Focke-Wulf
FW 190 A
|
| In uitzichtloze gevechten tegen de Russische kolos vlogen de toestellen van SG 2 de ene inzet na de andere en vielen steeds opnieuw de eindeloze kolonnes van de vijand aan die richting Duitsland oprukten. |
De Focke-Wulf Fw 190 was één van de doelmatigste, succesrijkste en willicht ook aërodynamisch geslaagde jachtvliegtuigen die tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd werden. Het toestel was ontworpen door Dipl.Ing. Kurt Tank, technisch directeur van de Focke-Wulf Flugzeugbau. Deze ontwerper, die reeds veel indrukwekkende projecten had naar voor gebracht, behaalde met de Fw 190 wel zijn grootste succes. Door een omvangrijke luchtgekoelde motor te combineren met een slanke romp ontwierp hij een mooi evenredig toestel die de hinderlijke "gezwollenheid " vermeed die kenmerkend was voor de meeste andere met stermotoren uitgeruste jagers van die tijd. Het verschijnen van de Fw aan het front kondigde voor de RAF het begin aan van een periode van zware verliezen en bracht de Britten in hoogste alarmtoestand. Deze snelle Duitse 'moordmachine', die in veel opzichten aan het Britse materiaal superieur was, dwong tijdens de eerste maanden van haar operationele carrière een verliesverhouding van 2:1 af, in het nadeel van de RAF.
In de herfst van 1937 gaf het Duitse Luftfahrtministerium aan Focke-Wulf Flugzeugbau de opdracht om een ontwerp voor een éénzitter jager voor te leggen, waarvan er nadien drie prototypes moesten gebouwd worden. Het nieuwe ontwerp moest dienen om het programma voor de bouw van de Messerschmitt Me 109 aan te vullen. Dit laatste toestel was achttien maand voordien bij de eenheden van de nog jonge Luftwaffe ingevoerd geworden. Van de twee ontwerpen die Tank naar voor bracht was er één voorzien om uitgerust te worden met de BMW 139 18 cilinder dubbele rij stermotor , het andere zou uitgerust worden met een DB 601, een motor-in-lijn. De algemene opinie in de luchtvaartkringen van die tijd stond ten gunste van de motoren-in-lijn, ondanks deze stroming werd aan het ontwerp met de stermotor de voorkeur gegeven en ook aangenomen. De niet onaanzienlijke navraag naar de motoren van Daimler-Benz had bij deze beslissing toch wel een rol gespeeld.
Midden 1938 namen de werkzaamheden aan het ontwerp, onder leiding van Oberingenieur R. Blaser, hun aanvang. Het eerste prototype, de Fw 190 V-1 D-OPZE, was klaar in de lente van 1939.
![]() |
| Het eerste prototype van de FW 190, de V-1, werd aangedrevenn door een BMW-139 motor en bezat een open propellerkap. Daar er echter maar een gering koelingseffect werd bereikt schakelde men bij de volgdende toestellen terug. over op een volle propellerdop. |
![]() |
| Reeds de met een BMW 801 C-1 motor aangedreven Fw 190 A-0 en alle navolgende modellen werden met een 12-blad ventilator uitgerust. De spiraal op de propellerkap was bekend onder de naam 'Spiralschnauze' en werd gewoonlijk in de betreffende Gruppenkleur aangebracht. |
De eerste gevechtseenheid die de Fw 190 in ontvangst mocht nemen was II./JG 26 " Schlageter ". Om het operationeel maken te kunnen versnellen werd er een Erprobungsstaffel 190 onder het commando van Otto Behrens opgesteld. Deze E-Staffel had zijn basis te Rechlin-Roggenthin en bestond uit personeel van II./JG 26 en testpiloten van Focke-Wulf.
In juni 1941 begon de inval in Rusland. Ook in het Middellandse Zeegebied, met inbegrip van de verovering van Kreta, vonden er intensieve activiteiten door de Luftwaffe plaats. De enige jachteenheden die in Frankrijk achterbleven waren het Jagdgeschwader JG 26 "Schlageter" van Adolf Galland en JG 2 "Richthofen". Tegen het eind van de maand mei werd JG 2 overgeplaatst naar Brest - Cherbourg en JG 26 begaf zich naar de omgeving van Abbeville - St.Omer, nabij de Belgische grens. Tegen eind juli - begin augustus 1941 ontving de 6./JG 26 de eerste Fw 190 A-1's. Deze eenheid was op dit moment gestationeerd te Moorsele in België. De toestellen werden met open armen ontvangen daar de Me 109 E-7's, waarmee de eenheid tot dan toe operationeel was, reeds zware verliezen hadden moeten incasseren door acties van de Spitfire V van de RAF. Vanaf begin september werd de volledige II./JG 26 met de Fw 190 A uitgerust, onmiddellijk gevolgd door III./JG 26 dat zijn Me 109 F's voor de nieuwe vogels omruilde.
Het testprogramma van de Fw 190 werd vanaf 1 augustus 1941 naar Le Bourget, in Frankrijk, verplaatst waar de zogenaamde 'fronttesten' konden worden uitgevoerd. Deze testen veranderden spoedig in een echte catastrofe. De motoren liepen voortdurend vast door oververhitting en moesten er reeds bij het warmlopen geplande testvluchten afgebroken worden. Gelukkig kon het RLM ervan overtuigd worden om besprekingen te voeren met BMW en Focke-Wulf. Het resultaat van het gesprek waren ongeveer 50 modificaties die moesten uitgevoerd worden voordat de Luftwaffe de vliegtuigen terug zou aannemen.
In de loop van september vond de eerste ontmoeting met de RAF plaats toen vier Fw 190 A-1's van 6./JG 26 een grotere formatie Spitfire V's boven Duinkerken aanvielen.
![]() |
| Een piloot van II./JG 26 zit te wachten op het vertreksein voor een patrouillevlucht langs de Franse kust. Pas in de herfst van 1942 konden de superieure prestaties van de Focke-Wulf bij de RAF geëvenaard worden, met het verschijnen van de Spitfire Mk IX. |
Eind oktober 1941 waren de eerste 100 exemplaren van de A-1 afgewerkt en de productie van deze variant werd ten gunste van de A-2 stopgezet. Deze laatste liep ondertussen in Warnemünde en Oscherleben reeds van de montageband. De A-2 werd aangedreven door een verbeterde BMW 801 C-2 motor. De MG 17's in de vleugelwortels waren door een paar gesynchroniseerde 20 mm Mauser kanonnen MG 151 met elk 200 patronen vervangen geworden. De inbouw van deze wapens maakte het noodzakelijk dat er gewelfde afdekplaten over het sluitstuk in de vleugelwortel moesten gemonteerd worden. De nieuwe motor bracht nauwelijks prestatieverbeteringen maar hij beschikte wel over een bijkomende versnellingsinstelling – die ongeveer 1 minuut lang kon ingeschakeld worden – waardoor de snelheid op 7.000 m hoogte tot ongeveer 600 km/u kon opgedreven worden. In de loop van november werd II./JG 26 met de A-2 uitgerust terwijl zijn A-1's aan de Geschwaderstab werden overgedragen. Kort daarop ontving ook I./JG 26 de A-2, en reeds in het begin van 1942 was het volledige Geschwader op de A-2 omgeschakeld.
![]() |
| Terwijl zijn collega toekijkt laat een mekanieker na een reparatie de motor van de 'Rote Eins', W.Nr. 033, warmdraaien. Kanaalkust, Frankrijk begin 1942. |
![]() |
| Na het versterken van de sluitingen en het aanbrengen van koelkieuwen in de motorkap waren er bij de A-3 geen uiterlijke veranderingen te herkennen. De motorkap die uit verschillende delen bestond maakte het werken aan de motor, en daardoor het onderhoud, aanzienlijk gemakkelijker. |
Toen de A-3 in voldoende aantallen beschikbaar was werden de laatste, overblijvende A-1's aan de Jagfliegerschulen afgegeven. De eerste toestellen van deze nieuwe variant gingen terug naar JG 26. Ook JG 2 werd met de A-2 en A-3 opnieuw uitgerust. Een gebrek aan toestellen dwong echter III./JG 26 terug te keren naar de Me 109 F. Er werden 100 exemplaren van deze A-3 aan de Turkse Luchtmacht overgedragen die een vroege woestijncamouflage – bruine ondergrond met groene vlekken – van de Luftwaffe droegen. De Turkse piloten gaven de voorkeur aan de Fw 190 boven de Spitfire VB. In totaal waren er meer dan 500 A-3 exemplaren gebouwd geworden toen de productie ervan tegen eind 1942 ten gunste van de A-4 werd stopgezet.
De eerste Fw 190 A die in Engelse handen viel was de Fw 190 A-3 WNr. 313 van Oberleutnant Arnim Faber. Faber was adjudant van III./JG 2. Tegen de avond van 23 juni 1942 maakte hij met zijn vliegtuig een landing op het RAF-vliegveld van Pembrey. Hij was op de terugweg van een aanval tegen het vliegveld van Marlax en had samen met de andere toestellen van zijn eenheid – 7/JG 2 – reeds gevechten geleverd met Spitfires van de basis Exeter die bemand waren door Poolse piloten. Alhoewel zijn toestel onbeschadigd was, landde hij toch op een Engels vliegveld. De juiste reden daarvoor kon niet opgehelderd worden, maar aangenomen wordt dat hij dacht reeds over het Kanaal te zijn en landde op een vliegveld ergens in Noord-Frankrijk.
daar vanaf 1941 de meeste bommenwerpers en jachtbommenwerpers in Rusland ingezet werden, bezat de Luftwaffe in het westen maar een gering aantal vliegtuigen die bombardementen konden uitvoeren.
Op 10 maart 1942 gaf Hugo Sperrle, commandant van de 3. Luftflotte, de opdracht om bij elk in Frankrijk gestationeerd Geschwader een Jabo-Staffel te vormen. Deze nieuwe Staffeln waren aanvankelijk uitgerust met de Me 109 F-4 en werden ingezet om pijlsnelle luchtaanvallen uit te voeren tegen Engeland.
Om de prestaties van de Fw 190 A-4 op lage hoogte te verbeteren werden de motoren voorzien van een MW 50 – Methanol-Water – injectiesysteem zodat de prestaties op hoogtes onder de 5.000 m konden opgedreven worden. De FuG 7a radio werd vervangen door de FuG 16z, waardoor het ook nodig was om een kleine opstekende 'vinger' op de staartvin te monteren. Om een bijkomende veelzijdigheid te bereiken werden bij de A-4 eveneens een aantal Umrüst-Bausätzen ingevoerd:
In de lente van 1942 werden de eerste exemplaren van de Fw 190 A-4/U1 aan de 10.(Jabo)/JG 26 afgeleverd, kort daarna werd ook 10.(Jabo)/JG 2 met dit type uitgerust. In de loop van 1942/43 bonden deze eenheden een groot aantal Britse jagers en Flak aan de Zuidengelse kust. 10./JG 2, met Caen-Capriquet als basis, voerde aanvallen uit tegen schepen in het Kanaal, terwijl 10./JG 26 aanvallen vloog op Dover, Worthing, Brighton en andere steden langsheen de Engelse zuidkust.
Op 20 juli 1942, de dag van de 'dure' bewapende verkenning van de Canadezen tegen Dieppe, leverden de beide Jabo-Staffeln een grote bijdrage in het vernietigen van de landingsschepen en -vaartuigen. Beide eenheden waren zowel boven de stad zelf als boven het landingsstrand uiterst actief aanwezig.
![]() |
| De eerste exemplaren van de Fw 190 A-4 jabo-versie gingen naar de 10 Staffel van het Fw 190 Jagdgeschwader 26. Deze U1 variant was met twee bommenrekken voor elk een 250 kg onder de vleugels uitgerust. SC 500 bommen werden onmiddelijk naast de wielpoten (aan de buitenzijde) bevestigd. Beide MG FF waren uitgebouwd. |
![]() |
| De Fw 190 A-5 werd door de verandering van de motorophanging 15 cm langer, de noodwendige uitvulling aan de vleugelwortel is hier duidelijk zichtbaar. |
Van alle oorlogsgebieden waarop de Fw's nodig waren vertegenwoordigde Noord-Afrika het meest dringende probleem. In het begin van de lente van 1943 voerden de terugtrekkende troepen van Rommel hopeloze achterhoedegevechten uit in Tunesië, de luchtverbindingen van de Luftwaffe over de Middellandse Zee waren door geallieerde jagers vernietigd geworden. Twee jachteenheden die in de woestijn actief waren, JG 27 en JG 53 'Pik As', waren door de grote verliezen in een rampzalige situatie gebracht, het nieuw gevormde JG 77 en II./JG 51 hadden eveneens zware verliezen moeten incasseren. Enkele onderdelen die met de Fw 190 A-4/Trop waren uitgerust, toestellen voorzien van speciale luchtfilters en uitgerust met bommen van 250 kg, behaalden een aantal successen met de Fliegerführer Tunis, maar ook hun strijd eindigde in mei 1943 met een nederlaag. 250.000 man van het Duitse Afrika Korps gaven zich over, de overblijvende Fw's namen deel aan de haastige evacuatie van Luftwaffe-personeel naar Sicilië – soms werd er drie man in een Fw 190 meegenomen.
De geallieerde invasie op Sicilië volgde op 10 juni en de Fw 190 A-4/U8, A-4/Trop en A-6/R2's (een serie uitgerust met een 750 kg bom) van II., III. en IV./SKG 10 kregen het zwaar te verduren bij de felle acties van Luftflotte 2 van Kesselring. Door de verlammende verliezen die de eenheden hadden gedecimeerd werden deze Gruppen naar Italië teruggetrokken.
De voortdurende gewichtstoename van het gevechtsklare toestel, te wijten aan de bijkomende uitrusting bij de verschillende varianten, begon een ernstig probleem te worden. In de loop van 1943 werd daarom de interne vleugelstructuur van de Fw 190 versterkt zodat de belastingsgrens verhoogd werd. De toestellen met deze modificatie gingen in productie als de A-6 en waren hoofdzakelijk voorzien om aan het Oostfront te worden ingezet. Ze konden met een aantal 'Rüstsätzen' – gekenmerkt door het prefix 'R' –, in plaats van de vroegere Umrüst-Bausätzen, uitgerust worden. Deze nieuwe variant bezat bovendien een versterkte pantsering en was bewapend met twee MG 17 machinegeweren in de romp en vier MG 151 machinekanonnen in de vleugels.
![]() |
| Er werden ongeveer 80 Fw 190 A-7 gebouwd, het merendeel als R2-Zerstörer met 30 mm MK 108 machinekanonnen. Daarnaast werden er ook enkele toestellen met elk twee 21 cm raketlanceerbuizen onder de vleugels uitgerust. Ze droegen de benaming Fw 190 A-7/R6. |
ZZoals reeds vermeld begon de 8th AF in 1942 met het uitvoeren van operaties tegen het door de Duitsers bezette gebied en hadden daarbij hun bases in Engeland. Deze onbeduidende bommenraids waren de voorlopers van de enorme formatie-aanvallen die later door B-17 en B-24 zouden worden uitgevoerd. Daardoor zouden volledige Duitse steden van de kaart worden geveegd en de Duitse industrie verlamd worden (althans gedeeltelijk toch). Bij het begin van deze aanvallen konden er alleen jagers van JG 1, JG 2 en JG 26 ingezet worden om de westelijke toegangswegen naar het Reich te verdedigen. Twee jaar later was het bewezen dat ook negen Jagdgeschwadern deze taak niet konden bolwerken.
De Fw 190's behoorden tot de uitrusting van vier HKL-eenheden van de Reichsverteidigung. De snelle toename van het aantal geallieerde escortejagers en hun onverwacht grote actieradius waren er de oorzaak van dat er voortdurend luchtgevechten plaats vonden boven Nederland, België, Frankrijk en Duitsland. Daarbij werd de Duitse jachtverdediging door de P-47 Thunderbolts en de P-51 Mustangs steeds verder in het defensief gedrukt. Om deze massa's vijandelijke jachtvliegtuigen op te vangen werden er voor de Jagdgeschwadern nieuwe tactieken en wapens ontwikkeld. Maar ondanks de versterkte weerstand van de Duitse jagers, die een zekere bewondering kregen voor de Amerikaanse bemanningen, konden ze niet veel uitrichten tegen de geallieerde overmacht.
Op het gebied van bewapening waren de Fw's een weinig superieur aan de Me 109 G's, maar de vliegprestaties van de Fw verminderden eens ze boven de 6.500 m opereerden, de hoogte waarop gewoonlijk de bommenwerperstromen gewoonlijk opereerden. Telkens wanneer de escortejagers zich boven de bommenwerperformaties bevonden maakten de Luftwaffe-jagers gebruik van om een combat-box, die gewoonlijk uit 18 bommenwerpers bestond, aan te vallen. De Amerikaanse bommenwerpers, die gewoonlijk 10-11 .50 machinegeweren als afweerbewapening aan boord hadden, vormden daardoor een hopeloze overmacht – daar er voor de jagerpiloot geen andere middelen bestonden viel hij met zijn vier 20 mm kanonnen 200 .50's aan !
In de lente van 1944 werden Fw 190 A-8/R8's met een bijkomende bewapening uitgerust en kregen een nieuwe rol toegewezen – de inzet als Sturmjäger. Een zekere Major von Kornatski had een voorstel gedaan om speciale zelfmoord-eenheden op te richten die zouden gevormd worden om geallieerde bommenwerpers te rammen, vooral om de leiderstoestellen van de bommenwerperformaties uit te schakelen. Als laatste middel moesten deze jagerpiloten de bommenwerpers rammen en dan trachten zich met hun valscherm te redden – een hachelijke reddingspoging bij een naderingssnelheid van minstens 700 km/u ! De piloten, die allen vrijwilligers waren, kwamen uit alle eenheden en organisaties en vormden tezamen de "Stürmstaffel 1". Kort daarop begonnen ook andere Geschwadern dergelijke Staffeln op te stellen. Deze werden later in een Heimatluftverteidigungs- "Jagdgeschwader z.b.V." samengebracht onder bevel van Major Walter Dahl.
Een volledig ander soort luchtgevecht waarbij de Fw 190 werd ingezet was het 'Verdun van de lucht', de luchtgevechten aan het Oostfront. Niettegenstaande het feit dat de Fw 190 in Rusland tegen minderwaardige vliegtuigen met minder capaciteiten vloog, kon hij voor de Luftwaffe geen blijvend luchtoverwicht veroveren. Dit falen was niet te wijten aan de technische tekortkomingen van de Duitse Luftwaffe in het algemeen, maar was enkel het gevolg van een deel van de onbekwaamheid van de Luftwaffe om het hoofd te bieden aan de speciale omstandigheden waarin de oorlog in Rusland zich afspeelde.
In de vroege uren van 22 juni 1941 begonnen de troepen van het Dritte Reich aan hun massieve aanval in het Oosten, aan een front dat zich uitstrekte vanaf de Noordkaap tot aan de Kaspische Zee. Ondanks het hoge aantal verouderde vliegtuigen waaruit de Russische Luchtmacht bestond, en het feit dat ze in de beginfase van de inval bijna allemaal aan de grond en in de lucht werden vernietigd, werd het eigenlijke doel, het vernietigen van de Rode Luchtmacht als een effectief onderdeel van de strategie, nooit bereikt.
De hoofdcentra van de Russische vliegtuigindustrie lagen in het achterland, ver buiten het bereik van de Luftwaffe. Deze maakten het mogelijk dat een stroom van vervangingen de gedecimeerde Russische eenheden bleef bereiken. De structuur van de Rode Luchtmacht plaatste de Luftwaffe met betrekking op de inzet in het nadeel. De Russen zetten hun luchtmachteenheden als een tactisch wapen van de Landmacht in die als 'luchtartillerie' aan een uitgestrekt front dienst deed. Daar deze eenheden steeds uitgerust waren als standaardformaties en in deze vorm ook opereerden hadden ze volgens de westerse strategen 'iets onafgewerkts' over zich. Maar de MiGs, LaGGs en Illyushins vormden allen tezamen een uitstekende strijdmacht.
Een mooi voorbeeld van de desorganisatie bij de Luftwaffe in Rusland was te vinden bij JG 54 "Grün Herz". Deze oudgediende eenheid die normaal opereerde als onderscheppingseenheid was in 1943 uitgerust met de Fw 190 F-8 grondaanvalsvliegtuig. Door de uitstekende prestaties die de Fw 190 als jabo leverde heerste er een voortdurende concurrentie tussen de jachteenheden en de eenheden die als jachtbommenwerpers opereerden. Ieder van hen probeerde de ontoereikende leveringen naar zich toe te halen.
![]() |
| Tijdens de winter van 1942/43 waren de Stab en II./JG 54 met de Fw 190 uitgerust en vlogen samen met de Me 109 G van de andere Gruppen van de eenheid in gemengde formaties in de sector Leningrad onder het bevel van Luftflotte 1. |
![]() |
| De vleugelbewapening van de F-serie bleef beperkt tot een 20 mm machinekanon in de vleugelwortel. |
Nadat er ongeveer 550 exemplaren van deze eerste Fw 190 F-serie waren gebouwd werd de productie ten gunste van de Fw 190 G afgebroken. Pas tegen het eind van 1944 werd de bouw van de F-serie terug opgestart, nu echter gebaseerd op de romp van de A-8. De Fw 190 F-8 was zoals de A-8 met een paar MG 131 machinegeweren onder de motorkap uitgerust en droeg een naar voren verplaatst bommenrek. Er werden 385 exemplaren van de F-8 gebouwd.
De Fw 190 F-9 bezat een BMW 801 TS motor die 2.000 pk (start en noodcapaciteit) leverde.
De Fw 190 G-serie baseerde zich op de Umrüst-Bausatz 13, die ook reeds bij een aantal A-4 en A-5 varianten was gebruikt. Deze UB 13 bestond uit een ETC 501 onder de romp en onder elke vleugel een speciale ophanging voor een afwerpbare brandstoftank van 300 l. De MG 17's in de romp en de MG FF waren verwijderd, zodat er als bewapening alleen de beide 20 mm machinekanonnen in de vleugelwortels overbleven. De Fw 190 G bestond in volgende varianten:
In het begin van1944 verkeerde de Luftwaffe aan alle fronten in een onzekere positie. De Russische stoomwals sleepte zich westwaarts over de rest van de eens triomferende Duitse Legers. De geallieerde bombardementen waren er de oorzaak van dat er aan alles een tekort was, voornamelijk aan brandstof en reserve-onderdelen. Velen van de veteranen van de Jagdgeschwadern waren gesneuveld in de aanvallen tegen de bombardementsvloten van Flying Fortresses en Liberators. De trainingseenheden waren bezig met het potentieel aan onervaren piloten uit te putten. Daarboven op kwam dan nog eens het onheilsspellend teken dat gezet werd door het groeiend aantal aan Luftwaffe-personeel dat naar diensten zoals de infanterie, artillerie of SS werd overgeplaatst.
Bang en vrezend voor zijn uitgeputte eenheden in Noord-Frankrijk gaf het Oberkommando der Luftwaffe bevel om de Gruppen van JG 26 te verspreiden, weg van de intensieve geallieerde bombardementen die in mei/juni 1944 werden uitgevoerd op de toekomstige invasiestranden van Normandië. Deze maatregel was er de oorzaak van dat er op de morgen van de invasie slechts twee toestellen beschikbaar waren om aanvallen uit te voeren tegen de geallieerde troepen op de landingstranden. I./JG 26 was naar Reims overgeplaatst, II./JG 26 bevond zich op Mont de Marsan in Gasconie en III./JG 26 verbleef in de omgeving van Metz. De aanval van de twee toestellen van JG 26 waren de enige activiteiten van de Luftwaffe die bij dageraad op 6 juni 1944, D-Day plaats vond.
![]() |
| Een rotte Fw 190 A-5 rolt na de inzet onder de beschermende bomen op hun vliegveld (let op de camouflagenetten tussen de boomstammen). Dergelijke camouflage- en beschermingsmaatregelen waar hoogst noodzakelijk geworden, nadat de geallieerden vanaf 1944 steeds in grotere aantallen in de lucht aanwezig waren. |
| Rüstsatz | Bestaande uit | Gebruikt bij |
|---|---|---|
| R1 | FuG 16z radioverbinding | A-4/R1, A-5/R1 |
| R1 | Een WB (Waffenbehalter) 151/20 met twee MK onder elke vleugel | A-6/R1, A-7/R1, A-8/R1 |
| R2 | en MK 108 30 mm onder elke vleugel | A-6/R2, A-7/R2, A-8/R2 |
| R3 | Een MK 103 30 mm onder elke vleugel | A-6/R3, A-8/R3 |
| R4 | GM 1 injectie | A6/R4, A-8/R4 |
| R5 | Een interne bijkomende romptank van 115 l | A-8/R5 |
| R6 | Een WG (Wurfgerät) 21 raketlanceerbuis onder elke vleugel | A-4/R6, A-5/R6, A-6/R6, A-7/R6 |
| R7 | Pantserglas voor cockpitdak | |
| R8 | Pantserglas en MK 108 in de vleugels | A-8/R8 |
| R11 | FuG 125, richtingscontrole PKS 12, verwarmde cockpitvensters voor inzet bij slecht weer | A-8/R11 |
| R12 | Radio FuG 125, richtingscontrole PKS 12, verwarmde vensters en MK 108 in elke vleugel | A-8/R12 |
| Afmetingen: | spanwijdte 10,32 m lengte 8,94 m hoogte 3,96 m vleugeloppervlakte 18,92 m² |
| Motor: | BMW 801 D-2 luchtgekoelde 14 cilinder dubbele rij stermotor met 1.700 startpk |
| Bewapening: | 2 x 13 mm MG 131 machinegeweren onder motorkap 2 x 30 mm MK 108 machinekanonnen in de vleugelwortels 2 x 30 mm MK 103 machinekanonnen in de vleugels |
| Gewicht: | leeg 3.180 kg, gevechtsklaar 4.285 kg, maximaal 4.900 kg |
| Capaciteiten: | maximale snelheid op 7.625 m 650 km/u in bodemnabijheid 568 km/u klimsnelheid 716 m/min actieradius 900 km (zonder afwerpbare brandstoftanks) hoogteplafond 11.400 m |
Bronnen: Profile Aircraft nr. 3 Fw 190A-series
Das Waffen-Arsenal / Squadron/Signal Band 24 Focke-Wulf Fw 190
Bronnen (foto's): Hans Redemann, Hans Obert, Hans Rossbach, USAF, Gene Stafford, Imperial War Museum, Smithsonian, Bundesarchiv Koblenz, Creek, Nowarra, Aders, Petrick, Verrycken, Krüger.
Alle foto's © Imperial War Museum konden gepubliceerd worden na contact met Mr. Geoff O'Connor -- GOconnor@iwm.org.uk-- en dank zij de vriendelijke toelating van Mr.Ian Carter --ICarter@iwm.org.uk-- van het I.W.M.