Back to...

 

Focke-Wulf
Fw 190 D / Ta 152

Fw Ta 152 C-0/R11
De Fw Ta 152 C-0/R11 W.Nr.0007 CI + XM. Dit toestel werd eengedreven
door een DB 603L motor en droeg de standaardvleugels van de Fw 190 A-8.
(Foto: H.J.Nowarra).

Inhoud

gotop   Inleiding

Als gevolg van het verrassend succes van de Luftwaffe veroorzaakt door het verschijnen van de Fw 190 A-1 boven Het Kanaal in de lente van 1941 werd er besloten om onmiddellijk verschillende versies van een hoogtejager te ontwikkelen die zich baseerde op het basisontwerp van de Fw 190.
          De eerste variant, die Fw 190 B werd genoemd, werd uitgerust met een BMW 801 motor. Deze verschilde van de Fw 190 A door de installatie van een turbocompressor en een drukcabine. Er waren slechts een paar exemplaren van deze versie gebouwd toen ze reeds door de Fw 190 C-serie werd vervangen.
           De C-serie werd aangedreven door een 1.750 pk Daimler-Benz DB 603 A motor-in-lijn die eveneens over een turbocompressor beschikte.
Fw 190 V-13 W.Nr.0036, SK + JS
Fw 190 V-13 W.Nr.0036, SK + JS, was het eerste prototype
van de voorziene Fw 190 C-series,
de motor was een 1750 pk DB 603 A.
(Foto: H.J.Nowarra)
Het eerste prototype voor deze serie was de V13 (W.Nr. 0036 SK + JS). De V13 werd opgevolgd door een tweede prototype, V18 (W.Nr. 0040 CF + OY), dat van zijn voorganger verschilde door de vierblad VDM-propeller en de installatie van een turbocompressor. Het toestel kreeg de bijnaam 'Kangoroo' wegens de grote bekleding onder de romp die vereist was om de installatie van de turbocompressor in te sluiten.
          Het tweede en derde echte prototype voor de C-serie (de V18 was maar een voorlopige versie) waren de V29 (W.Nr. 0054 CF + KS) en V30 (W.Nr. 0055 CF + KT) die beiden met een DB 603 G motor waren uitgerust. De V31 (W.Nr. 0056 GH + KU) en V32 (W.Nr. 0057 GH + KV) waren uitgerust met grotere staartvlakken en vleugels met een grotere spanwijdte. De V31 stortte neer tijdens een testvlucht op 29 april 1943. Het laatste prototype was de V33 (W.Nr. 0058 GH + KW) en was uitgerust met twee op het motorblok gemonteerde 13 mm MG 131 machinegeweren en twee in de vleugels gemonteerde 20 mm MG 151/20 machinegeweren. Maar ondanks deze modificaties werd ook de Fw 190 C-serie uit het productieproces verwijderd wegens de armzalige prestaties van de Hirth 9-2281 turbocompressor met daar tegenover het succes van de door de Jumo 213 motor aangedreven Fw 190 D-serie.
          Deze D-serie was de derde versie voor de hoogtejager die zich baseerde op het originele Fw 190 basisontwerp en door een Junkers Jumo 213 motor werd aangedreven. Als standaardmodel voor deze versie zou de Fw 190 A-8 worden gebruikt, maar dan voorzien van een langere rompneus om de 1.750 pk Jumo 213 A twaalf cilinder vloeistofgekoelde motor-in-lijn te kunnen onderbrengen. Om de langere romp te compenseren moesten de staartvin en de staartvlakken vergroot worden.
          Het eerste prototype voor de Fw 190 D was V17 (W.Nr 0039) die in 1941/42 was omgebouwd uit een standaard Fw 190 A-0. Dit toestel, dat nadien nog eens werd gemodificeerd tot de V17/U1, maakte als prototype voor het productiemodel Fw 190 D-9 zijn eerste vlucht in mei 1944 vanaf het vliegveld van Langenhagen. Er werden nog vijf andere A-0's tot prototypes voor de D-serie omgebouwd, deze waren Fw 190 V20, V21, V22, V23 en V25.
          
Fw 190 D
Een Fw 190 D-9 van de beginproductie, met een
afwerpbare 300 l brandstoftank onder de romp. (Foto: H.J.Nowarra)
Er werd een kleine preproductiegroep van Fw 190 D's gebouwd, dit waren modificaties van standaard Fw 190 A-7 productiecellen. Deze toestellen waren dus gelijk aan de A-7, ondanks het feit dat er een compenserende sectie aan het achterste deel van de romp was toegevoegd, en hadden de Jumo 213 als 'power-egg' ingebouwd gekregen. De bewapening bestond uit vier in de vleugels gemonteerde 20 mm MG 151/20 machinekanonnen en twee 13 mm MG 13 machinegeweren op het motorblok. Deze preproductiegroep werd gevolgd door een kleine productiegroep Fw 190 D-1's. De D-1 had grotere staartvlakken dan zijn voorganger.
          Het belangrijkste productiemodel was de D-9. Deze was voorzien om de A-8 te vervangen. Dit had tot gevolg dat de D-2/D-8 niet gebouwd werden. Niettegenstaande de A-8 door een D-versie werd vervangen werden er toch nog een A-9 en A-10 gebouwd. Zoals reeds vermeld was het eerste prototype voor de Fw 190 D-9 de V17/U1. Deze was uitgerust met een 1.776 pk Junkers Jumo 213 A-1 motor met MW-50 injectie waardoor de kracht tot 2.200 pk werd opgevoerd en het toestel een maximale snelheid van 685 km/u bereikte. Het tweede prototype voor de D-9 was V53 (W.Nr 170003), en was klaar op minder dan een maand na het eerste. De bewapening van het prototype bestond uit twee bijkomende 20 mm MG 151/20 machinegeweren in de vleugels (de V17/U1 beschikte over twee 20 mm kanonnen in de vleugels en twee 13 mm MG 131 machinegeweren op het motorblok).
Fw 190 V-53 W.Nr.170003
Tweede prototype voor de operationele D-9 en D-10 series, Fw 190 V-53
W.Nr.170003. Let op de kenmerkende (verlengde) motorbekleding en de
propeller met de paddelbladen. (Foto: H.J.Nowarra)
          Het derde prototype, V54 W.Nr 174024, was klaar in juli 1944 maar werd samen met de V53 tijdens een bombardement vernietigd. De productie van de D-9 liep in augustus van stapel in de fabrieken van Focke-Wulf in Bremen, Johannisthal/Berlijn en Sorau/Schlesien. Ze werd in onderaanneming ondersteund door Ago in Oscherleben, Arado in Brandenburg en Warnemünde en Fieseler te Kassel. De eerste productiegroep (vanaf W.Nr. 210001 opwaarts) bezat een cockpit met plat dak – latere toestellen kregen een 'Gallandhaube' (niet te verwarren met de klaarzicht Gallandhaube van de latere Me 109 G en J varianten). Er waren verschillende varianten van de D-9 voorzien, zoals de D-9/R11 slecht-weer-jager die was uitgerust met de PKS 12 richtingscontrole, FuG 16 Zy, FuG 25a en FuG 125. De D-10 was gelijk aan de D-9 maar de twee MG 131 boven op het motorblok waren vervangen door een 30 mm MK 108 machinekanon dat door de propelleras vuurde.
          Het volgende productiemodel was de D-11 grondaanvalsmachine waarvoor er zeven prototypes werden gebouwd. Het eerste van deze prototypes, V55 (W.Nr. 170923) werd aangedreven door een Jumo 213 F-1 motor die uitgerust was met een drietraps turbocompressor en MW-50 injectie. Dit toestel bezat de standaardbewapening die bestond uit twee 20 mm 151/20's en twee 13 mm 131's.
V-56, W.Nr.170924
Het prototype voor de Fw 190 D-11 was de V-56, W.Nr.170924. De kleine pennen
op de vleugelvoorrand zijn verklikkers voor de stand van het landingsgestel.
Het tweede D-11 prototype, W.Nr. 170924, en alle navolgende (met uitzondering van de V60) hadden de op het motorblok gemonteerde MG 131's vervangen voor twee in de buitensecties van de vleugels gemonteerde 30 mm MK 108 kanonnen. De V57 (W.Nr. 170926) was een omgebouwde A-8 en de V58 (W.Nr. 170933) en V59 (W.Nr. 350156) waren beiden gelijk. De V60 (W.Nr. 350157) was gelijk aan de V57 maar bezat geen bewapening en de V61 (W.Nr. 350158) werd aan de Junkers Motorenwerke overgedragen voor het uitvoeren van motortesten.
          Voor de D-11 waren er verschillende ombouwpakketten voorzien; daaronder de R5 met TSA 2D bommenvizier en acht 50 kg bommen, de R11 met FuG 125 D/F, de R21 die gelijk was aan de R11 maar geen MW-50 injectie bezat en de F-11/R25 met bijkomende brandstofvoorraad.
          Het volgende productiemodel was de D-12, die verschilde van zijn voorgangers door het door de propelleras vurende MK 108 en de versterkte pantsering rond de motor. De prototypes voor de D-12 waren V63 (W.Nr. 350165), V64 (W.Nr. 350166) en V65 (W.Nr. 350167) – omgebouwde A-8's. De Fw 190 D-12/R5, /R11, /R20, /R21 en /R25 waren gelijk aan de D-11/R varianten. De Fw 190 D-13 was uitgerust met een Jumo 213 EB motor en het op het motorblok gemonteerde 30 mm kanon was vervangen door een 20 mm 151/20 machinegeweer. Er bestonden twee prototypes van, V62 (W.Nr. 732053) en V71 (W.Nr.732054), die eveneens omgebouwde A-8's waren en waaraan de standaard R-paketten konden worden toegevoegd. Ook van de D-14 waren er maar twee prototypes afgewerkt, V76 (W.Nr.210040) en V77 (W.Nr.210043). De D-14 en D-15, die beiden op elkaar geleken, moesten respectievelijk worden uitgerust met een DB 609 A zestien cilinder motor-in-lijn en de DB 603 EB motor, maar werden uiteindelijk verderontwikkeld tot Ta 152 series.
          Er werden een groot aantal ontwerpen voorgesteld die zich op de Fw 190 D-cellen baseerden. De meeste ervan moesten gebruik maken van de grotere krachten van nieuwe motoren zoals de 2.400 pk BMW 802 achttien cilinder stermotor, de 3.900 pk BMW 803 achtentwintig cilinder stermotor, de 2.260 pk DB 609 zestien cilinder in-lijn, de 2.020 pk DB 614 vierentwintig cilinder in-lijn en de 2.400 pk DB 623 twaalf cilinder in-lijn. Een ander project voorzag de inzet met een torpedo, nog andere voorzagen de inzet van verbeterde wapensystemen.

gotop   Constructie van de Fw 190 D-varianten

De vleugels bestonden uit een volledig metalen structuur met twee hoofdbalken. De voorste balk liep door de romp, de achterste balk was in twee secties verdeeld die door middel van penverbindingen aan elke zijde van de romp bevestigd waren. De balken waren opgebouwd uit geflensde platen die gedeeltelijk door uitstekende 'L'- sectie en verlopende verdikte kappen versterkt waren. In het gedeelte buiten de rolroeren bezaten de balken volledige flenzen. Ook de vleugelribben bestonden uit geflensde platen, de 'Z'-vormige versterkingen zaten gespannen tussen de balken. De spantbekleding was vervaardigd uit een sterke, maar lichte legering. De voorste balk was in de nabijheid van de vleugelwortel naar binnen geplooid om op die manier de ligplaatsen voor de wielen te vormen. Er werd gebruikgemaakt van rolroeren van het Frise-type die eveneens uit een lichte metalen legering waren vervaardigd. De spreidkleppen aan de achterzijde van de vleugel werden elektrisch bediend en konden voor het opstijgen 10° uitgeslagen en voor het landen 60° neergeslagen worden.
          De romp was eveneens een volledig metalen constructie. De voorste sectie, tot aan het eind van de cockpit, had vier lengteliggers en een horizontale onderverdeling die de cockpit van de brandstoftanks scheidde. Het achterste gedeelte van de romp bestond uit een conventionele ééndelige constructie die 21 spanten en 'Z'-vormige versterkingen bestond. Het geheel was met een huid uit een licht metalen legering bekleed.
Junkers Jumo 213 A-1
De 1770 pk Junkers Jumo 213 A-1 vloeistofgekoelde motor
die de Fw 190 D-9
aandreef.
          Als motor werd een Junkers Jumo 213 A-1 12 cilinder, vloeistofgekoelde omgekeerd V motor-in-lijn gebruikt die op zeeniveau een maximaal vermogen van 1.776 pk leverde bij 3.250 t/min. Door de installatie van een MW-50 injectiepomp kon het vermogen tot 2.240 pk opgevoerd worden. Het maximaal vermogen in volle vlucht op 6.000 m hoogte bedroeg 1.600 pk bij 3.250 t/min.
          De bewapening bestond uit twee gesynchroniseerde Rheinemetal-Borsig 13 mm MG 131 machinegeweren met elk 475 patronen, gemonteerd boven op het motorblok en twee vaste 20 mm Mauser MG 151/20 kanonnen met elk 250 granaten, geïnstalleerd in de vleugelwortels. In de vleugelwortels bevonden zich de ligplaatsen voor het volledig intrekbaar landingsgestel.
          Als propeller was een VDM drieblad VS 111 propeller met constante spoed gemonteerd die voorzien was van metalen bladen.
          De staarteenheid bestond uit volledig metalen, door de romp lopend, instelbaar staartvlak. De volledig metalen staartvin, met metalen huid, vormde een integraal deel met de romp. De besturingsvlakken bestonden uit licht metalen structuren die met stof bespannen waren. Het staartwiel was half intrekbaar en onderling verbonden met de hoofdwielen zodat alle wielen synchroon konden worden ingetrokken.

gotop   De "Dora-9" in dienst

Toen de Fw 190 D-9 of "Dora-9" op het einde van de zomer 1944 in dienst ging bij de Jagdflieger van de Luftwaffe bewees hij van bij het begin een succes te zijn. Eén van de eerste Gruppen die met deze jager werden uitgerust was III./JG 54 "Grünherz", die onder bevel stond van Hauptmann Robert "Bazi" Weiss (Ritterkreuz). Deze eenheid ontving in september haar eerste toestellen. Nadat de omrusting volledig was uitgevoerd begaf III./JG 54 zich naar zijn operationele basis te Hesepe en Achmer bij de Nederlandse grens. Het was ook op deze vliegvelden dat Kommando Nowotny, de eerste eenheid die met de revolutionaire straaljager Me 262 was uitgerust, was gestationeerd. Deze nieuwe jager van Messerschmitt was het uiterst verwondbaar tijdens het opstijgen, en nog meer tijdens de landingsfase. Het was om die reden dat III./JG 54 op deze beide vliegvelden was gestationeerd, om de straaljagers tijdens deze manoeuvres dekking te geven. Op 8 november 1944 verloor Kommando Nowotny drie van zijn piloten, waaronder ook de Kommandoführer Major Walter Nowotny (drager van het Ritterkreuz mit Eichenlaub, Schwerter und Diamanten en met 258 luchtoverwinningen op zijn naam). De toestellen van deze drie piloten waren neergehaald in de buurt van Bramsche door P-51 Mustangs. De dood van de bevelhebber van Kdo. Nowotny, de eenheid die de kern van de eerste straaljagereenheid – Jagdgeschwader 7 – vormde, leidde er toe dat eenheid uit de operaties werd teruggetrokken.
D-9 met een 300 l afwerpbare brandstoftank
Een D-9 met een 300 l afwerpbare brandstoftank onder de romp.
De afwezigheid van kentekens en de standaardcmouflage met balkenkruis
wijzen erop dat dit toestel bezig was met zijn
fabriekstesten, alvorens aan de Luftwaffe te worden overgedragen. (Foto: H.J.Nowarra)
          De volgende Jagdgruppe die met de Dora-9 werd uitgerust was II./JG 26 "Schlageter", die onder bevel van Major Karl Boris stond. Deze eenheid had haar basis op Handrup bij Fürstenau, in de omgeving van Osnabrück. Om een indruk te krijgen over de operaties van de Luftwaffe volgt een uittreksel uit het oorlogsdagboek van I./JG 26 vanaf zijn omrusting op de D-9 in oktober 1944 tot aan het einde van dit jaar.

          Op 10 december 1944 hadden de vier Staffeln van III./JG 54 (9., 10., 11. en 12.) niet minder dan, 69 Fw 190 D-9's ter beschikking. Het aantal operationele toestellen varieerde echter naar gelang 'het geluk' van de Gruppe. Op Kerstdag 1944 verplaatste III./JG 54 zich van Varrelbusch naar vliegvelden tussen Achmer en Oldenburg en kwam onder bevel te staan van Oberst Josef 'Pipps' Priller's JG 26. Vier dagen later onderging de Gruppe haar zwaarste verlies toen zijn Kommandeur, Hauptmann 'Bazi' Weiss, en vijf ander Jagdflieger werden neergeschoten en gedood bij gevechten met een grote formatie van RAF-Spitfires. Het is interessant om ook de verliezen van andere eenheden tijdens deze periode te bekijken:
JG 26 met FW 190 A-8's en D-9's verloor 18 piloten tussen 18 en 26 december 1944,
JG 27 met Me 109 G-6's, G-10's en G-14's verloor 54 piloten tussen 17 en 29 december 1944,
III./JG 3 met Me 109 G-14's verloor 17 piloten tussen 17 en 29 december 1944 en
IV./JG 54 met Fw 190 A-8's verloor 23 piloten tijdens deze periode.
          Weiss werd tijdelijk als Gruppenkommandeur van III./JG 54 vervangen door Oblt. Hans Dortemann. Op 25 februari 1945 werd de naam van de eenheid veranderd in IV./JG 26 en onder het commando van Major Hans Klemm geplaatst. De Gruppe bestond toen uit drie Staffeln: 13./JG 26 onder bevel van Lt. Crump met acht piloten, 14./JG 26 onder commando van Oblt. Dortemann met 11 piloten en 15./JG 26 onder bevel van Oblt. Heilmann met negen piloten. JG 26 bestond nu uit vier Gruppen die allen, met uitzondering van III./JG 26 dat met een aantal Me 109 G-14's en K-14's was uitgerust, op de D-9 vlogen. Jagdgeschwader 2 "Richthofen" was eveneens met de D-9 uitgerust en JG 301, één van de speciale eenheden van de Reichsverteidigung begon met het overstappen op de D-9 .
Bodenplatte
De bases en doelen van de verschillende eenheden die op 1 januari 1945
deelnamen aan 'Operation Bodenplatte', de massale Duitse aanvallen
tegen de vliegvelden van de geallieerden in België, Nederland en Luxemburg
            Al deze eenheden namen deel aan 'Operation Hermann', de massa-aanval die uitgevoerd werd door bijna alle overblijvende jachtvliegtuigen van de Luftwaffe op de geallieerde vliegvelden in België, Nederland en Luxemburg. Dit was de laatste grote inzet van de met conventionele jagers uitgerust eenheden van de Luftwaffe.
            Door de geallieerde bombardementen op de Duitse raffinaderijen waren de brandstofvoorraden zo snel geslonken dat de prioriteit nu volledig bij de met straaljagers uitgeruste eenheden werd gelegd. Er werd een kleine brandstofvoorraad achter de hand gehouden voor de conventionele jagers, maar deze was van weinig nut. In april 1945 werd JG 6 "Horst Wessel", onder bevel van Major Gerhard Barkhorn, met basis te Sorau/Schlesien uitgerust met niet minder dan 150 fabrieksnieuwe Fw 190 D-9's vanuit de nabijgelegen fabriek. Maar door gebrek aan brandstof kon JG 6 enkel met vier toestellen plaatselijke patrouilles vliegen.

gotop   De Fw 190 wordt Ta 152

In 1944 besloot het Reichsluftfahrtministerium om in alle nieuwe vliegtuigbenamingen de naam van de ontwerper te vermelden. Uiteindelijk waren er slechts twee ontwerpers, Dipl.Ing. Kalkert van de Gothaer Waggonfabrik A.G. en Dipl. Ing. Kurt Tank van Focke Wulf Flugzeugbau, die deze eer te beurt viel. Op die manier kregen dus de nieuwe varianten van de Fw 190-series de benaming Ta 152 en Ta 153. Deze laatste was een zeer geavanceerd project voor een jager voor grote hoogtes met een speciale vleugel, een DB 603 motor en een vierblad propeller. Er werden verschillende Versuchsmachinen gebouwd waaronder de Fw V32/U1 (W.Nr. 0057) en V33/U1 (W.Nr 0058), maar deze ontwerpen werden afgewezen toen men vaststelde dat wanneer deze toestellen klaar zouden zijn om in productie te gaan ook de geavanceerde straaljager Ta 183 klaar zou zijn om de productiebanden te verlaten.
          De Ta 152 was een veel minder gemodificeerde versie van de Fw 190 D en kon met weinig of geen onderbreking van het productieproces worden geproduceerd. De Ta 152 A-1 was over het algemeen gelijk aan de Fw 190 D-9 maar zou uitgerust worden met vier 20 mm MG 151/20 kanonnen en een FuG 24 in plaats van de FuG 16 zy. De Ta 152 A-2 was gelijk aan zijn voorganger en beiden bleven in hun ontwerpstadium steken. De Ta 152 B-serie was gelijk aan de A-serie maar bewapend met een op het motorblok gemonteerd 30 mm MK 108 kanon en een GM-1 aanjager voor de motor. Er werden vijf varianten van voorgesteld waarbij de B-1 en B-2 in hun ontwerpstadium bleven steken. De Ta 152 B-3 was een grondondersteuningstoestel, de B-4 was een zware jager, waarvan er twee versies werden gebouwd: de Ta 152 B-4/R1 en Ta 152 B-4/R2. De Ta 152 B-5, waarvoor de gemodificeerde Fw 190 V53 en V68 (W.Nr. 170003) als prototypes dienst deden, had een Jumo 213 E motor en een bewapening die uit drie 30 mm MK 108 kanonnen bestond. Van de B-5 bestond er ook een alle-weer-versie, de Ta 152 B-5/R11 waarvan de Ta 152 V19 (W.Nr. 110019), V20 (W.Nr. 110020) en V21 (W.Nr. 110021) de directe voorgangers waren.
Fw 190 V-30/U1
Fw 190 V-30/U1, W.Nr.0055, GH + KT, deed dienst als prototype
voor de Ta 152 H-0. Het toestel stortte neer op
13 augustus 1944 te Langenhagen.
(Foto: IWM)
          De tweede grote productieversie (de Ta 152 H was de eerste) was de Ta 152 C. Het 22ste prototype van de Fw 190 was gemodificeerd onder de benaming Fw 190 V21/U1 en gold als prototype voor de Ta 152 C-0. Dit toestel verschilde voornamelijk van zijn voorgangers door zijn 1.800 pk Daimler-Benz DB 603 E motor die in een langere romp moest worden ondergebracht en met behulp van de GM-1 installatie 721 km/u bereikte. Andere prototypes voor de Ta 152C waren Ta 152 V6 (W.Nr. 110006), Ta 152 V7 (W.Nr. 110007) als alle-weer-jager en Ta 152 V8 (W.Nr. 110008) met een EZ 42 vizier en de Ta 152 V15 die nooit werd afgewerkt. De ombouwpakketten voor de Ta 152 C-1 bestonden uit de /R11 als slecht-weer-jager, de /R14 met ETC 504 bommenrekken en de /R31 met verhoogde GM-1 prestaties. De Ta 152 C-2 had een andere radiouitrusting en de Ta 152 C-3 werd gekenmerkt door een MK 103 kanon in de plaats van het op de motor gemonteerde MK 108. De overeenkomstige prototypes waren Ta 152 V 16 (W.Nr. 110016), V17 (W.Nr.110017), V27 (W.Nr. 110027), V28 (W.Nr. 110031). De Ta 152 C-4 moest uitgerust worden met 210 WGr. 21 raketlanceerbuizen. De Ta 152 V22, V23 en V24 waren besteld als prototypes maat nooit afgewerkt.
          De Ta 152 E was een speciale versie, als fotoverkenner, van de Ta 152 C die werd aangedreven door een Jumo 213 E motor. De Ta 152 E-1 droeg een verticaal opgestelde Rb 20/30, 50/30 of 75/30 camera, De Ta 152 V9 (W.Nr. 110009) en V14 (W.Nr. 110014) deden dienst als prototypes. Ta 152 E-2 was een speciale versie van de E-1 voor grote hoogtes die was uitgerust met de vleugels van de H-serie. Er werd slechts één prototype, Ta 152 V26 (W.Nr. 110021) afgewerkt.
Ta 152 V-20, W.Nr.110020
Neus van de Ta 152 V-20, W.Nr.110020, één van de drie prototypes
voor de Ta 152 B-5/R11, alle-weer-jager. (Foto: H.J.Nowarra)
          Alhoewel de voorheen beschreven varianten vroegere benamingen kregen toegewezen was de eerste productieversie van de Ta 152 de H-serie. Dit was een hoogtejager die aangedreven werd door de Jumo 213 van de Fw 190 D-serie. Deze serie werd in feite onmiddellijk gevolgd door de G-serie en dan pas door de E-serie. Het eerste prototype voor de Ta 152 H-0 was de Fw 190 V18/U2 (W.Nr. 110040). De vleugel van de H-serie had een spanwijdte van 14,50 m en bezat verschillende laterale versterkingen die de vleugel sterker moesten maken. Bij één van de eerste testvluchten op 8 oktober 1944 stortte V18/U2 neer, Dit prototype werd spoedig opgevolgd door de Fw 190 V20 (W.Nr. 110042) die wel met de Jumo 213 A en standaardbewapening was uitgerust maar de standaardvleugel van de Fw 190 D kreeg aangemeten. Het eerste prototype voor de Ta 152 H dat met de volledige uitrusting was voorzien was V29/U1 (W.Nr. 110054 GH + KS) en bezat de vleugels met grote spanwijdte en drukcabine. De bewapening bestond uit een op de motor gemonteerde 30 mm MK 108 en twee in de vleugels gemonteerde 20 mm MG 151/20. De Fw 190 V30/U1 (W.Nr.110055 GH + KT) was eender maar ontdaan van alle bewapening. Het laatste H-0 prototype was Fw 190 V32/U1 (W.Nr; 110057) die door een Jumo 213 F werd aangedreven. Dit toestel werd later omgebouwd tot de Fw 190 V32/U2 met een Jumo 213 E motor en een MK 213 (een speciaal 20 mm snelvuurkanon).
          Alhoewel de Ta 152 H-0 een nummering voor een preproductiegroep droeg was hij in feite een productiemachine. In de lente van 1945 werd er een klein aantal Ta 152 H-0's aan de Geschwader Stab van JG 301 geleverd die al uitgerust was met de Fw 190 D-9 en zoals voorheen III./JG 54 belast was met het leveren van luchtdekking voor de Me 262 bases. Om een idee te krijgen over de verbazingwekkende verbeterde prestaties van de Ta 152 tegenover de vorige jachtvliegtuigen van de Luftwaffe: op het eind van 1944 vloog Kurt Tank, zelf geen onverdienstelijk piloot, met een Ta 152 tussen Langenhagen en Cottbus toe hij door een sectie P-51D's werd 'in ontvangst genomen'. Tank schakelde onmiddellijk de MW-50 injectie in en zijn machine schoot letterlijk van de Amerikaanse jagers weg. Zijn belagers hadden het nazien.
          Ook voor de Ta 152 H-serie stonden er verschillende Rüstsätze ter beschikking. Deze waren /R11 alle-weer-versie, /R21 zoals /R11 maar zonder GM-1 aanjager en R31 met GM-1 maar zonder MW-50. De eerste feitelijke productievariant was de Ta 152 H-1 die enkel van de H-0 verschilde door zijn grote brandstofvoorraad. Het enige prototype was de Ta 152 V26 (W.Nr. 110026). Er was ook een V25 gebouwd geworden maar die was terug ontmanteld geworden. De voorziene H-2 had in plaats van de FuG 16 zy een FuG 15. De Ta 152 H-10 was een verkennersversie met Rb 20/30, Rb 50/30 of Rb 75/30 camera.
          De laatste varianten van de Ta 152 bestonden uit een voorziene R-versie met extra brandstofvoorraad en de S-1 tandem tweezitter als omscholingsvliegtuig die in veel opzichten gelijk was aan de Fw 190 A-8. Andere projecten bestonden uit de installatie van de 2.200 pk Jumo 222 A/B of de 3.000 pk Jumo 222 E/F motor. De Ta 152 C werd daarnaast nog gemodificeerd om een Gotha P.57 zweefbom te kunnen slepen. Dit systeem bestond uit een eenvoudig karretje met korte vleugels dat in zweefvlucht achter de jager kon meegesleept worden.
          Na de oorlog werden er verschillende 'langneus' Focke-Wulfs buitgemaakt en in de USA getest door de Foreign Evaluation Unit op Freeman Field. Tot deze toestellen behoorden o.a. Ta 152 H-0 (FE-112) en twee Fw 190 D-9's (FE-118 en FE-121). Ook de RAF testte een Ta 152 H-1 (W.Nr. 150166), dit toestel had het Air Ministry nummer AM 11 gekregen.

gotop   Specificaties

Specificaties Fw 190 D-9
Afmetingen: Spanwijdte: 10,13 m
Lengte: 10,19 m
Hoogte: 3,36 m
Vleugeloppervlakte: 18.03 m²
Motor:Junkers Jumo 213 A-1 12 cilinder, omgekeerde V vloeistofgekoelde motor-in-lijn,
berekend op 1.776 startpk en 1.200 pk in volle vlucht.
Kon door bijkomende MW-50 injectie kracht opvoeren tot 2.240 pk
Bewapening:Twee 20 mm MG 151/20 kanonnen met 250 granaten per wapen, gemonteerd in de vleugelwortels
en twee 13 mm MG 131 machinegeweren op het motorblok gemonteerd met elk 475 patronen per wapen.
Gewicht:Leeg 3.500 kg
Gevechtsklaar 4.310 kg
Prestaties:Maximale snelheid (met MW-50) 574 km/u op zeeniveau,
638 km/u op 3.300 m,
658 km/u op 6.580 m en
638 km/u op 9.975 m
Klimtijd naar 2.000 m 2.1 min,
4.000 m in 4.5 min
6.000 m in 7.1 min en
10.000 m in 16.8 min
Bereik 850 km

 

Specificaties Ta 152 C-3
Afmetingen: Spanwijdte: 10,98 m
Lengte: 10,80 m
Hoogte: 3,96 m
Vleugeloppervlakte: 20,07 m²
Motor:Daimler-Benz DB 603 L 12 cilinder omgekeerde V vloeistofgekoelde motor-in-lijn berekend op 2.100 startpk
Bewapening:Een 30 mm MK, vurend door de propelleraas en vier 20 mm MG 151/20
Gewicht:Leeg 4.120 kg
Gevechtsklaar : 5.010 kg
Maximaal 5.510 kg
Prestaties:Maximale snelheid 545 km/u op zeeniveau,
563 km/u met MW-50 injectie,
706 km/u op 11.250 m
Hoogteplafond 12.660 m

 

Specificaties Ta 152 H-1
Afmetingen:Spanwijdte: 14,49 m
Lengte: 10,80 m
Hoogte: 3,96 m
Vleugeloppervlakte: 23,5 m²
Motor:Junkers Jumo 213 E/F omgekeerde V vloeistofgekoelde motor-in-lijn berekend op 1.880 pk op zeeniveau en
2.250 pk met MW-50 injectie
Bewapening:Een 30 mm MK 108, vurend door de propelleras en
twee 20 mm MG 151/20 in de vleugelwortels
Gewicht:Leeg 4.760 kg
Gevechtsklaar 5.230 kg
Prestaties:Maximale snelheid: 693 km/u op 10.840 m
748 km/u op 9.120 m met MW-50 injectie en
759 km/u op 12.465 m met GM-1 en MW-50
Hoogteplafond: 14.750 m

Bron: Aircraft Profile nr. 94 Focke-Wulf Fw 190D/Ta 152
Bronnen (foto's): Hans Redemann, Hans Obert, Hans Rossbach, USAF, Gene Stafford, Imperial War Museum, Smithsonian, Bundesarchiv Koblenz, Creek, Nowarra, Aders, Petrick, Verrycken, Krüger.

Alle foto's © Imperial War Museum konden gepubliceerd worden na contact met Mr. Geoff O'Connor -- GOconnor@iwm.org.uk-- en dank zij de vriendelijke toelating van Mr.Ian Carter --ICarter@iwm.org.uk-- van het I.W.M.

Top
TOP

Focke-Wulf Fw 190 A

Focke-Wulf Fw Jabo

Focke-Wulf Fw 190 Fotoverkenner

Focke-Wulf Fw 190 Rüstsatz 1

Focke-Wulf Fw 190 D/Ta 152 1

Go to Luftwaffe  ---- Update okt 2006 Go to RAF  ----  Update 13 jan 2003 Go to USAAF ---  Update apr 2002


Best Aviation Sites
Best Aviation Sites
Best Aviation SitesBest Aviation SitesAwarded to quality aviation information websitesBest Aviation Sites
Best Aviation SitesBest Aviation Sites
Best Aviation Sites

Valid HTML 4.0 Transitional

Informatie

email

Gastenboek

http://www.luchtoorlog.be