kon daarna nog twee andere Heinkels neerschieten alvorens hij naar zijn basis terugkeerde.
De Hurricane IIC's kwamen ook in actie bij de mislukte landing in Dieppe op 19 augustus 1942. No.42 Sqdn, dat eveneens zijn basis in de buurt van Tangmere had, was de eerste eenheid die 's morgens om vier uur in gevechten verwikkeld geraakte. Bij de eerste raid voerden 12 Hurricanes onder leiding van Sqdn.Ldr. du Vivier een aanval uit op het strand waarbij ze met kun kanonnen en bommen de Duitse posities langs de kust, de MG-nesten en de communicatiebunkers bestookten. Daarvoor moesten ze door een muur van Flak vliegen waarbij één piloot verloren ging. Een andere piloot moest uit zijn toestel stijgen en werd daarna op zee opgepikt, een derde voerde een noodlanding uit op Tangmere. Van de resterende toestellen waren er vier beschadigd geworden door bodemvuur. Dezelfde dag vloog het 73ste nog drie raids tegen Dieppe.
Dit waren typisch offensieve acties uitgevoerd door Hurricanes II's tijdens de frustrerende jaren 1941 en 1942. Frustrerend was ook een andere taak waarvoor men de Hurricane IIC4s van No.1 en 43 Sqdn wilde inzetten - de samenwerking met de toestellen uitgerust met Turbinlite. Sterke miniatuur zoeklichten waren geïnstalleerd in tweemotorige vliegtuigen (waaronder Havocs van No 1460 Flight) en waren bedoeld om daarmee vijandelijke indringers te verlichten zodat de begeleidende Hurricanes ze dicht konden naderen en neerschieten. Er werden honderden uren verspild bij vruchtloze patrouilles en oefeningen voordat dit systeem werd afgevoerd.
Tijdens de jaren 1942-43 hadden de Hurricane IIC's een lange lijst van uiterlijke uitrusting op hun inventarislijst. Kleine (antipersoneel) bommenrekken werden boven Frankrijk ingezet tegen wielvoertuigen, rookgranaten werden gebruikt voor het dekken van verschillende geïsoleerde amfibieaanvallen tegen het continent en een paar IIC's waren uitgerust met raketprojectielen - ondanks het feit dat er bij de Mk IIB en IV varianten operationele toestellen bestonden die met raketten waren uitgerust. Bij gelegenheid werden er bij nacht ook 225 kg bommen gebruikt maar zelden in de nabijheid van Flak-stellingen of plaatsen waar er zich een verdediging met nachtjagers bevond omdat de Hurricanes aldus beladen een snelheid van amper 300 km/u haalden.
Tegen D-day waren de Hurricane IIC's verdwenen uit de frontlijndienst bij de RAF in Noord-Europa, de toestellen die nog steeds werden gebouwd (tot in september 1944) werden gebruikt om talloze trainingseenheden en verbindingseenheden die de gevechtseenheden ondersteunden uit te rusten.
De eerste Hurricane IIC's die overzee werden verscheept waren deze die aan de stroom vliegtuigen waren toegevoegd die midden 1941 naar het Midden Oosten vertrokken. In de lente van 1941 waren er al IIA's en IIB's bij de Onderhoudseenheden Kanaalzone (Canal Zone Maintenance Units) aangekomen en men had daar spoedig ondervonden dat het absoluut noodzakelijk was om de Merlin XX motoren van zandfilters te voorzien. Deze zandfilters, die boven op de inlaten van de carburators werden geplaatst, rekten effectief de levensduur van de motor maar beperkten in erge mate de prestaties. Alhoewel de IIC nog steeds een aanzienlijk hogere snelheid bereikte dan de met stermotoren Italiaanse jagers dwong het verschijnen van de Duitse jagers in het Middellands Zeegebied in 1941 de bemanningen ertoe om de bewapening van de IIC te verminderen door het wegnemen van twee kanonnen. Tegen het midden van november 1941 vlogen er van de 40 Britse jachteskaders in het Midden Oosten 22 met de Hurricane waarvan 18 op de IIC.
In het Midden Oosten werden er veel van de Hurricane Mk II's omgebouwd tot verkenners die met camera's in de vleugels en de romp waren uitgerust. Dikwijls werden toestellen die naar de M.U.'s in Egypte werden teruggebracht voor reparatie aldus aangepast, waaronder veel IIC's, doch met het verwijderen van hun bewapening waren het in feite enkel nog gewone P.R.II's. No.451 RAAF Sqdn en No.208 Sqdn waren enkele van de eenheden die van deze toestellen gebruikmaakten.
Ondanks het te verwachten prestatieverlies behaalden de Mk IIC's opmerkelijke successen in de woestijnoorlog. In het begin van december 1941 vloog No.274 Sqdn met een gemengde formatie van 12 Hurricane IIA's en II's op een patrouille bij Gazala en werden betrokken in een gevecht met twintig Me 109 E's en Fiat G.50's. Daarbij werden drie Me's neergehaald voor het verlies van één Hurricane. Deze laatste had een treffer gekregen in zijn koeltank en vatte vuur waardoor de piloot, Lt. Hoffe SAAF, zijn toestel moest verlaten. Een andere piloot, Flt.Lt. Tracey, zag dat Hoffe neerkwam in niemandsland, landde met zijn machine naast de Zuid-Afrikaan, pikte hem op en bracht hem terug naar de basis terwijl hij op zijn schoot zat. Een week later was het 274 terug in actie in de omgeving van El Aden toen acht Hurricanes een ontmoeting hadden met een formatie van 15 Ju 87 Stuka, geëscorteerd door 18 Me 109 E's, Fiat G.50's e, Macchi C 202's. Drie Stuka's, twee Macchi’s en een Fiat werden neergehaald voor het verlies van drie Hurricanes.
Hurricane Mk IIC tijdens statische testen. Let op de vier 20 mm kanonnen in de vleugels. (MAP)
In 1941 was ook Malta een goed jachtgebied voor de Hurricane IIC. Deze toestellen waren in de getalsterkte van drie Sqdn, No.126, 185 en 251, die op het eiland hun basis hadden opgenomen. Aanvankelijk waren deze eenheden enkel ter verdediging op Malta gestationeerd en No.126 Sqdn behaalde pas op 30 juni zijn eerste overwinningen waarbij twee Macchi C 202's werden neergehaald. Vier dagen later haalde No.185 er eveneens twee neer en bracht aan drie andere beschadigingen toe. Onder de Hurricanes waren er geen verliezen te betreuren.
Ongeveer twee weken later voerden Italiaanse E-boten een aanval uit tegen Grand Harbor, La Valetta. Nos. 126 en 185 gingen in de lucht om de vijandelijke schepen aan te vallen en werden opgevangen door escorterende Macchi C 202's. Flt.Lt. Lefebre kon één van de schepen afzonderen en voerde daarbij herhaalde aanvallen uit. De bemanning van de E-boot werd daarbij zo nerveus dat ze de witte vlag hijsten. Plt.Off. Winston van No.185 Sqdn moest zijn toestel verlaten en maakte een parachutelanding in het water. Hij zwom naar de dichtstbijzijnde E-boot en vond de volledige bemanning dood. Op die manier maakte No.185 een schip buit en behield de Italiaanse marinevlag als souvenir. Ondertussen had de rest van de Hurricanes uitgeschakeld en haalden één van de escorte-jagers neer. Tijdens deze kritieke weken, tien Rommel's tanks halt hielden bij El Alamein op amper 70 km van het Suez-kanaal werd er een ander Sqdn opgeroepen, No.73, om met zijn Hurricanes nachtelijke bescherming te bieden aan de Britse installaties rond Alexandrië en Cairo. Alleen in juli 1942 vernietigde deze eenheid niet minder dan 23 vijandelijke raiders voor het verlies van zes eigen toestellen.
De landingen van 'Operation Torch' langs de Frans-Algerijnse en Marokkaanse kust openden nieuwe jachtgebieden voor de Hurricanes; Eén van de eerste doelen bij de landing was de verovering van het vliegveld van Maison Blanche in de buurt van de haven van Algiers. Dit werd snel door de Amerikaanse gevechtsgroep ingenomen en het was No.43 Sqdn met Hurricane IIC's die als eerste geallieerde jagereenheid die landde. Ze waren non-stop van Gibraltar overgestoken.
Aan de vooravond van de landingen op Sicilië was het aantal Hurricane-sqdns gedaald tot 20, waarvan er 13 waren ontplooid over het hele Midden Oosten met No.74 in Perzië en No.32 dat patrouilles vloog over Algerije en Tunesië. Rond dit tijdstip waren er ook US-detachementen van de Navy, die uit Amerika waren overgekomen aan boord van de US-vliegdekschen, en op de Hurricane vlogen; Deze toestellen - door de Canadezen gebouwde Sea Hurricanes en vier-kanon Mk XII's - werden later achtergelaten in Frans Noord-Afrika toen de gevechten waren beëindigd. Waarschijnlijk werden er een paar operationeel gemaakt en door de Franse Marine overgenomen op het eind van de oorlog in Europa. De meeste van deze door Amerikanen gevlogen Hurricanes schijnen hun 'Britse' camouflage tot aan het eind van hun carrière te hebben gedragen, maar één ervan vloog waarschijnlijk in 1944 in Zuid-Italië als verbindingsvliegtuig, beschilderd met een zilverkleurige verf en met de Amerikaanse vlag als kenteken.
113 kg bommen worden aangevoerd. 'Hurribombers' worden klaar gemaakt voor de aanval tegen Japanse stellingen in Birma.(IWM CF 195)
Met in het achterhoofd dat de Hurricane IIC midden 1941 bij de RAF in dienst trad, is het ironisch zich te realiseren dat Engeland deze toestellen in relatief grote aantallen naar Rusland leverde enkele maanden voordat de Britse en Commonwealth strijdkrachten smeekten om moderne jagers om de Japanse aanvallen in het Verre Oosten te kunnen weerstaan. Terwijl in het UK gebouwde Hurricane IIC dekruimte bleven innemen op de konvooien naar Rusland was het pas in mei 1942 dat de eerste IIC's aankwamen bij de sqdns in India en Ceylon. Toen was het echter al te laat om nog deel te kunnen nemen aan de verdediging van Birma.
Gedurende de rest van 1942 werd er een constante aanvoer van Hurricane IIC's aangehouden om de sqdns aan te vullen die door de vroegere Japanse aanvallen erg uitgeput waren. Tegen juni 1943 vlogen de Hurricane IIB en IIC bij 16 sqdns in Oost-Indië, Noord-Birma en Ceylon. Ondertussen was ook No.11 Sqdn naar het Midden-Oosten overgeplaatst naar Baigachi in oktober waar het samen met No.261 Sqdn werd gestationeerd in Oost-Bengalen. No.30, 258 en 273 vormden samen de verdediging van Ceylon, met basis te Colombo, China Bay en Ratamlana. Alles samen waren er 670 Hurricane in India in de getalsterkte opgenomen. Deze waren beschikbaar voor de op handen zijnde operaties in Birma; 200 van de toestellen waren overgedragen aan de zich traag uitbreidende Indische Luchtmacht.
Tegen 1944 waren er 29 sqdns met Hurricanes uitgerust, zeven ervan behoorden tot de Indische Luchtmacht. Het zou verkeerd zijn te stellen dat alleen de Hurricane de verantwoordelijkheid droeg voor de tactische ondersteuning en verdediging van Oost-Indië en Birma. Het was inderdaad de Hurricane die het leeuwendeel van de nabij-operaties tijdens de kritieke operaties om Kohima en Imphal op zich nam en het leger vergezelde in zijn opmars in zuidelijke richting in Birma, maar de Spitfire leverde de algemene dekking voor deze operaties en veel andere bombardementen.
Eén van de meer gespecialiseerde opdrachten uitgevoerd gedurende de campagne was de tactische verkenning. Die werd uitgevoerd door de Hurricane IIC met een voorwaarts gerichte camera die aan de binnenboordzijde van het stuurboordkanon in de vleugelwas geïnstalleerd. De versie werd ingezet voor verkenningen op lage hoogte, artilleriewaarneming en het droppen van berichten. Een voorbeeld van een goed uitgevoerde opdracht werd geleverd door Sqdn.Ldr. Arjan Singh die tijdens een patrouille bij de avondschemering het naderen van een Japans bataljon op Imphaln meldde. Onmiddellijk stegen 33 met kanonnen en, sommige, met bommen beladen Hurricanes in de vallende duisternis op verschenen kort daarop boven het gebied waar de vijandelijke strijdmacht was gemeld. Door de landingslichten aan te steken konden de eerste Hurricane-piloten de Japanse colonne ontdekken en onmiddellijk aanvallen. Er was geen onmiddellijk effect van de aanval te zien maar een Japanse aanval op Imphal werd er niet meer uitgevoerd. Later kwam men door buitgemaakte verslagen te weten dat veertien Japanse officieren en meer dan 200 man door de vliegtuigaanval waren omgekomen.
Hurricane Mk IID BP188 van No.6 Sqdn, zomer 1942. (IWM CM 4954)
Er werd nog een andere variant van de Hurricane II ontwikkeld, de Hurricane Mk IID. Deze was bewapend met een paar Rolls-Royce BF of Vickers 'S' 40 mm antitankwapens onder de vleugels en behielden twee Colt/Browning machinegeweren (die lichtspoormunitie afvuurden). De rest van de vleugelbewapening was verwijderd om gewicht uit te sparen. Aanvankelijk droegen de Mk IID’s ook geen pantsering voor de piloot, motor of radiator. Het gevolg daarvan was dat de IID een uiterst geschikt grondaanvalsvliegtuig was het was het meest accurate anti-tank vliegtuig van de RAF tijdens WO II maar tezelfdertijd uiterst kwetsbaar was voor grondvuur. Eer werden inspanningen gedaan om de nodige bescherming in te bouwen, maar deze zorgde enkel voor een zware handicap van de prestaties.
De Hurricane IID ging in dienst met slechts een enkel sqdn met basis in Engeland, No.184. Vier andere sqdns Nos. 5, 6, 20 RAF en No.7 SAAF waren uiterst effectief in het Midden-Oosten vanaf de zomer van 1942. De eerste actie waarbij deze anti-tankwapens ('tank buster') werden ingezet was bij de verdediging van de Vrije Franse Brigade terwijl deze bijna volledig omsingeld was door het Afrika Korps bij Bir Hakim in mei-juni 1942. Later werden sommige anti-tank sqdns uitgerust met Hurricanes met één enkel antitankwapen en een 113 kg bom of 200 l afwerpbare brandstoftank. De topsnelheid van de standaardversie bedroeg 490 km/u op 3.657 m.
De eerste productie Hurricane uitgerust met de universele vleugel die in staat was het volle gamma aan externe bewapening en brandstoftanks mee te voeren werd e Hurricane Mk IIE. Wegens het leveren van nabijsteun waarvoor hij voorzien was werd de voorzijde van de romp voorzien van een bijkomende pantserbescherming. Het Mk IIE prototype KZ193 maakte zijn eerste vlucht op 23 maart 1943, aangedreven door een Merlin 27 voorzien van een Rotol R.S.5/11 drieblad propeller. De productievliegtuigen werden uitgerust met een Merlin 32 en begon in april 1943 te montagehallen te verlaten. Door het gebruik van de Merlin 32 werd er besloten om deze machine een eigen naam toe te kennen, en nadat er 270 Mk IIE’s waren gebouwd in Kingston werd de benaming veranderd in Hurricane Mk IV.
Om fotoverkenning mogelijk te maken werden een aantal Mk II’s en Mk’s omgebouwd tot Mk II standaard met Merlin XX motoren, uitgerust met camera’s. Mk IIA, Mk IIB en Mk IIC vleugels werden gewoonlijk behouden maar de bewapening werd verwijderd om extra brandstoftanks te kunnen installeren; De nieuw ontworpen MK I cellen kregen nieuwe serienummers. Er waren drie varianten voorzien: tactische verkenning, jagerverkenning en fotoverkenning. De tactische verkenner was gewoonlijk uitgerust met twee schuin gemonteerde F.24 camera’s met 20 mm lenzen achter in de romp. De jager-verkenner was gewoonlijk uitgerust met een voorwaarts gerichte F.24 camera in de vleugelwortel aan stuurboord. De fotoverkenner was uitgerust met drie camera’s met 35 mm lenzen, gemonteerd achter in de romp en gewoonlijk gebruikt boven de 9.000 m. Er werden een klein aantal PR Hurricanes naar het Verre Oosten gestuurd, met twee of drie camera’s naar Rangoon in Birma in 1942. Ze vormden de kern van No.5 PRU (later No.3 PRU genoemd) die oorspronkelijk bij No.2 PRU in de woestijn waren gemodificeerd. Alhoewel het aantal fotoverkenners gering was deden ze toch uitstekende diensten in gebieden waar nieuwere of meer geschikte toestellen ontbraken. Het grootste gebrek van de PRU Hurricane was zijn kort bereik, de Spitfire en andere modellen waren beter geschikt dan de Hurricane die dan ook werd vervangen als er andere toestellen beschikbaar werden. Sommige Hurricane’s opereerden in een jager/verkenner rol met verminderde bewapening.
Er bestond geen Hurricane Mk III alhoewel deze benaming aanvankelijk bestemd was voor de door de Amerikaanse Packhard Merlin motor aangedreven versie. Daardoor verscheen in 1943 de Hurricane Mk IV, het laatste goor productiemodel. Uiterlijk was deze machine gelijk aan de Mk II, het eerste toestel KX405 vloog met een Rotol vierblad propeller aangedreven door een Merlin 27; De productiemodellen werden echter uitgerust met de drieblad propeller aangedreven door ofwel de 1.2645 pk Merlin 24 of 27(opgedreven tropische versie van de Merlin XX). Daar deze versie speciaal was ontworpen voor grondaanvallen was er bijkomende pantsering geïnstalleerd voor de buikradiator. De totale pantsering bedroeg 160 kg, het meeste daarvan werd gebruikt voor de bescherming van de piloot en de motor.
De RAF nam 524 Hurricane Mk IV’s in zijn gelederen op waarvan het merendeel naar Het Midden en Verre Oosten werd overgeplaatst. Nos.137, 164 en 184 Sqdn vlogen met de Mk IV vanaf een operationele basis in het UK, totdat het type in maart 1944 werd teruggetrokken. Ook drie RCAF Sqdns, Nos.438,439 en 440, vlogen op de Hurricane Mk IV in een niet-operationele rol in Engeland, als opleidingsvliegtuig voordat op de Hawker Typhoon werd gewisseld.
Van de eenheden die actie zagen is er enkel van Nos.137 en 164 Sqdn geweten dat ze hun 40 mm kanonnen in het gevecht hebben gebruikt, het merendeel van de acties werd uitgevoerd met raketprojectielen. De Mk IV kwam in actie van juni 1943 boven Noordwest-Europa, en één van de eerste RAF-eenheden, No.6 Sqdn, ontving zijn eerste exemplaren in juli terwijl de eenheid opereerde vanaf Ben Gardane in Tunesië. Er bestaan weinig details over het gebruik van de Hurricane met zware kanonnen tegen continentale doelen. Het was dan ook niet het elegantste vliegtuig om te vliegen met die 40 mm kanonnen. Wanneer de Hurricane Mk IV ‘tank busters’ tot inzet kwamen kregen ze steeds een zware jagerescorte als begeleiding. Hun doelen bestonden echter meer uit treinen dan uit tanks.
De testen met de raketprojectielen waren reeds in oktober 1941 begonnen toen een Mk II (Z2415) met drie lanceerrails onder elke vleugels opsteeg. Met de volledige vleugelbewapening intact begon de machine aan zijn testen in Boscombe Down in het begin van 1942 en werd kort daarop gevolgd door twee andere Mk II’s (tropenversies), BN583 en BN902.
Hurricane Mk IV KZ193 in volle vlucht boven Engeland. Het toestel, uitgerust met een Merlin 32, was het prototype voor de Hurricane Mk V.
Het mikken met raketten was nog rudimentair en hun precisie liet nogal wat te wensen over, maar hun vernietigingskracht was onvergelijkbaar en de RAF standaardiseerde op 3 types; een pantserdoorborend raketprojectiel van 12 kg, een half pantserdoorborend projectiel van 27 kg en een staaldoorborend oefenprojectiel van eveneens 12 kg. Alhoewel de raketprojectielen meer geassocieerd worden met de Typhoon werden ze ook veelvuldig ingezet met de Hurricanes. Het grootste deel van de testen werd uitgevoerd door de Hurricane, ondanks de aanzienlijke prestatiehandicap die deze wapens teweegbrachten. De Hurricane moest niet alleen de zware projectielen meevoeren maar ook nog eens de lanceerrails en de pantserplaat die was aangebracht tussen de rails en de vleugel als bescherming bij het afvuren van de raketten. De raketprojectielen werden effectief ingezet tegen doelen in bezet Europa, de Balkan en het Verre Oosten en bewezen dat de met raketten uitgeruste Hurricane een uitstekend grondaanvalsvliegtuig was. Uiteindelijk werd de MK IV gebruikt als uitrusting voor elf eerste-linie sqdns.
Er werden door Hurricanes met een asymmetrische lading, die bestond uit een brandstoftank onder de ene vleugel en vier raketten onder de andere vleugel, ontelbare aanvallen uitgevoerd. Bij No.184 Sqdn probeerde men raketten onder de ene vleugel te installeren en een 40 mm kanon onder de andere, maar het slingereffect veroorzaakt door het kanon bij het vuren was zo hevig dat de raketten met hun rails onder de andere vleugel afbraken.
Onder de Mk IV’s die werden gebruikt voor het testen was KZ706, een machine van de eindproductie die werd getest met een Long Tom raket met een gevechtskop van 225 kg. Dit wapen werd gelanceerd op de Pendine Sands Range op het einde van de oorlog, KZ706 droeg eréén onder elke vleugel.
Het 40 mm kanon en de raketprojectielen gaven de Hurricane een nieuw leven in het Middellands Zeegebied en het Verre Oosten. Daar bleef het toestel de enige geallieerde eenmotorige jager die was uitgerust met een zwaar antitankwapen. Andere jagers, waaronder de P-51, die raketten droegen kenden slechts een beperkte inzet met deze wapens. No.6 Sqdn, de eerste gebruiker van de Hurricane als grondaanvalsvliegtuig, begon zijn raketaanvallen tijdens de opmars door Italië. Totdat No.351 (Joegoslavië) Sqdn zich aansloot bleef No.6 de enige beschikbare eenheid op de Mk IV in Europa.
Voor zowel dag- als nachtaanvallen had No.6 Sqdn zijn eigen tactiek ontwikkeld voor raketaanvallen tegen een grote verscheidenheid aan doelen. Om een zo groot mogelijk rendement met hun ongeleide wapens te bereiken had men ondervonden dat een duikvlucht van 15° met een snelheid van precies 225 kn (416 km/u) vereist was. Het afvuurpunt voor de 27 kg raketten bedroeg 280-370 m van het doel en dichter (180 m) bij gebruik van de 12 kg projectielen bij een nachtelijke aanval, bij voorkeur met maanlicht.
No.6 zette zijn Hurricanes met raketprojectielen niet alleen in tijdens de oorlog maar bleef ze nog 17 maand na de oorlog voeren, vooral in samenwerking met het Leger. De eenheid vloog de laatste Hurricane-opdracht in eerste-liniedienst voordat de Hurricane officieel op 15 januari 1947 werd teruggetrokken.
In het Verre Oosten bleken de squadrons uiterst bekwaam bij de inzet van hun Hurricanes tegen de oprukkende Japanners. Door de inzet van de Mk II’s en Mk IV’s tegen gepantserde doelen, niet-gepantserde doelen, rivierverkeer en troepenconcentraties verzekerden Nos. 11, 20, 34, 42, 60 en 113 Sqdn er zich van dat de vijand maar weinig verpauzing kende tijdens de laatste dagen van de gevechten in Birma.
De laatste variant van de Hurricane die in het UK werd ontwikkeld was de Mk V met Merlin 32 motoren die ongeveer 1.700 pk leverden op lage hoogte. Slechts twee (KZ193 en NL255) exemplaren werden er van gebouwd, uitgerust met tropenfilters en anti-tankwapens.
Op het ogenblik dat de oorlog begon bezat de Royal Canadian Air Force 19 Hurricane I’s in zijn getalsterkte, deze maakten deel uit van een bestelling voor 20 toestellen die geplaatst was voordat de vijandelijkheden begonnen. Na onderhandelingen werd er nog een Mk I (L1848) door Hawker Aircraft aan Canadian Car & Foundry geleverd, samen met de volledige plannen op microfilm voor de productie van de Hurricane Mk I aangedreven door Britse Merlin III motoren die van Engeland naar Canada zouden worden verscheept.
Daar de ontwikkeling van de Hurricane nog volledig in ontwikkeling was eiste Hawker een voldoende opening in de Mark nummers om de Britten de kans te geven verder te gaan met hun bestaande benaming. Het gevolg daarvan was dat de Canadese Hurricane begon met de benaming Mk X. De Canadese productie liep zo goed dat de eerste in Canada geproduceerde Hurricane Mk I slechts een jaar na de aankomst van het modelvliegtuig kon geleverd worden. Nadat er 166 met Merlin III motoren uitgeruste Hurricanes Mk I’s waren gebouwd schakelde de productie over op de Mk X, de benaming die werd gebruikt om de toestellen die werden uitgerust met de door de Amerikanen geproduceerde Packhard Merlin 28 motoren te identificeren. Alle 434 Hurricane Mk I’s die werden gebouwd voor een Brits contract, waarvan er 25 werden overgenomen door de RCAF, droegen Canadese serienummers. Alle toestellen waren uitgerust met acht machinegeweren, alhoewel er in sommige gevallen 12 MG’s of vier kanonnen waren geïnstalleerd voor verscheping naar andere oorlogstonelen of naar de Russen. Eén Mk X, RCAF 1362 (AG310) was experimenteel uitgerust met een vaste ski-landingsgestel en voorzien van hydraulische trimming. De volgende variant was de Mk XI die gelijk was aan de Mk X en was voorzien van Canadese uitrusting en werden aangedreven door de Packhard Merlin 29's. Veel van deze toestellen deden dienst naast de in het UK gebouwde Hurricanes op alle oorlogstonelen.
Vervolgens kwam de Mk XII, oorspronkelijke naam Mk II (Can) in 474 exemplaren en eveneens uitgerust met Packhard Merlin 29’s. Ze deden uitsluitend dienst bij Canadese sqdns, droegen de serienummers RCAF 5376-5775 en werden aan 10 sqdns toegewezen. Ze werden ingezet als jagers en in een samenwerkingsrol met het leger, maar allereerst moesten ze zorgen voor Canada’s bescherming in geval van een vastbesloten vijandelijke aanval op de scheepvaart. Hurricane Mk XII’s vlogen naast andere toestellen ononderbroken patrouilles boven zee, op uitkijk naar Duitse U-boten, er werd nooit een contact gemeld.
Een Mk XII was het tweede toestel (RCAF 5624) was de tweede Hurricane die werd omgebouwd en met skiën uitgerust en te Rockcliffe in het begin van 1943. Alhoewel de snelheid bleef beperkt tot 480 km/u, werkte het landingsgestel uitstekend maar er werden geen operationele vluchten met uitgevoerd.Met inbegrip van de Sea Hurricane XIIA bouwde Canada Car & Foundry 1.451 Hurricanes, de productie werd stopgezet in de zomer van 1943. CC&F stootte bovendien 1.206 Hurricane vleugels en 1.168 wielpoten uit onder één van de succesvolste vroege programma’s van de Canadese luchtvaartindustrie.
Drie Royal Navy sqdns , Nos.803,807 en 811, gebruikten Hurricanes die niet te onderscheiden waren van de RAF Mk I. Zij werden in de rapporten vermeld als Sea Hurricane Mk I - meer nog als Sea Hurricane , om hun verbinding aan de Royal Navy weer te geven. Van dit trio zette enkel 803 Sqdn deze toestellen operationeel in toen het met ex-RAF toestellen werd uitgerust in Dakheila, Egypte in mei 1941. In juni begaf de eenheid zich naar Palestina, en begin met operaties tegen Syrië vanaf landbases. In augustus werd No.803 Sqdn deel van het Royal Navy Fighter Squadron, een gecombineerde eenheid in de woestijn, totdat ze naar het Verre Oosten werd overgeplaatst in 1942.
Met het verlies van twee Britse vliegdekschepen, Courageous en Glorious, gekoppeld aan het alarmerend stijgen van verliezen aan scheepsruimte verlangde in oktober 1940 het Directorate of Research and Development van Hawker dat het mogelijkheden onderzocht om een Hurricane uit te rusten met spoelen en ander materiaal nodig voor katapultlanceringen. Hawker informeerde het Directorate dat er een prototype kon klaar zijn in vijf weken. Op 19 januari 1941 werden er 20 katapultspoelen en modificatiesets besteld. Twee weken werden er dertig bijkomende modificatiesets bijbesteld.
De eerste genavaliseerde Hurricanes die in dienst gingen in het begin van de lente van 1941 waren conversies van ex-RAF Mk I’s die gelanceerd werden vanaf katapulten op de boeg van koopvaardijschepen en marineschepen om op die manier te zorgen voor konvooibescherming bij lange vaarten op momenten dat er geen bescherming van vliegdekschepen beschikbaar was. Het merendeel van de 50 exemplaren werden gebruikt door de Merchant Ship Fighter Unit, en aanvankelijk bemand met vrijwilligers van uit het Fleet Air Arm-personeel die het RAF-personeel vervingen van zodra hun opleiding achter de rug was. Om de schok van het katapultlanceren op te vangen, waarbij de Hurricane versnelde naar een snelheid van 111 km/u over 25 m door het gebruik van stuwraketten, moest de romp versterkt worden en vleugel- en rompverbindingspunten geïnstalleerd worden voor de katapultspoelen, alsook van takelogen om de Hurricanes te kunnen verplaatsen.
Alhoewel de eerste katapulttesten werden uitgevoerd met het landingsgestel neergelaten hielden de vliegtuigen die op schepen werden geladen voor operationele inzet hun wielen ingetrokken er was weinig behoefte aan een landingsgestel omdat de vluchten zuivere ‘one-way’ trips waren en de piloten verplicht waren hun machine op het water neer te zetten en gebruik te maken van hun dinghy aangezien er op koopvaardijschepen en marineschepen gewoonlijk geen plaats was om te landen. De piloot kon enkel hopen op redding door één van de schepen van het konvooi.
Start van een Sea Hurricane Mk IC vanaf een Brits escorte-vliegdekschip HMS Striker. Kort voordien werd een Swordfish gelanceerd.
In de herfst van 1941 kregen de Sea Hurricanes bijkomende brandstoftanks zodat de toestellen een groter bereik hadden en de mogelijkheid bestond om land te bereiken.
Van een totaal van vijftig Britse schepen uitgerust met jagerkatapulten ( voornamelijk Hurricanes maar ook Fairey Fulmars) waren er 35 bekend onder de naam Catapult Aircraft Merchantmen (CAM-schepen) en vijf Naval Fighter Catapult Ships (FCS). Eén van deze laatste, HMS Maplin, het enige RN schip dat zijn Hurricane inzette. Op 18 juni 1941 maakte de Maplin deel uit van een konvooi dat werd geschaduwd door een viermotorige FW 200 Condor en lanceerde zijn Hurricane die de Duitse verkenner neerschoot.
De eerste lancering vanaf een koopvaardijschip vond plaats op 1 november 1941 toen de Empire Foam zijn jager uitstuurde om een patrouillerende FW 200 aan te vallen. Er volgden nog andere successen in de daarop volgende 18 maand. In februari 1942 werd de Maplin met drie Hurricanes uitgerust in plaats van de vroegere twee en bleef het enige operationele FCS tot in juni 1942.
Er was aanvulling van vliegtuigen nodig als de CAM-schepen hun jager hadden gelanceerd voordat ze hun einddoel hadden bereikt. Daarom werden er Sea Hurricanes gestationeerd aan het eindpunten van de konvooien vanuit Groot-Brittannië in Canada, Gibraltar en Moermansk in Rusland en waren de havens van Belfast, Merseyside, Bristol en Clydesite de laadpunten bij het vertrek.
Toen de katapultjager-escorteschepen hun eerste jaar dienst achter de rug hadden werden er modificaties uitgevoerd aan de Sea Hurricane om de kansen van de piloot in geval hij op het water moest landen te verbeteren; Er werd een verbeterde methode voor het afwerpen van het cockpitdak ingevoerd en het K-type opblaasbare éénpersoons dinghy. In de Mk II versie werd deze dinghy verpakt als een zitkudden, samen met de parachute, een systeem speciaal voor de Hurricane ontworpen. Een verder hulp voor de piloten die bo
Zelfs al was de score van de Hurricats, zoals de katapult Hurricanes werden genoemd, maar klein had waarschijnlijk hun aanwezigheid alleen al gezorgd dat een groot aantal schepen niet tot zinken werden gebracht. Van november 1941 tot juli 1943 werden zeven Duitse vliegtuigen neergeschoten en vier beschadigd voor het verlies van twee piloten.
Er werden nog eens vijftig Hurricane Mk I’s van de Canadese productie werden aangeduid voor het ombouwen tot katapultjagers, alhoewel de meeste van hen zouden opereren vanaf landbases bij negen FAA sqdns, en dan nog voornamelijk voor opleiding. Onder deze eenheden bevond zich ook No.804 Sqdn dat zorgde voor de levering van Sea Hurricane Mk IA’s voor de CAM-schepen, een taak die de eenheid op zich nam tot in de lente van 1942 toen deze opdracht werd overgenomen door de RAF Merchant Ship Fighter Unit.
Een andere ontwikkeling van de Hurricane was de marineversie Sea Hurricane. Gezien het gemak waarmee niet-marinepiloten met hun toestellen waren opgestegen vanaf een vliegdekschip, gedemonstreerd tijdens de campagne in Noorwegen, werd er besloten om operaties uit te voeren met Hurricanes die van een vanghaak waren voorzien vanaf lichte escorte-vliegdekschepen en omgebouwde vrachtschepen (MAC-schepen), maar terwijl deze schepen werden klaargemaakt opereerde er een acht machinegeweren interim-versie - De Sea Hurricane IA - voor konvooibescherming met katapults vanaf het vooronder van aangepaste koopvaardijschepen (CAM-schepen) tijdens de cruciale fase van de Slag om de Atlantic in 1941. Toen de MAC-schepen beschikbaar werden, werden er Sea Hurricanes IB's met vanghaken en katapultspoelen in gebruik genomen. In 1942 volgden er dan Sea Hurricane IV's met vier kanonnen. Al deze toestellen werden aangedreven door een Merlin III en alle toestellen waren omgebouwde Mk I's van de RAF. De volgende versie die verscheen was de Hooked Hurricane II, die zoals de naam laat vermoeden enkel waren uitgerust met een vanghaak. De laatste was de Hurricane IIC, een volledig uitgeruste vier kanon jager met Merlin XX motor, met marineradio, vanginstallatie, spoelen en ruimte voor voorraden. Er bestonden tropenversie van alle Mks van de Sea Hurricane en het type vocht met de Fleet Air Arm in veel van de grote konvooislagen in de Atlantische Oceaan, Rusland en Malta totdat, in 1943, zij bijna allemaal werden vervangen door de Seafires.
Tegen het einde van de strijd in de woestijn in Noord-Afrika in 1943 waren er 20 sqdns uitgerust met Hurricane IIB's, IIC's, IID's en IV's (waaronder een Grieks en No.451 RAAF Sqdn). Na de landingen op Sicilië en in Italië werden veel van deze eenheden heruitgerust met de Spitfire en Kittyhawk totdat er, bij het bereikten van de Balkan, enkel nog No.6 Sqdn op de Mk IV vloog. Deze eenheid behield haar Hurricanes tot in 1946 in Palestina en was daarmee de laatste operationele RAF eenheid die met dit type vliegtuig vloog.
Uitgerust met een vanghaak en daardoor een tijdje bekend onder de naam Hooked Hurricanes was de Sea Hurricane IB de eerste Britse eenmotorige eendekker jager die officieel opereerde vanaf een vliegdekschip. Niet-officieel waren de eerste Hurricanes die op een vliegdekschip landden de Hurricane Mk I’s van No.46 Sqdn, die naar de Glorious vlogen tijdens de mislukte Noorse campagne in 1940.
De met de standaard machinegeweren bewapende Mk IIB en alle andere Sea Hurricanes hadden niet de mogelijkheid hun vleugels op te plooien. Dit was in 1940 onderzocht, maar men was er niet mee doorgegaan aangezien de Sea Hurricanes meestal aan dek stonden wanneer ze vanaf kleinere escortevliegdekschepen opereerden. Ondanks deze handicap presteerde de Sea Hurricane uitzonderlijk goed, en voorzag de Royal Navy van een moderne jager als de nood het hoogst was. De naam Sea Hurricane Mk IB was gereserveerd voor de Sea Hurricanes die zich aan boord van vliegdekschepen bevonden om ze te kunnen onderscheiden van de toestellen die voor de inzet met CAM’s voorzien waren. Naast de vanghaak was het toestel nog uitgerust met lanceerinstallatie en speciale veren om de schok van het landen met vanghaak op te vangen en het stuiteren van de vanghaak bij de landing te voorkomen. In de cockpit was er een verklikkerlicht voor de stand van de vanghaak zodat de piloot wist wanneer hij veilig kon landen. Met de nodige ervaring en een hoop geluk van de haak dan één van de vangkabels aan dek.
De FAA beschikte over 32 sqdns die met Sea Hurricanes IB waren uitgerust en startten vanaf gepantserde vliegdekschepen en de kleinere escortevliegdekschepen en was daarmee de meest verspreidde versie van de Hurricane bij de Royal Navy. Hoogtepunten in hun carrière waren de konvooien naar Rusland en de vluchten boven de Atlantische Oceaan en de heroïsche vluchten naar Malta om levensbelangrijke jagers te kunnen leveren voor de verdediging van de mediterrane eilanden.
Sea Hurricane Mk IIB V7438 Y1-V van No.759 Sqdn van de Fleet Air Arm. Boven het serienummer is 'Royal Navy' aangebracht.
De FAA verlangde eveneens de met versterkte vleugels uitgeruste Sea Hurricane Mk IIB om zes sdqns uit te rusten, daaronder bevonden zich een aantal Canadese Mk II’s met twaalf machinegeweren in de vleugels. Onder de gebruikers van deze versie behoorde ook No.800 Sqdn dat opereerde vanaf de HMS Bitter tijdens Operation Torch in november 1942 in Noord-Afrika.
Testen met Mk II BD878 leidden in mei 1942 tot het invoeren van een marine versie Hurricane Mk IIC met kanonnen. Een Navy radio-uitrusting en een vanghaak werden geïnstalleerd bij 81 exemplaren die werden omgebouwd door General Aircraft en tegen juli van dit jaar had de Fleet Air Arm ongeveer 600 Hurricanes van alle Mk’s in zijn getalsterkte, ongeveer 200 ervan waren beschikbaar bij operationele jachtsquadrons en 80 werden er ingezet vanaf landbases, de rest was reserve.
De Sea Hurricane IIC met Merlin XX motoren diende bij achttien FAA sqdns en het type werd de laatste versie die opereerde in handen van No.825 en 835 Sqdn, respectievelijk aan boord van de HMS Vindex en Nairana. Deze toestellen waren standaard met kanonnen uitgeruste marine versie machines die patrouilles vlogen boven de Noordelijke Atlantische Oceaan, sommige toestellen waren eveneens uitgerust met raketrails die ontwikkeld waren voor de Mk IV, hier was de vleugelbewapening verwijderd.
Deze laatste benaming werd gegeven aan 50 omgebouwde Canadese Mk XII aangedreven door 1.300 pk Packhard Merlin 29 motoren . Oorspronkelijk toegewezen aan de RCAF neemt men aan dat het merendeel terug werd omgebouwd door de RAF die er enkele van had ontvangen en door de Canadian Air Force. Er zijn geen Sea Hurricanes bekend die als dusdanig door de Canadese Marine zouden zijn ingezet alhoewel sommige Mk XIIA’s wel trainingen voor deklandingen schijnen te hebben uitgevoerd op landbases.
Tegen de tijd dat het Maleisische schiereiland werd overrompeld in december 1941 waren er al Hurricanes onder weg naar het Verre Oosten en, ondanks enkele aanvankelijke successen tegen niet geëscorteerde Japanse bommenwerpers, waren ze al hopeloos verouderd tegenover de Zero-jagers en waren dus niet in staat invloed uit te oefenen bij de gebeurtenissen rond Singapore. Verdere versterking, waaronder enkele ex-Midden Oosten Mark II's bereikten Java en Sumatra, deze werden gevlogen door RAF, Australische, Nieuw Zeelandse en Nederlandse piloten. Ondanks redelijke successen werden de Hurricanes nog maar eens overrompeld door de sterke Japanse Marine Luchtstrijdkrachten, die op één dag een 20-tal Hurricanes vernietigden.
Afgezien van de Hurricanes die sinds 1941 aan Rusland werden geleverd, werden er nog naar Turkije verstuurd vanuit stocks in het Midden Oosten en werden naar Zuid-Afrika verscheept (die later nog dienst zouden doen met de SAAF in Noord-Afrika). Ongeveer 120 ex No.74 Sqdn Hurricane IIC's werden overgedragen aan Perzië in 1943, en één, een tropische Mk I V7476 (A60-1) ging naar Australië waar hij werd ingezet als verbindingsvliegtuig en als testmachine voor de ontwikkeling van een 'anti-G'-pak, ontworpen door prof. Cotton van de Universiteit van Melbourne.
Ongeveer 50 Hurricane IIC's werden in 1945 naar Portugal verzonden en zes Mk IIC's gingen naar Ierland in 1945-46 om er zich bij een gelijk aantal Mk I en II's te voegen die al enkele jaren vroeger waren geleverd. Het Perzische contract dat werd onderbroken door de oorlog werd in 1945 uitgevoerd met de levering van een aantal Mk IIC's en een enkele trainer tweezitter.
Bron :Aero Data International No 5 'Hawker Hurricane I', Aero Detail 12 'Haker Hurricane', Monografie Lotniczee Nr 51, 52, 53 en 54 Walk Around nr. 14 Hurricane, Hurricane in Foreign Service 2, Hurricane in Action, Hawker Hurricane Mk I/IV with Royal Air Force