Focke-Wulf
Fw 190 R-1
| Focke-Wulf Fw 190 A-5/U12 met een gondelbewapening onder de vleugels, bestaande uit 2 x 2 MG 151 20 mm machinegeweren. |
Tijdens het verloop van de oorlog werd het duidelijk dat door de voortdurend veranderende vereisten om een succesvolle inzet van vliegtuigen te kunnen garanderen er ook aanpassingen aan het bewapeningssysteem noodzakelijk waren. In tegenstelling tot de jachtvliegtuigen die reeds voor het begin van de oorlog ontworpen waren, zoals de Messerschmitt Me 109, werd de Focke-Wulf Fw 190 reeds op de ontwerptafel als meer-doelen vliegtuig voorzien en waren de eerste V-machinen reeds met een afwerpinstallatie voor bommen uitgerust.
Bij de firma Focke-Wulf werden een reeks van relatief gemakkelijk uit te wisselen bewapeningspakketten ontwikkeld, die volgens de geplande inzet van het toestel konden worden aangepast. De eerste toestellen die met deze Umrüst-Bausätze konden worden uitgerust waren de A-3, A-4 en A-5.
Vanaf de A-6 werden deze U-pakketten Rüstsätze genoemd. In de Fw 190 A-5 reeks werden er voor dit doel reeds een aantal toestellen met een versterkte vleugel uitgerust en als testmachine voor de toekomstige A-6 gemodificeerd. Vanaf de A-6 tot en met de A-10 werd deze vleugel dan bij alle toestellen als standaardvleugel ingebouwd.
![]() |
| Vooraanzicht op de wapengondel aan bakboord. De doorsteekopening voor de wapenlopen zijn met lederen mancheten afgesloten. Tussen de lopen en de vleugelrand is de scharnier van de bekleding te zien. |
| Fw 190 A-6 | na het verwijderen van de buitenste MG FF's als | A-6/R1 |
| A-7 | A-7/R1 | |
| A-8 | A-8/R1 | |
| A-9 | A-9/R1 en | |
| A-10 | A-10/R1 |
In de uitvoeringslijst nr. 003 van 18 november 1942 voor de Fw 190 stond Fw 190 A-5 met WNr. 190610 als modelvliegtuig voor de Fw 190 F-1 vermeld die ook onder de benaming Schlachtflugzeug 3 liep. Dit toestel, moest in de versies A-5/U3, U10, U11 en U12 omgebouwd worden. De seriebouw was voorzien voor juni/juli 1943. Bij de U12, was reeds de inbouw van 2 x 2 MG 151/20's onder de vleugels voorzien.
In december 1942 werd er in een overzicht van de Fw 190 jachtvliegtuigen een voorlopige serie-uitvoering, overeenkomstig met de R1, voorzien die de volgende bewapening zou dragen:
Het vlieggewicht zonder de gondelbewapening onder de vleugels bedroeg 3.930 kg, met de gondelbewapening 4.310 kg. De maximale snelheid in deze uitvoering werd met 615 km/u aangegeven. De voorserie moest vanaf april 1943 gebouwd worden. De definitieve serieproductie die voorzien was voor augustus 1943 moest dan met de volgende bewapening uitgerust zijn:
Het vlieggewicht werd met 4.410 kg en de snelheid met 665 km/u aangegeven.
Op 21 april 1943 werd naar aanleiding van een bespreking bij de General der Jagdflieger Galland bepaald dat het monteren van de wapengondels met de twee MG 151/20's niet door
![]() |
| Zijaanzicht op de gesloten wapengondel. |
Voor het testen van de vliegeigenschappen bij horizontale vluchten na de montage van de beide wapengondels werd Fw 190 WNr. 0665 met twee onbewapende versies van deze wapengondels uitgerust.
Het eerste prototype A5/U12 (WNr. 0813) werd eveneens met de wapengondels uitgerust, de eerste vlucht gebeurde ook hier zonder geïnstalleerde bewapening. Men stelde bij deze testen vast dat de installatie een snelheidsverlies tussen 26 tot 29 km/u teweegbracht. A-5/U12 was tezelfdertijd prototype voor de Fw 190 A-6/R1.
Na het installeren van de wapens in de wapengondels werd er bij sommige testen een snelheidsverlies van ongever 60 km/u opgemeten. Dit verlies was, volgens de vluchtverslagen, niet toe te schrijven aan de installatie maar vond haar oorsprong in het feit dat de motorcapaciteit te laag was.
| Datum | Vluchtnummer | Start | Landing | Duur | Piloot |
|---|---|---|---|---|---|
| 08 juni 1943 | 3 | 09.19 | 10.02 | 43' | Finke |
| 09 juni 1943 | 4 | 09.00 | 09.40 | 40' | Finke |
| 09 juni 1943 | 5 | 10.25 | 11.29 | 1.04 | Finke |
| 10 juni 1943 | 6 | 15.10 | 15.50 | 40' | Stephan |
| 10 juni 1943 | 7 | 16.15 | 16.49 | 34' | Stephan |
| 11 juni 1943 | 8 | 08.40 | 09.29 | 49' | Märschel |
| 11 juni 1943 | 9 | 10.09 | 10.47 | 38' | Märschel |
Bij de firma Arado en Ago stond vanaf juni 1943 en bij de firma Fieseler in juli 1943 op de productieband. Van de A-6/R1 moesten er per maand tot 50 exemplaren afgeleverd worden.
Vanaf augustus 1943 zag er de verdere productie van de toestellen die met de R1 moesten uitgerust worden er als volgt uit:
In het bewapeningsprogramma voor de Fw 190 van 15 december 1943 werd A-5/U12 het prototype voor de volgende series:
In de productielijst van 3 januari 1944 werden voor de Fw 190 met BMW 801 de volgende aantallen voor met R1 uitgeruste toestellen vermeld:
De volgende beschrijving was eveneens van toepassing voor de Rüstsatz 1 waarbij echter vanaf de A-7 de beide in de motorkap ingebouwde MG 17's vervangen werden door twee 13 mm MG 131's . Bij de installatie van de R1 was de oorspronkelijke bewapening die buiten het landingsgestel in de vleugels ingebouwd was verwijderd.
De bewapening van de jager FW 190 A-5/U12 bestond dus uit:
Fw 190 A-8/R1: productiebegin in maart 1944 met 50 exemplaren per maand.
De lege hulzen en de schakels van de munitiebanden werden voor alle wapens in het vrije weggevoerd. Voor het installeren en onderhoud van de bewapening waren er grote inspectieluiken voorzien.
![]() |
| Het omhoogklappen van de bewapening, de wapenlopen liggen in de wapengondel. |
De beide MG 17's waren elk op een metalen drager die aan spant 1 en de draagsteun van het windscherm vastgeschroefd was, gemonteerd. De machinegeweren moesten na het in- en uitbouwen niet telkens opnieuw ingesteld worden. De beide MG 151/20's in de vleugelwortels waren in een St.L. 151/2 gemonteerd. De voorste steun van deze Lafette was aan de voorste vleugelbalk vastgeschroefd, de achterste verbonden met een tussenstuk dat tussen ribben 1 en 3 bevestigd was. In elke wapengondel waren twee MG 151/20 E geïnstalleerd. Deze twee wapens waren op een St.L. 151/7 gemonteerd die in een speciale ophangsysteem waren bevestigd. Het ophangsysteem kon voor het laden van de wapens en het onderhoud neergeklapt worden. Het geheel was met de zogenaamde wapengondel bekleed.
De munitie voor beide MG 17's was vóór spant 1 in de romp ondergebracht. De munitiekisten werden buiten het vliegtuig geladen en langs onder in de romp geïnstalleerd. De lege hulzen en schakels werden langs afvoerschachten uit het vliegtuig geworpen.
Voor de beide MG 151/20's in de vleugelwortels werd de munitie in de romp, achter de voorste balk ondergebracht. Ook deze munitiekisten werden buiten het toestel geladen en langs onder in de romp geïnstalleerd.
Voor de MG 151/20 in de wapengondels was de munitie opgeslagen in munitiekisten in de vleugel. De kisten werden buiten de vleugel gevuld en bij neergeklapte wapens in de vleugels geladen waar ze door pinnen op hun plaats werden gehouden.
De munitie voor de rompwapens en de beide in de vleugel gemonteerde machinekanonnen werd door de motor verwarmd. De luchtkoeling reduceerde daarbij de temperatuur tot een aanvaardbaar niveau. De door de motor afgegeven warmte volstond om de munitie bij temperaturen van –35° nog bruikbaar te houden. Een kanaal in de vleugelneus zorgde voor de verwarming van de munitiekisten in de vleugel en de wapengondel onder de vleugels.
Bij de Fw 190 A-5/U12 werd het Revi C 12B gebruikt. De A-6/R1 werd uitgerust met het Revi C 12 D. Vanaf de Fw 190 A-7 werd het Revi 16 B geïnstalleerd. Voor het instellen van het vizier was er op de bakboordvleugel een insteekbus gemonteerd die diende om een testtoestel voor de rompbewapening in op te stellen. Bovendien waren er in de langs- en dwarsdoorsnede van de romp op een afstand van 470 mm waterpasmerken aangebracht. Onder aan het toestel waren er ogen aangebracht voor het uitloden van de machine.
De wapens waren over een SZKK4 aan de verschillende wapenselectiekasten aangesloten.
![]() |
| Instrumentenbord met 'Wahlschalter' - selectieschakelaar, 'Sicherungsschalter' - beveiligingsschakelaar, 'Verschlusskontrollampen'- controlelampen sluitstukken van de gondelbewapening. |
Vanaf de Fw 190 A-6 bestond de mogelijkheid om een camera EK 16 in te bouwen in de vleugelneus. Deze wapencamera kon op twee manieren ingeschakeld worden: ofwel was ze gekoppeld aan de afvuurknop van de bewapening of ze werd over een knopdruk in werking gesteld.
![]() |
| Rechter instrumentenconsole van de A-5/U12 met de schakelaars voor de verschillende bewapeningsstanden. |
![]() |
| De wapengondel van de beide MG 151/20 E is neergeklapt. |
![]() |
| Wapenlopen verwijderd en wapengondel weggeklapt. |
![]() |
| Bij het omhoogklappen van de wapens wordt er gelet op de correcte toevoer van de munitie. |
![]() |
| De wapengondel van schuin achter, om de werking van de landingskleppen niet te hinderen is de gondel achteraan schuin afgewerkt. |
Bronnen:
(Luftfahrt International)
Fw 190 Ausführungs-Übersichtliste nr. 003 van 18.11.1942
Fw 190 Ausführungen für Jägereinsatz von 18.11.1942
Besprechung beim General der Jagdflieger, betr. Fw 190 von 21.04.1943
Ladeplan Fw 190 A-6, 06.05.1943
Beladevorschrift Fw 190 A-6, 06.05.1943
Ladeplan FW 190 A-5/U12 Werk Nr. 0813 en 0814 von 09.06.1943
Ladeplan FW 190 A-5/U12 von 24.06.1943
Beladevorschrift Fw 190 A-5/U12 von 24.06.1943
Zeichnung Fw 190 A-6 von 11.06.1943
Flugbericht Fw 190/813 Flug nr. 3-9 von 16.06.1943
Beschreibung der Bewaffnung Fw 190 A-5/U12 von 16.06.1943
Fw 190 Baumusterübersicht 2.Ausgabe von 25.08.1943
Bewaffnungsübersicht FW 190 und Ta 152 von 15.12.1943
Baumusterübersicht der Fw 190, V-Muster u. serienmachinen von 1943
Bauübersicht Fw 190 und Ta 152 von 03.01.1944
Baumusterübersicht Fw 190 und Ta 152 von 21.03.1944