Oorspronkelijk was de Do 217 E-1 voorzien om als duikbommenwerper te opereren. In de staart was het toestel uitgerust met duikremmen. (Foto: Suddeutsches Verlag)
... een geïmproviseerde nachtjager voor een geïmproviseerde nachtverdediging...
80 en meer vliegtuigen – Gustav Cesar 5 – koers oost - hoogte 6.000 m. Met dit bericht van een Wasserman-radarpost, een radar voor vroege waarschuwing die in de omgeving van Oostende stond opgesteld, kort voor 23.00 Hr doorgegeven in de nacht van 24 juli 1943 aan het Hoofdkwartier van de 3. Jagddivision te Arnhem-Deelan en aan de ondergrondse operatiezaal van de 2. Fliegerdivision te Stade aan de beneden-Elbe, ontving de Luftwaffe haar eerste melding over de nadering van een tot dan toe nog niet meegemaakte massa bommenwerpers die deelnamen aan Operation Gomorrah. Deze aanval zou een groter traumatisch effect op de Duitse nachtjacht veroorzaken dan eender welke voorheen uitgevoerde nachtelijke RAF-aanval.
Toen de nachtjagers van NJG 2 werden klaargemaakt op hun vliegvelden van Stade, Vechta, Wittmundshaven, Wunstorf, Lüneburg en Kastrup en de eerste piloten aan de bevroren getraliede vensters van de operatiezaal te Stade verschenen en de officieren van de bodemcontrole speculeerden over de mogelijke doelen van deze aanvalsstrijdmacht, werd het duidelijk dat de "80 en meer" vliegtuigen die aanvankelijk waren waargenomen op positie GC5 – en waarvan de hoogte waarschijnlijk door storingen op het radarscherm overdreven werd – slechts de voorhoede was van een enorme vloot bommenwerpers. In feite bestond hun slagorde uit bijna 800 RAF-bommenwerpers – 245 Halifaxes, 347 Lancasters, 125 Stirlings en 73 Wellingtons – die verspreid over een oppervlakte van 32 km breedte en 320 km lengte vlogen en zich boven de Noordzee gegroepeerd hadden om de eerste fase van Operation Gomorrah in te zetten.
De Duitse bodemstations volgden met grote aandacht het vorderen van de vijandelijke strijdmacht. De piloten van de nachtjagers hadden in hun toestellen plaats genomen en waren klaar om hun posities in de Himmelbett gebieden in te nemen. Deze spreiden zich uit over de volledige naderingsroute van de RAF-bommenwerpers. Nadat ze waren opgestegen namen de nachtjagers hun posities in de hun toegewezen gebieden en wachtten de komende instructies af. De bommenwerpers hielden koers naar het noorden van de trechtermonding van de Elbe. De spanning steeg. Om 00.15 Hr draaide het leidtoestel op zuidwest in de Helgoland-Bocht en 10 minuten later begonnen de Würzburg radarschermen gek te draaien door de verwarrende grote groep echo's die ze opvingen. Zoeklichten schoten heen en weer in de duisternis, blindelings gegroepeerd. De Flak-batterijen openden eveneens lukraak hun vuur in de hoop een toevalstreffer te plaatsen. Ondertussen wachtten de nachtjachtpiloten tevergeefs op instructies van hun bodemstations. De bodemstations waren volledig afhankelijk van de gegevens die ze van de Würzburg-Riesen binnenkregen, deze gegevens waren ook noodzakelijk voor de vuurgegevens van de Flak-batterijen en de zoeklichten. Binnen enkele minuten was de zo veel geroemde Kammhuberlinie – het nachtverdedigingssysteem dat in de voorbije drie jaar met zoveel moeite was opgebouwd – uiteengevallen.
De bommenschade in Hamburg, resultaat van de RAF-bombardementen. Op 19 okt 1943 werd er tijdens één enkele aanval 6,5 km² van de stad vernietigd.
De eerste fase van Gomorrah – het uitschakelen van één van de meest vitale Duitse industriële objecten door aanhoudende zware bombardementen, met name Hamburg – was vanuit het gezichtspunt van de RAF een overgroot succes. Voor het Duitse nachtjachtsysteem scheen het een ware ramp te worden. Deze oude Hansestad was zwaar verdedigd – zoals de overlevenden van de 98 voorgaande bombardementen hadden bevestigd – door 20 door bodemstations geleidde groepen van onderscheppingsjagers die over een half dozijn verspreid gelegen vliegvelden waren verdeeld en door 54 zware en 26 lichte luchtdoelbatterijen. Van de 746 bommenwerpers die aan de aanval die op 25 juli 1943 om 01.02 Hr begon, deelnamen – 44 waren er onderweg door verschillende oorzaken moeten omkeren naar hun basis – waren er slechts 12 verloren gegaan. Dit kwam overeen met 1,5 %. De eerste oorzaak van dit ongewoon laag verliespercentage was te wijten aan het gebruik van een smal strookje aluminiumfolie – bekend onder de codenaam Window. Dit werd voor de eerste maal gebruikt en werd in enorme hoeveelheden op bepaalde tijdstippen door de bommenwerpers afgeworpen. Deze aluminiumfolie reflecteerde op de zoekimpulsen van de Würzburg en op de radarschermen van de Lichtenstein in de vliegtuigen en veroorzaakte daarbij duizenden echo's. Vanaf 00.25 Hr hadden de bommenwerpers voor de duur van de aanval 40 ton van deze aluminiumfolie – of 92.000.000 reepjes – afgeworpen. Deze werden in bundels afgeworpen die vanzelf open gingen en dan heel langzaam neerdwarrelden. Daarbij veroorzaakten ze zo een enorme reflectie, die het uitzicht had van een "rookgordijn van echo's" op de radarschermen, zodat het voor deze onmogelijk werd om de bommenwerpers te lokaliseren. Daar de radar ook werd gebruikt voor het leiden van de luchtdoelbatterijen en de zoeklichten verloren ook deze volledig het overzicht. De nachtjagers konden enkel opereren tegen toevallig in hun vizier verschijnende toestellen.
De Nachtjagdflieger vertoonden echter een bemerkenswaardig recuperatievermogen. Inderdaad, het scheen dat de Window die de nachtjagers blind maakte, er voor zorgde dat er in de Duitse nachtjachtverdediging een verbetering optrad daar de Luftwaffe verplicht werd om haar stijf systeem met bodemstations voor het onderscheppen van de bommenwerpers moest vervangen. Men had ondervonden dat de Kammhuberlinie geen voldoening meer schonk en er werd een nieuwe onderscheppingstaktiek ingevoerd die de naam "Wilde Sau" kreeg. Deze taktiek zou worden gebruikt totdat er een verbeterde onderscheppingsradar werd gevonden die geen hinder meer van Window zou ondervinden. Bij dit nieuw en zeer beweeglijk systeem werden de nachtjagers boven het doelgebied van de bommenwerpers geconcentreerd. Daar heersten er bijna toestanden die met daglicht te vergelijken waren door de doelmarkeerders, zoeklichten en brandhaarden aan de grond. De opgestegen jagers kregen een doorlopende commentaar over de radio waarmee ze op de hoogte werden gehouden over taktische en veranderende situaties. De bodemstations leidden de jagers totdat deze visueel contact maakten met hun prooi.
Door het gebruik van deze taktiek waren de nachtjagers in staat om zich vrij tussen de bommenwerperformaties te bewegen en een geschikt doel uit te zoeken. Vanaf dit ogenblik speelde het ook geen grote rol meer waar zich de basis van de nachtjagers bevond. Het gebeurde dat Nachtjagdstaffeln die hun basis in Denemarken hadden een bommenwerperstroom boven Stuttgart onderschepten en na hun aanval gewoon landden op een vliegveld in de omgeving. Er werd een grote vaardigheid ontwikkeld in het tezamen brengen van een zo groot mogelijk aantal vliegtuigen die dan in hun volledige sterkte tegen de bommenwerpers werden ingezet. Maar de Wilde Sau-taktiek had ook een nadeel; hij vereiste een blijvende inzet van de deelnemende jagers waarbij de beweeglijkheid een beslissende rol speelde die niet mocht verloren gaan. De standaardnachtjager van de Luftwaffe, de Bf 110, was in die context echter slecht gesitueerd voor de toepassing van de Wilde Sau-taktiek. Zijn tekortkomingen waren reeds duidelijk te voorschijn gekomen bij het Himmelbettsysteem. Daarom werd er voor dit geïmproviseerde nachtjacht-verdedigingssysteem in allerijl een geïmproviseerde nachtjager naar voor geschoven : de Do 217.
Van tijd tot tijd toonde het Oberkommando der Luftwaffe een duidelijke afkeer tegenover het minder aangename en geen beter voorbeeld van dit gedrag was de houding tegenover de nachtelijke luchtverdediging van Duitsland in de periode die onmiddellijk aan de oorlog voorafging en tijdens de eerste jaren van het conflict zelf. Die tegenzin om de mogelijkheid in te zien dat de Luftwaffe wel eens een aanzienlijke nachtjacht-strijdmacht kon nodig hebben was zelfs bij de Oberbefehlshaber, Hermann Göring zelf, ingeworteld. Zo een mogelijkheid ook maar enige ernstige aandacht te schenken was "defensief denken" en de Luftwaffe werd aanzien als een zuiver offensieve strijdmacht.
Het zelfvertrouwen van de Luftwaffe kreeg een ernstige deuk in de nacht van 15-16 mei 1940 toen er een formatie van 99 Wellingtons, Whitleys en Hampdens in het Ruhrgebied spoorwegen en industriële doelen aanvielen terwijl een grondnevel de zoeklichten belemmerden en daardoor ook de FlaK onbruikbaar werd. Göring zelf gaf daarop aan Oberst Josepf Kammhuber het bevel om een nachtjacht-strijdmacht op te richten. Deze mocht echter niet alleen als een defensieve strijdmacht aanzien worden. Twee Staffeln van I./ZG 1, die uitgerust waren met Bf 110 C's werden naar Düsseldorf overgeplaatst om daar een opleiding in nachtjachttechniek te volgen. Deze twee Staffeln werden op 20 juli 1940 omgedoopt in I./NJG 1 en vervolgens naar Venlo in Nederland overgeplaatst. Een II./NJG 1 werd vanaf het begin als een lange-afstand eenheid voor nachtelijke operaties aanzien die moest opereren boven de RAF-bases van Bomber Command in Oost-Engeland. Daar de Bf 110 C een duidelijk gebrek aan vliegduur bezat om deze operaties te kunnen uitvoeren en tevens te weinig snelheid bezat om na de aanval op de terugweg aan de jagers te kunnen ontsnappen werd er aan Dornier de opdracht gegeven om de mogelijkheden te onderzoeken die de Do 17 Z-3 middelzware verkenner-bommenwerper bood in een rol als nachtelijke indringer.
Do 17 Z-2 van III./KG 3
De Do 17 Z-7, bijnaam "Kauz I" – kerkuil, was de eerste versie en verschilde van zijn voorgangers door zijn drie 7,9 mm MG's en een 20 mm MG FF (Oerlikon) kanon die in een nieuw ontworpen neus waren ingebouwd die tevens over een 11 mm pantsering beschikte. De bemanning bestond uit een piloot, een radio-operator/schutter en een boordmekanieker. Deze laatste was verantwoordelijk voor het herladen van het met trommels gevoede kanon, het sluitstuk van dit wapen stak in het bemanningscompartiment. De voorste van de twee bommenruimtes was zodanig uitgevoerd dat er een bijkomende brandstoftank van 900 l kon worden in ondergebracht. De achterste kon twee 250 kg SD 250 bommen of tien 50 kg SD 50 bommen opnemen. Er werd slechts één enkele Do 17 Z-7 volledig afgewerkt daar de neusbewapening niet naartevredenheid werkte. Maar er waren ook negen Do 17 Z-3s op de montagebanden gezet om als nachtjagers te worden omgebouwd, deze hadden een volledig gereviseerde neusbewapening.
Deze negen toestellen die de benaming Do 17 Z-10 kregen, "Kauz II", bezaten een vaste voorwaartsvurende bewapening die uit vier 7,9 mm MG 17's bestond, gemonteerd in de bovenste helft van de neus en nog eens een paar MG FF's in de onderste helft. De munitiekisten voor de machinegeweren waren in de wapens bevestigd zoals de laders van een automatisch pistool, de laders voor het kanon moesten nog steeds door de boordmekanieker met de hand nageladen worden. De uiterste neuskegel was uitgerust met een infraroodzoeker (sensor) van het zogenaamde Spanner-Anlage type, die spoorde de hete uitlaatgassen op die door een voorvliegend vliegtuig werden uitgestoten. De aanwezigheid van de gassen werd op een klein scherm, dat bekend stond onder de naam Q-Rohr (Q-buis), weergegeven maar kon geen onderscheid maken tussen vriend of vijand. De verantwoordelijkheid over de beslissing als het opgespoorde vliegtuig moest beschoten worden lag bij de piloot. De 3.Staffel van NJG 1 werd uitgerust met de Kauz II indringers en werd vervolgens overgeplaatst naar II./NJG 1en kreeg de naam 4./NJG 1. Deze eenheid begon zijn operaties van Deelan als een autonome eenheid onder bevel van Sonderkommando Schiphol.
De Do 17 Z-10's van 4.NJG 1 behaalden enkele overwinningen, tezamen met de Ju 88 C-2's van I./NJG 2 dat ondertussen was opgericht, ze hadden een infiltratietechniek ontwikkeld waarbij ze onopgemerkt in de naderingsvlucht van de terugkerende RAF-bommenwerpers trachten in te sluipen. Terwijl ze met deze techniek enkele successen behaalden, werd hun grootste succes daarbij feitenlijk indirect bewerkstelligd, enkel reeds door hun aanwezigheid. Veel bommenwerperpiloten beschadigden hun toestellen bij de zware landingen die ze uitvoerden omdat ze probeerden zo snel mogelijk aan de grond te komen, ondanks een slechte aanvlucht, toen de indringers waren opgemerkt.
De Do 17 Z produktie werd al snel stopgezet – de Kauz II was een laatste groep van negen vliegtuigen van versie Z-3 . Daarom werd er een gelijkaardige modificatie uitgevoerd bij de door de DB 601 A aangedreven Do 215 B-4 die als Do 215 B-5 op het eind van 1940 te Leeuwarden zijn dienst begon bij 4.NJG 1. De nog overblijvende Z-10's werden overgeheveld naar I./NJG 1 dat deze toestellen tezamen met de Ju 88 C-2's nog tegen de RAF-bases bleef inzetten tot in oktober 1941.
Het was de Do 215 B-5 die de eerste onderscheiding voor een nachtelijke overwinning, behaald met behulp van radar, kreeg toegekend. Telefunken had op het einde van de dertiger jaren een geschikte radarset ontwikkeld voor installatie in een tweemotorige jager die bekend was onder de naam Lichtenstein-Gerät. Het toestel bezat een minimum en maximum bereik van 200 m en 4 km en had bewezen een bruikbaar voorwerp te zijn voor de D/F in azimut en elevatie door het gebruik van een roterende faseschakelaar die de verschillende antennes in een snelle opvolging deed werken. Alhoewel de Lichtenstein zijn eerste testen reeds in juli 1939 had ondergaan en zijn prestaties duidelijk had bewezen, was het te wijten aan de lethargische benadering van het Oberkommando van de Luftwaffe voor alles wat met nachtelijke verdediging te maken had, dat er een vertraging van twee jaar ontstond voordat er een pre-produktiemodel van de Lichtenstein BC beschikbaar was voor operationele testen door een Do 215 B-5 van 4./NJG 1 te Leeuwarden. De luchtweerstand veroorzaakt door de 'Matrazen' (matrassen) genoemde antennegroep verminderde de maximum kruissnelheid van het toestel met ongeveer 20 km/u, maar de Do 215 B-5 bezat nog steeds voldoende snelheidreserves om de tweemotorige bommenwerpers van de RAF te kunnen inhalen in een achtervolgingsjacht. Zijn prestaties als defensieve nachtjager werden nog opgedreven door het gebruik van de AI-radar waarmee een eerste overwinning werd behaald op 9 augustus 1941 door Oberleutnant Ludwig Becker. Dus terwijl de middelzware jagers bijna volledig mislukten bij hun inzet als offensieve vliegtuigen steeg hun waarde voor de defensieve nachtjacht.
De bommenwerper van Dornier had dus bewezen dat hij wel degelijk geschikt was, met de nodige uitgevoerde modificaties, voor een rol bij de defensieve nachtjacht en er werd nu beslist dat zulke geïmproviseerde jagers, met het oog gericht op hun superieure vliegduur tegenover de Bf 110, een belangrijke rol konden vervullen bij de defensieve nachtjachtoperaties. Voor zover het zich om nachtelijke gevechten handelde waren de Britse nachtverdedigingsmaatregelen versterkt en de verliezen bij de nachtelijke onderscheppingen begonnen te stijgen. De produktie van de Do 215 B was ondertussen ten einde gelopen, slechts een twintigtal van de laatste machines waren op de montagelijnen als Do 215 B-5's afgewerkt.
Het was algemeen bekend dat de Junkers Ju 88 het meest geschikte en tevens enige beschikbaar vliegtuig was dat zowel voor de offensieve als defensieve nachtelijke gevechten kon ingezet worden. Het was een robuust, stabiel gevechtsplatform dat kon uitgerust worden met een vernietigende voorwaartsvurende bewapening en bezat tevens een uitstekende vliegduur die noodzakelijk was voor de indringoperaties en patrouilles.
De bemanning en het grondpersoneel van een Ju 88 C nachtjager. De antennes op de neus behoren tot de Lichtenstein BC onderscheppingsradar.
Ongelukkig genoeg voor wat betreft de nachtjacht, werd dit voortreffelijke vliegtuig overal gevraagd voor andere taken en daardoor konden er amper 62 toestellen als nachtjagers in dienst genomen worden door de Luftwaffe. Het was de Ju 88 C-2 die deze rol kreeg toebedeeld. Van een totaal van 2.184 afgewerkte toestellen in 1940 was dit voorlopig alles wat voor de nachtjacht beschikbaar kon worden gemaakt. Kammhuber die op 16 oktober 1940 promoveerde tot Generalmajor en benoemd werd tot General der Nachtjagd, pleitte ten gunste van de Ju 88 om er de nachtjachteenheden met te versterken maar kon niets aan de bestaande situatie veranderen. In de loop van 1941 werden er van de 2.619 toestellen van het type Ju 88 die aan de Luftwaffe waren overgedragen slechts 66 als jagers afgewerkt en het grootste deel ervan was aan de Zerstörergeschwadern overgedragen. Zelfs in 1942 toen er 3.094 Ju 88's van de montagelijnen kwamen waren er slechts 257 toestellen als jagers gebouwd en ook daarvan gingen er amper een paar toestellen naar de nachtjachteenheden.
De Do 17 en Do 215 hadden ondertussen plaats moeten maken voor de Do 217 zware bommenwerper. Daar de geschiktheid van een bommenwerper als basis voor een nachtjager twijfelachtig was, hadden de voorstellen van Dornier, in 1941 voorgelegd, om een geïmproviseerde jager te ontwikkelen die afgeleid was van de Do 217 E weinig aandacht gekregen. Ondanks zijn afmetingen en zijn gewicht was de Do 217 tamelijk wendbaar en alhoewel hij was uitgerust met iets te lichte motoren leverde hij toch de prestaties die hem in de rol van indringer aanvaardbaar maakten. Bovendien beschikte het toestel over de gewenste vliegduur die nog kon worden vergroot door het gebruik van de bommenruimte als opslagruimte voor bijkomende brandstof. Het toestel kon ook met een formidabele vuurkracht worden uitgerust. En alhoewel hij geen ideale basis vormde voor verderontwikkeling tot jager was hij door de te geringe leveringen van de Ju 88 aan de Nachtjagd Gruppen, toch een ernstig te nemen mededinger. Door de niet toereikende leveringen van de Ju 88 werden de voorstellen van Dornier tenslotte toch aanvaard. Dornier had van de gelegenheid gebruik gemaakt en tevens het voorstel gedaan om de DB 603 A motoren te gebruiken, die reeds voorzien waren vanaf het basisontwerp, voor zowel de bommenwerperversie als voor de nachtjager.
De Do 217 E-1 was aanvankelijk voorzien om ingezet te worden als duikbommenwerper. Dit toestel was dan in de staart ook voorzien van een
duikrem, in de vorm van een remparachute die in de staart was ingebouwd. De eerste versie van de Do 217 E-2 bommenwerper als nachtjager werd Do 217 J-1 genoemd en was uitsluitend bestemd voor indringoperaties. Het toestel behield zijn achterste bommenruim dat met maximaal acht 50 kg SC 50 bommen kon geladen worden. Het voorste bommenruim had een installatie voor het meenemen van een bijkomende brandstoftank met een inhoud van 1.160 l. De standaard brandstofvoorraad bedroeg 2.960 l. De neuskegel was nieuw ontworpen en aangepast voor het inbouwen van vier 7,9 mm MG 17 machinegeweren met magazijnen voor 1.000 patronen per wapen. De wapengondel was aangepast om vier 20 mm MG FF's te kunnen installeren met elk 350 granaten, de twee bovenste stukken waren naar stuurboord opgeschoven. De electrisch bediende toren in de rug van het toestel bezat een 13 mm MG 131 machinegeweer met 500 patronen en de achterwaartsvurende vrij gemonteerde MG 131 in de staartonderzijde beschikte over een munitievoorraad van 1.000 patronen.
Op 21 oktober 1941, kort voordat men met het vluchtprogramma van de Do 217 J V-1 jagerprototype begon, werd door Hitler elke verdere indringoperatie boven Engeland verboden. Daarmee werd de primaire offensieve opdracht waarvoor het toestel eigenlijk was ontwikkeld reeds voor het prototype had gevlogen veranderd tot een rol in de defensieve nachtverdediging. De ontwikkeling van de met radar uitgeruste Do 217 J-1 werd stilgelegd ten gunste van de Do 217 J-2 die niet de specifieke bewapening van een indringer bezat. De omschakeling op de montagebanden voor de produktie van de Do 217 J-1, waarop voorheen de Do 217 E-2 werd gebouwd, verkeerde reeds in een gevorderd stadium toen Hitlers bevel werd uitgegeven. Maar niettegenstaande dit bevel was het niet mogelijk om de Lichtenstein radar te leveren die nodig was om de J-2 uit te rusten daar de Bf 110 voorrang had op deze leveringen.
De operationele waardebepaling van de Do 217 J-1 werd in maart 1942 uitgevoerd door II./NJG 1 te Gilzen-Rijen. Deze lange nachtjager, de langste die tot dan toe was gebouwd, werd door de piloten van 4./NJG 1 vergeleken met de prestaties van de Do 215 B-4. Daar de nachtjager van Dornier niet langer ingezet mocht worden voor het uitvoeren van indringoperaties waren de voordelen van zijn lange vliegduur enkel nog van waarde voor de statistieken. Door het in gebruik nemen van het Himmelbettsysteem in de nachtverdediging was een lange vliegduur niet langer van vitaal belang. De snelheid en wendbaarheid kregen daarentegen nu de hoogste prioriteit en waren daardoor nu waardebepalend. Het Himmelbettsysteem – die uit vier grote onderdelen bestond : 1. Freya, de vroege waarschuwingsradar, 2. en 3. , de twee Würzburg-Riesen en 4. De Seeburg-seintafel, – was een jagergeleidsysteem waarvan de actieradius werd bepaald door de reikwijdte van de Würzburg-radar, deze zorgde voor de opsporing van de vijandelijke toestellen en geleide de nachtjagers naar deze toe. Een groot nadeel voor dit Himmelbettsysteem was het feit dat de Do 217 slechts in beperkte mate met de A.I. radar uitgerust werd. Het klein aantal Do 217 J-1's die aan de Nachtjagdgruppen waren geleverd werden grotendeels voor trainingsvluchten ingezet en tijdens de zomer van 1942 begonnen de eerste Do 217 J-2's bij de eenheden aan te komen. Dit was het ogenblik waarop het Oberkommando der Luftwaffe de nachtverdediging van het Reich grotere interesse begon te schenken. Het RAF Bomber Command, dat tot dan zijn inspanningen voornamelijk door de trage licht bewapende tweemotorige bommenwerpers had laten uitvoeren, begon nu ook steeds meer zware viermotorige bommenwerpers zoals de Stirling en de Lancaster in te zetten. De Lancaster maakte zijn debuut boven Duitsland in de nacht van 10-11 maart 1942. Een maand later was Essen de eerste Duitse stad die bestookt werd met de 8.000 lb (3.629 kg) zware bom. Daarmee werd ook de onzekerheid over de noodzaak aan Nachtjagdflieger verdreven. De grootste doorslag gaf de nacht van 30-31 mei toen de RAF daar eerste "Duizend bommenwerperraid" tegen Köln lanceerde.
De Do 217 J-2 verschilde van zijn voorganger enkel door het ontbreken van het achterste bommenruim en de ingebouwde FuG 202 BC radar met zijn 'Matrazen'-antennes die op de neus waren gemonteerd. Met zijn leeg gewicht van 9.350 kg en een gewicht in beladen toestand van 13.180 kg was het toestel wel iets zwaarder dan zijn concurrent de Ju 88. Met de twee BMW 801 ML 14 cilinder luchtgekoelde stermotoren die elk 1.580 startpk leverden en nog 1.380 pk leverden op 4.600 m hoogte beschikte het toestel toch nog over te zwakke motoren. De maximale snelheid bedroeg amper 489 km/u op 5.500 m.
De met Lichtenstein BC (FuG 202) onderscheppingsradar uitgeruste Do 217 J-2 begon tegen het eind van 1942 bij de Nachtjagdgruppen toe te komen. (Foto: Air Int. sep 75)
Alhoewel er tegen het einde van 1942 in totaal 157 Do 217 nachtjagers waren afgewerkt waren er volgens verslagen van de Luftwaffe slechts 55 van deze toestellen bij de operationele eenheden opgenomen. Dit was waarschijnlijk te wijten aan het feit dat er een daling in de levering van belangrijke onderdelen voor de nachtjacht was ontstaan. In het begin van 1942 had het RLM aan de Regia Aëronautica beloofd om zo snel mogelijk een voldoende aantal Do 217 J's te leveren om een volledige Gruppo nachtjagers te kunnen uitrusten. Door de vertraagde levering van de volledig uitgeruste Do 217 J-2's was het RLM nu in verlegenheid gebracht. Op 15 augustus 1942 had er nog geen enkele Dornier de Regia Aëronautica bereikt en er kwam een Italiaanse missie in Duitsland toe die de opdracht had voor een snelle levering te zorgen. De commissie kreeg de gelegenheid om een waardebepaling van de Do 217 J-2 te maken en werd door de mogelijkheid die het toestel bood gunstig beïnvloed. De commissie was wel iets ontmoedigd, zoals in een rapport stond vermeld, door de complexiteit van de jager.
Er konden slechts twee Do 217 J-1's onmiddellijk ter beschikking gesteld worden van de Italiaanse Luchtmacht. Deze werden op 10 september aan de Regia Aëronautica overgedragen en onmiddellijk volgde er een klacht van de Italiaanse ambassadeur daar de "tweede hands"-vliegtuigen defect waren en niet uitgerust waren met de beloofde onderscheppingsradar. Niettegenstaande deze gebreken werden de twee Do 217 J-1's door de 255e Squadriglia (60e Gruppo- 41e Stormo) met basis op Treviso S Guiseppe ingezet. Tegen het eind van het jaar werden er nog eens twee Do 217 J-1's geleverd. De eenheid opereerde nu met vier Do's, drie Me 110 C's, een Fiat CR 42 CN en een buitgemaakte Bristol Beaufighter. In het begin van februari 1943 werden er nog maar eens twee Do 217 J-1's en een met radar uitgeruste Do 217 J-2 naar Italië overgevlogen. De toestellen werden daarbij bestuurd door piloten van de Aëronautica die bij NJG 3 een opleiding als nachtjager hadden gevolgd. Daarna volgden er nog vijf ander Do 217 J-2's.
De opdracht van het 235e Sqda bestond in het uitvoeren van patrouilles die over een zeer uitgestrekt gebied werden gevlogen ( Ligura, Piemonte, Lombardije en Emilia). Niettegenstaande er een paar overwinningen werden geboekt betekenden deze niet meer dan een paar muggensteken. De Italiaanse nachtjacht-strijdmacht was in zijn geheel, operationeel gezien, een te verwaarlozen luchtmacht-onderdeel. De Lichtenstein radar van de Do 217 J-2's werkte niet voor 100% door een onvoldoende training van het bedieningspersoneel, er waren problemen vastgesteld met het landingsgestellen en met veel moeite kon de eenheid 50% van haar getalsterkte in de lucht brengen. Op 31 juli 1943 bv. waren er van de 11 Do 217's waarover de eenheid beschikte drie toestellen ontmanteld voor inspectie, drie niet operationeel door allerlei gebreken en een toestel verloren gegaan door breuk.
De volgende variant, de Do 217 N V-1, vloog voor de eerste keer op 31 juli 1942 en was met uitzondering van de motoren en het terug in gebruik nemen van het achterste bommenruim identiek aan de Do 217 J-2. De eerste toestellen begonnen te Nachtjagdgruppen op het eind van 1942 te bereiken. De Do 217 N-1 beschikte eveneens over de FuG 202 radar zoals de J-2 maar was bovendien ook uitgerust met de FuG 25 die de FlaK identificatiegegevens bezorgde en tegelijkertijd dienst deed als richtingsbaken voor de Himmelbetbodemstations. Het toestel was ook uitgerust met een FuG 101 radio-altimeter en een FuG 10 HF zender/ontvanger. Vanaf april 1943, toen de RAF begon met het storen van de verbindingen tussen de jagers en de Himmelbettstations, werd de FuG 16 VHF radio in gebruik genomen, deze werkte op een frekwentie die (nog) niet door de Britten kon worden gestoord. Verder waren er bij enkele toestellen de batterijen MG FF's vervangen door vier MG 151 kanonnen die hetzelfde kaliber hadden. De vuursnelheid en ballistische waarden van de MG FF's lieten soms nogal iets te wensen over, de MG 151 beschikte over een hogere vuursnelheid en bezat en betere ballistische baan.
Vroegere ervaringen hadden aangetoond dat de bovenste geschuttoren en de vrij gemonteerde wapens in de buikpositie zelden werden ingezet en daarom was er beslist geworden om deze wapens te verwijderen. De buikpositie werd bekleed met een houten vloeistuk om op die manier betere aërodynamische waarden te bereiken. Voor het ombouwen van de toestellen weren er speciale Umrüst-Bausätze in gebruik genomen. Deze aldus gemodificeerde toestellen kregen de benaming Do 217 N-1/U1. Een andere opmerkelijke specificatie die bij de Do 217 N-1 werd ingevoerd was de "Schräge Musik", een groep supplementaire kanonnen die in de rug van het toestel onder een schuine hoek naar boven gericht stonden opgesteld. De experimenten met deze bewapening waren uitgevoerd met een Do 17 Z-0 door Oberleutnant Schönert, Staffelkapitän van 4./NJG2. Toen Schönert in juli 1942 uit de handen van General Kammhuber, General der Nachtflieger, het Ritterkreuz mocht ontvangen stelde hij aan de generaal voor om deze wapens in een Do 217 in te bouwen, met deze zou het mogelijk zijn om de onbeschermde buik van de bommenwerpers vanuit een positie aan te vallen die buiten het bereik van de defensieve bewapening van deze zelfde bommenwerper lag. Kammhuber gaf daarop het bevel om deze bewapening voor de operationele inzet bij drie Do 217 nachtjagers in te bouwen.
Deze drie gemodificeerde vliegtuigen werden in de lente van 1943 afgeleverd. Er waren twee 20 mm MG 151 kanonnen gemonteerd in het midden van de romp die onder een hoek van 70° vuurden. Het mikken voor deze wapens gebeurde door middel van een reflectorvizier dat gemonteerd was op het cockpitdak, een weinig vòòr de piloot. In mei 1943 werden de eerste overwinningen met deze bewapening gemeld en deze en bijkomende successen leidden tot de ontwikkeling van een Rüstsatz voor de inbouw in een Do 217 N-2 die uit een batterij van vier opwaartsvurende 20 mm kanonnen bestond. Een toestel die in deze vorm was aangepast kreeg de benaming Do 217 N-2/R22. De Schräge Musik verhoogde het gewicht van de nachtjager met 500 kg, verminderde de maximale snelheid met 5 km/u op zeespiegelhoogte en 14 km/u op 6.000 m. Het hoogteplafond daalde met 500 m.
In de lente van 1943 werd de produktie van de Do 217 N-1 langzaam verdrongen door de Do 217 N-2 die alle modificaties die voorheen bij de N-1/U1 waren ingevoerd, bezat. De produktie van de N-1 werd tegen het eind van 1943 volledig stopgezet. In totaal waren er in de loop van 1943 207 Do 217 K en N nachtjagers aan de Luftwaffe afgeleverd. De nachtjagers van Dornier waren wijd verspreid over de Nachtjagdgruppen, waar ze gewoonlijk opereerden in samenwerking met de Bf 110's. Er was geen enkele Gruppe die uitsluitend met de Do 217 was uitgerust. II., III. en IV./NJG 1 beschikten allen over Do 217 Staffeln, zoals ook het geval was bij II. en III./NJG 2. en NJG 3. NJG 6 dat opereerde onder Oberbefehlshaber Mitte had tegen het eind van 1943 eveneens een deel Do 217's in zijn getalsterkte en NJG 4, dat zijn basis had in de sector Frankfurt, en bij gelegenheid tot in Eindhoven werd ingezet onder Luftflotte 3 had in zijn II Gruppe eveneens twee Staffeln die op de Do 217 vlogen. Naast de nachtelijke verdediging van het Reich werd de Do 217 jager tussen augustus en november 1943 eveneens ingezet aan het Oostfront. Daar vlogen de toestellen bij I./NJG 100 – een onafhankelijke Gruppe die bekend was onder de naam "spoorweg-nachtjagers" door de inzet geleid werd vanaf een grondstation dat op een trein was geïnstalleerd – en ingezet werd boven het centrale front door Luftflotte 6.
Met het ineenstorten van het Himmelbettsysteem tijdens Gomorrah en de snelle invoer van het Wilde Sau-systeem nam de carrière van de Do 217 een dramatische wending. De vliegduur was tijdens de nacht van het allergrootste belang geworden, voor zover de toestellen bij de nachtjacht werden ingezet.
Een fabrieksnieuwe Do 217 N-2 (PE + AW) met een twee-tinten grijs camouflage van de bovenste vlekken die vanaf 1943 de standaardcamouflage werd bij de Nachtjagdgruppen. (Foto: Air Int. sep 75)
Afgezien van een handvol Ju 88's waren de Do 217 K's en Do 217 N's de enige jagers die onmiddellijk beschikbaar waren voor de Nachtjagdgruppen en in staat waren om aanzienlijke afstanden boven het Duitse grondgebied te vliegen en daarmee aan de extreme beweeglijkheid die de nieuwe taktiek vereiste kon tegemoet komen. Ondertussen was ook de verhouding van de jagers tegenover de bommenwerpers en verkennerversies van de Ju 88 drastisch herzien – van 1:11 in 1942 was dit veranderd in 1:3-6 in 1943 – met een uitstoot van een groep van 706 Ju 88 jagers gedurende de laatste zes maand van 1943 door het geven van de produktievoorrang aan de jagers ten opzichte van de bommenwerpers. Maar door het invoeren van de Wilde Sau-taktiek beleefde de Do 217 jager zijn "gloriedagen".
Met alle prioriteit toegewezen aan het heruitrusten van de Nachtjagdgruppen met de Ju 88 was de operationele carrière van de Do 217 voorbestemd om slechts van korte duur te zijn. Tegen eind augustus 1943 was er slechts één Nachtjagdgruppe, IV./NJG 3 met basis te Kastrup en Lüneburg volledig op de Ju 88 omgeschakeld, maar tegen het eind van het jaar waren alle drie de Gruppen van NJG 2, I. en II./NJG 3 en één Gruppe van NJG 1 en NJG 6 op de Junkers omgestegen en waren de Do 217 bijna volledig uit de getalsterkte verdwenen. Tijdens de laatste weken van hun operationele inzet waren sommige Do 217 N-2's aangepast om de FuG 202 Lichtenstein SN-2 mee te voeren. Deze radarset die niet door Windows werd beïnvloed had een minimum bereik van 365 m en een maximaal bereik van 6,5 km. Maar daar het de Do 217 ontbrak aan voldoende prestatievermogen om een achtervolgingsjacht uit te voeren waren zijn dagen geteld vanaf het moment dat de Zahme Sau-taktiek – daarbij infiltreerden de jagers in de bommenwerperstromen terwijl deze nog maar op weg waren naar hun doel waardoor de gevechten over veel langere afstanden konden worden uitgevochten – werd aangenomen en de Ju 88 tegelijkertijd in grotere aantallen in de rangen van de Nachtjagdgruppen verscheen. Zoals alle nachtjagers die operationeel waren tijdens de WO II – met één uitzondering, nml de Northrop P-61 Black Widow – was de Do 217 een improvisatie geweest die zijn vitaal belang tijdens de dramatische maanden van 1943 bewezen had.