Back to...

 

Arado Ar 234
Operationele inzet

 

Ar 234 V9
De Ar 234 V9 kon zijn eerste vlucht pas op 15.3.1944 in Alt_Lönnewitz uitvoeren. Dit toestel (de V9) is waarschijnlijk het meest gefotografeerde exemplaar van de ganse Ar 234 serie.

In het begin van juni 1944, minder dan een jaar na de eerste vlucht van de Ar 234 A, waren de 20 eerste Ar 234 B4s van de voorserie afgewerkt. In juni 1944 werden tevens de V5 en V7 prototypes uitgerust met camera's en aan de 1.Versuchsstaffel van het OKL overgedragen. Oberleutnant Horst Götz nam de toestellen in ontvangst en begon samen met een andere piloot, Leutnant Erich Sommer, aan de training. Sommer ondervond kleine problemen met de startkar tijdens het opstijgen, het was belangrijk het toestel goed onder controle te hebben alvorens de startkar af te werpen want, bij de nog lage snelheid, was de richtingsstabiliteit maar middelmatig. Bij een snelheid van ongeveer 160 km/u ging de neus van het vliegtuig uit zichzelf omhoog en moest de piloot de handgreep voor het afwerpen van de startkar bedienen. Door een gewichtsverlies van 600 kg kwam het toestel onmiddellijk van de grond los. Na het landen op de ski's duurde het ongeveer 20 minuten voordat de machine was gelicht en terug op de startkar was geplaatst. Daarna kon het toestel door een trekker weggesleept worden. Bij één van zijn eerste vluchten steeg Götz op zonder zich van de startkar te kunnen ontdoen. Na rond het vliegveld te zijn gevlogen totdat zijn brandstof op was zette hij het toestel terug aan de grond op het vliegveld van Oranienburg en had bijna de volledige lengte van het vliegveld nodig om tot stilstand te komen.
Leutnant Sommer
Leutnant Erich Sommer die de eerste
verkenningsopdracht met een straaljager
uitvoerde, met een Ar 234 A,
op 2 augustus 1944.

          De beide Ar 234's van Götz werden uitgerust met elk twee Rb 50/30 camera's in het achterste gedeelte van de romp. Deze camera's met een 500 mm objectief waren in tandem geplaatst en naar beneden gericht met een externe inclinatie van 12°. Op deze manier kon op een hoogte van 9.900 m een strook land onder het vliegtuig gefotografeerd van bijna 10 km breed.
          Terwijl Götz en Sommer zich klaarmaakten voor hun toekomstige verkenningsopdrachten zetten de geallieerden voet aan land in Normandië. De verkenningseenheden van de Luftwaffe die de ontschepingzones moesten fotograferen leden zware verliezen door de geallieerde jagers. Dikwijls konden ze zelfs hun doel niet bereiken. De Duitse Legerleiding waren bijna volledig onwetend over de gebeurtenissen aan dit front. Om aan deze onbekwaamheid een einde te stellen kreeg Götz het bevel zijn afdeling over te plaatsen naar Juvincourt, bij Reims, en vandaar met de acties te starten. Van bij het begin ondervond men echter problemen. Op 25 juli stegen de beide Arado's op Oranienburg op. Götz moest terugkeren omdat hij motorproblemen kreeg. Sommer kon zonder incidenten naar Juvincourt door vliegen. Na de landing werd zijn machine op een vrachtwagen met laag laadplatform gehesen en in een hangaar ondergebracht. En in deze hangaar bleef het modernste verkenningsvliegtuig ter wereld staan, ongebruikt. De startkar voor de machine moest namelijk van Oranienburg overgebracht worden per spoor. Het duurde meer dan een week voordat de wagons geladen waren met speciale vijzels, startraketten en hun nieuwe vullingen en ander bijkomend materiaal ent ze naar een spoorweghangaar in Juvincourt konden vertrekken.

          Uiteindelijk op 2 augustus was alles klaar voor de eerste verkenningsopdracht van een straaljager. De Ar 234, uitgerust met startraketten, werd naar zijn startbaan gebracht. Sommer begaf zich aan boord, maakte zijn harnas vast, voerde de nodige controles uit en startte zijn motoren. Nadat alles in orde was bevonden loste hij zijn remmen en gaf volle gas. Na een startrun van ongeveer 200 m drukte hij op een knop om de startraketten te ontsteken en terwijl hij door de plotse versnelling in zijn zetel werd gedrukt steeg het toestel in de lucht.
          Terwijl het toestel begon te stijgen werd de startkar afgeworpen en schoot de Arado met een ruk in de hoogte, gevolgd door een rookspoor van zijn startraketten. Na 15 seconden waren de startraketten uitgewerkt. Sommer drukte op de afwerpknop en de raketten daalden aan hun parachute naar beneden. Sommer stabiliseerde de machine en steeg met een snelheid van 12,5 m/sec aan 412 km/u. Daar de startbaan in de oost-west richting lag hoefde Sommer slechts een kleine correctie uit te voeren om in de juiste richting rechtstreeks naar zijn doel te vliegen. Hoe dunner de lucht werd waarin hij steeg, des te sneller werd zijn vliegtuig. Het duurde ongeveer 20 minuten voor hij een hoogte van 10.000 m had bereikt en bereikte op bijna hetzelfde moment zijn operatiegebied. Van tijd tot tijd helde hij zijn toestel naar links en rechts om te zien als zijn condenssporen geen vijandelijke jagers opmerkzaam hadden laten worden; dit was niet het geval.
          Zeer hoog, boven het schiereiland Contentin, veranderde Sommer van koers in oostelijke richting en daalde 500 m om zijn snelheid tot 740 km/u op te drijven. Het toestel werd terug in een horizontale vlucht gebracht en vloog rechtuit op dezelfde hoogte om het verkenningswerk uit te voeren. Hij stelde de camera's in werking en door een automatisch mechanisme werden er elke 11 seconden een foto genomen.
          Het was een mooie zomerdag, bijna zonder wolken. Vanaf de hoogte waarop Sommer vloog leek het een vreedzame dag en was er niets te merken van de dodelijke strijd die onder hem werd uitgevoerd. Van onderscheppingsjagers viel er nergens iets te bespeuren. Sommer concentreerde zich volledig op zijn vlucht zodat de camera's de best mogelijke foto's konden maken. De eerste strook, langsheen de kust duurde ongeveer 10 minuten. Hij maakte een bocht van 180° graden om een tweede strook, parallel aan de eerste en 10 km verder in het binnenland, te fotograferen. Tenslotte voerde hij een derde parcours uit boven het doelgebied. Op het einde van deze strook stond de camerateller op "0". De filmrollen waren leeg.
verkenner
Techniekers laden de
verkennercamera's
van een Arado Ar 234 B.

          Met de opdracht uitgevoerd zette Sommer verder koers naar het oosten. Zijn enige bezorgdheid bestond er in om zijn filmrollen naar de basis terug te brengen. Terwijl hij het luchtruim in de gaten hield met het oog op mogelijke onderscheppers keerde hij terug op Juvincourt en zette zijn toestel aan de grond.Zelfs nog voordat de Arado volledig uitgerold was kwam er uit alle richtingen personeel toegelopen. Voordat Sommer uit zijn toestel kon klimmen waren de camera's reeds uit het toestel genomen en haastte men zich om de foto's te kunnen ontwikkelen. Tijdens deze ene verkenningsvlucht had Sommer meer informatie verzameld dan alle andere verkenningseenheden tezamen hadden kunnen verzamelen tijdens de twee voorbije maanden. Tijdens een vlucht die minder dan 90 minuten had geduurd had hij bijna alle sectoren die door de geallieerden werden bezet gefotografeerd. De 380 foto's die hij had genomen waren van uitstekende kwaliteit. Op dit tijdstip hadden de geallieerden meer dan 1,5 miljoen man, 1,5 miljoen ton materiaal en bijna 330.000 voertuigen aan land gebracht. Een groep van 12 specialisten werkte twee ononderbroken dagen om de foto's te bestuderen en een verslag op te stellen. Een getailleerd verslag over de foto's maken nam twee weken in beslag.
          " Na deze eerste vlucht kwam er een groot aantal hoge officieren naar Juvincourt om het vliegtuig te zien", herinnert zich Sommer" maar alles bleef zeer geheim en niemand kon het toestel benaderen".

Op 2 augustus kwam ook Götz met de ander Ar 234 op Juvincourt aan. Tijdens de drie daaropvolgende weken voerden beide toestellen 13 verkenningsvluchten uit. Tenslotte hadden de Duitse militaire bevelhebbers op het terrein de inlichtingen over de geallieerde posities dan toch in handen gekregen. Maar de tijd waarin deze informatie een beslissende invloed kon spelen op het verloop van de strijd was reeds lang voorbij.
          Terwijl de Duitsers bezig waren met het bestuderen en interpreteren van de eerste foto's van Sommer hadden de geallieerden hun eerste bruggenhoofd geopend om zich over Bretagne te verspreiden. De slag om Normandië was voorbij en de grote doorbraak dwars door Frankrijk stond op punt te beginnen. De Arado's brachten duizenden foto's terug van de geallieerde opmars, maar dit was niet meer dan een overzicht tonen aan het Duitse opperbevel van een slag die op voorhand reeds verloren was. Zoals de Me 262's van het Kommando Schenk schijnen de Arado's van Götz onopgemerkt te zijn geweest tijdens de Slag om Frankrijk. Dit is waarschijnlijk het schoonste compliment dat aan de zeer snelle verkenningsvliegtuigen en hun piloten kon worden gegeven die in alle discretie hun foto's onopgemerkt gingen maken en naar hun basis terugbrachten.
          Op 28 augustus, terwijl de Amerikaanse tanks Reims naderden, ontving Götz het bevel om zijn Ar 234's van Juvincourt over te verplaatsen naar Chièvres. Het was toen dat de 'bevriende' eenheden er in slaagden dat de doen waarin de vijandelijke jagers waren gefaald. Toen hij rond Chièvres cirkelde alvorens te landen opende de Flak, die van mening was dat bijna elk vliegtuig dat het vliegveld naderde beschouwd moest worden als een vijandelijk toestel, het vuur. Een granaat trof de Ar 234 onder de cockpit en sneed daarbij de elektrische en hydraulische leidingen door. Götz onderbrak zijn naderingsvlucht en stelde vast dat zijn kleppen en het landingsgestel niet konden neergelaten worden. Götz voerde dan een noodlanding uit, zonder kleppen, op de buik met een snelheid van 305 km/u. Enkele stenen verbrijzelden het glas van de neus waarbij Götz enkele schrammen opliep, het toestel kwam tot stilstand zonder veel schade te hebben opgelopen. Toen hij echter zijn cockpit verliet kreeg de machine echter haar genadeslag. Een jonge jachtpiloot die op het vliegveld binnenkwam en niet zulk obstakel verwachtte knalde achteraan tegen de Arado en sloeg met zijn propeller het volledige staartstuk weg. Götz, die door de stenen en het glas in zijn gezicht gekwetst was kon verschillende weken niet zien. Van zijn Ar 234 bleef niet meer dan een wrak over.

          Sommer bracht zijn Ar 234 zonder problemen naar Chièvres over maar moest enkele dagen later reeds naar Volkel in Nederland vertrekken daar de geallieerde tanks snel dichterbij kwamen. Hij kwam daar aan op 3 september de dag dat er een meer dan 100 Lancasters van de RAF in volle dag het vliegveld bombardeerden. Alhoewel het volledige terrein bedekt was met kraters bleef de Ar 234 in zijn hangaar ongeschonden. Het vliegveld werd onbruikbaar verklaard voor het uitvoeren van de normale acties. De volgende dag vertrok hij vanop zijn startkar over een paar provisoir dicht geworpen kraters en begaf zich naar Rheine, bij Osnabrück, de nieuwe basis voor de Ar 234 verkenners.

De terugkeer naar Duitsland markeerde tegelijkertijd het einde van het tijdperk van de startkar, in september 1944 werd de eerste verbeterde 'B'-versie met intrekbaar landingsgestel beschikbaar. Dit nieuwe landingsgestel, dat een verbreding van de romp had noodzakelijk gemaakt, vertraagde de snelheid van het toestel met ongeveer 35 km/u maar het toestel bleef desondanks nog steeds snel genoeg om aan alle geallieerde jagers te kunnen ontsnappen. De actieradius was ook kleiner geworden, om dit op te vangen en tezelfdertijd de actieradius te vergroten konden er twee afwerpbare brandstoftanks van 300 l onder de motoren opgehangen worden. De prijs van deze beperkingen die echter van minder tactisch belang waren gezien de defensieve positie waarin Duitsland zich bevond, bracht voor de Ar 234 toch een aanzienlijke grotere flexibiliteit en daarmee kon het toestel ook ingezet worden vanaf vliegvelden die niet met de speciale voorzieningen voor straaljagers waren uitgerust.
          Op Rheine was de eenheid van Götz, ondertussen omgedoopt in Kommando Sperling, beetje per beetje groter geworden en bezat nu reeds negen toestellen. De
 Voorbereidingen bij Kommando Sperling
Laatste voorbereidingen voor de start bij Kommando Sperling.
(Foto: Collectie Götz)
geallieerde jagers die boven het vliegveld patrouilleerden vormden een voordurende dreiging. Het enige moment waarop de Ar234 voor de aanvallen van de jagers kwetsbaar was, net zoals bij de Me 262, was tijdens de relatief langzame vlucht bij het opstijgen en het landen. Om over de aanwezigheid van vijandelijke vliegtui-
gen op de hoogte te zijn wanneer zijn toestellen moesten opereren beschikte Götz over een eigen inlichtingennetwerk. Enkel waneer het luchtruim 'veilig' werd verklaard werden de Arado's naar de startbaan gebracht. Daar stegen ze dan zo vlug mogelijk op. De piloten van Götz hadden het bevel gekregen hun snelheid bij de terugkeer van een opdracht bij het naderen van de basis aan te houden en enkel te landen wanneer er geen gevaar dreigde. In geval er vijandelijk jagers rond het vliegveld werden gesignaleerd moesten ze uitwijken naar een nabijgelegen terrein. Een sterke Flak beschermde de assen van het opstijgen en landen op Rheine maar Götz was er van overtuigd dat deze verdediging niet sterk genoeg was om een vastberaden vijand te verdrijven.
          Het Kommando Sperling voerde niet alleen operaties uit boven Frankrijk, België en Nederland maar ook boven Engeland. Zo vertrok Götz op 5 oktober voor een twee uur durende verkenning van het scheepvaartverkeer langsheen de kust van Norfolk en het graafschap Lincoln. De volgende dag steeg hij op voor een verkenning boven Zuid-Engeland maar moest zich bijna uiteenzetten met een half dozijn P-47's die juist boven Rheine verschenen op het moment dat hij zijn startraketten ontstak. Gelukkig voor hem was hij over de radio tijdig door zijn inlichtingennetwerk op de hoogte gebracht. Onmiddellijk wierp hij zijn bijkomende brandstoftanks af, liet de neus van zijn Arado zakken om rapper snelheid te winnen en kon daardoor gemakkelijk afstand nemen van zijn belagers voorna hij in de hoogte verdween. Door het afwerpen van zijn brandstoftanks kon Götz de voorziene opdracht niet uitvoeren maar bracht toch nog enkele bruikbare gegevens mee van andere doelen. Vergeleken met andere eenheden die op straaljagers vlogen had het Kommando Sperling weinig problemen met zijn Jumo 109-004 motoren. Het geheim om de levensduur van de eerste straalmotoren te vergroten was een voorzichtige omgaan met de gashendel; de piloot moest zo weinig mogelijk gebruik maken van de gashendel zodat het toerental van de motor bijna ongewijzigd bleef, zoals bij het formatievliegen. Op 15 november onderging Götz één van de zeldzame pannes met de motoren boven de Noordzee, op de terugweg op een hoogte van 10.000 m. Hij had en verkenning uitgevoerd boven de vliegvelden van Zuid-Engeland. Zijn Ar 234 onderging plotseling verontrustende vibraties, zonder twijfel begon één van de motoren tegen te sputteren. Maar welke? Alle instrumenten werkten normaal. Gôtz besloot kruis of munt te spelen en reduceerde het toerental van de rechtse motor. De verkeerde. Deze motor - de goede – viel stil en weigerde opnieuw te starten. De vibraties namen zodanig toe dat Götz verplicht ook de linker motor af te stellen. Hij vloog nu met een zeer snel 'zweefvliegtuig', met een toenemende dalingshoek. Hij toestel was reeds tot op 2.000 m gedaald toen eindelijk de rechter motor terug opstartte e. Kort nadien ontdekte men dat een schoep van de turbine door de linker motor was weggeslingerd waardoor het volledige mobile interieur van de motor uit evenwicht was geraakt.

Nadat Götz reeds vier maand met de Ar 234 vloog en hijzelf zes weken voorheen een ontmoeting -een zeer korte- met geallieerde jagers had gehad was het pas op 21 november 1944 dat geallieerde jachtpiloten visueel contact kregen met een Ar 234 in de vlucht. Op deze datum, toen P-51's van de 339th Fighter Group een formatie bommenwerpers escorteerden die Nederland kruisten op weg naar hun doel maakte de Ar 234 zijn opwachting. "De straaljager naderde de formatie jagers en bommenwerpers vanuit het noorden op een hoogte van 8.200 m, ongeveer 300 m lager dan de geallieerde toestellen. Hij vloog stijgend door de formatie heen, blijkbaar met afgestelde motoren, met een geschatte snelheid van 480 km/u. Toen de straaljager zich op 3 Hr van de bommenwerpers bevond stootten beide motoren voor ongeveer 10 seconden rook uit, versnelde hij en verdween in de zon". In deze periode waren er simulatiegevechten uitgevoerd tussen een Ar 234 B en een FW 190 waarbij de plus en minpunten van deze onbewapende straaljager werden opgemaakt. Een verslag van Arado vermeldt: "Het beste wapen van de Ar 234 B tegen de schroefjager is zijn snelheid. In een geschroefde bocht is de FW in het voordeel om zich in schietpositie de manoeuvreren. Naar als de Ar 234 rechtdoor vliegt, dalend of stijgend met de vleugels horizontaal, neemt hij snel afstand van de FW 190. Wanneer er bochten moeten gevlogen worden, zijn deze groot: t.t.z. zeer wijd. Een probleem is dat het zicht naar onder en naar achter beperkt wordt en dat van de romp naar achter slechts 0 tot 30° zichtbaar is. Dit gebrek aan zichtbaarheid belet het zien van een aanval die langs achter wordt uitgevoerd." In het verslag werd de conclusie getroffen dat als de FW 190 een kans wilde maken bij een ontmoeting met een Ar 234 B hij een verrassingsaanval moest uitvoeren, anders kon de straaljager gemakkelijk ontsnappen dank zij zijn superieure snelheid.
          Ondertussen, tijdens de laatste maanden van 1944, was de III./KG 76 uitgerust geworden met de bommenwerperversie van de Ar 234 B te Burg, in de nabijheid van Magdeburg. Op 17 december kreeg Hauptmann Dieter Lukesch, de commandant van 9./KG 76, de opdracht zich met een detachement van 16 vliegtuigen naar het westen te verplaatsen, naar Munster-Handorf, en te beginnen met de operaties ter ondersteuning van de aanval die de Duitsers een paar dagen voorheen hadden gelanceerd in de Ardennen. Op 21 december was het detachement ter plaatse maar het slechte weer, dat alle vliegactiviteiten van de geallieerden verhinderde, verhinderde ook alle acties van de Luftwaffe. Tijdens de twee volgende dagen moesten de Arado's aan de grond blijven.
Opstelling te Burg
Opstelling van een rij Ar 234 B's op het vliegveld van Burg. Winter 1944-45.
(Foto: Fana de l'aviation nr. 329)

Eindelijk, op 24 december, kwamen de Ar 234 B bommen-
werpers voor het eerst in actie. Om 10.14 Hr steeg Lukesch, gevolgd door acht andere bommenwerpers van het detachement, op richting Luik. Elke Ar234 droeg een 500 kg bom onder de romp. De snelle bommenwerpers, die weinig te vrezen hadden van vijandelijke jagers, vlogen met een tussenruimte in indianenpas achter elkaar aan.
          Na het opstijgen zetten zij enkele kilometers koers in noordoostelijke richting om hun vertrekpunt te camoufleren voor het geval ze op vijandelijke jagers zouden stoten. Vervolgens namen ze op een noordwestelijke koers naar hun doel en stegen naar 4.500 m om met kruissnelheid hun vlucht verder te zetten. 35 minuten na het opstijgen zette Lukesch met een lichte duikvlucht naar 2.000 m de aanval in. Hij dropte zijn bommen op een industriegebied, de anderen bestookten de spoorweglijnen van de agglomeratie; boven het doelgebied kregen ze te maken met een zwakke luchtafweer. Na het bombardement bleven de bommenwerper op 2.000 m en zetten in rechte lijn koers naar hun basis. Op de terugweg kruiste Lukesch een Spitfire die door toeval zijn weg kruiste. De Britse piloot, die niet kon weten dat het enige wapen aan boord van het straalvliegtuig het pistool van de piloot was, helde brutaal over en, dook weg om aan de 'aanvaller' te ontsnappen. Alle negen de Ar 234 B kwamen ongedeerd en veilig op hun basis te Münster-Handorf aan waar bij het landen één van de toestellen lichte schade aan een vleugel opliep door moeilijkheden met zijn landingsgestel. De piloot, Unterfeldwebel Ninguth, werd daarbij niet gewond.
          In de namiddag, tijdens een gelijkaardige opdracht tegen hetzelfde doel, leidde Lukesch acht Ar 234B's, die ook deze keer ongeschonden terugkwamen.
          De volgende dag werden er twee verder acties uitgevoerd, iedere keer met acht toestellen, op Luik.
Dieter Lukesch
Hauptmann Dieter Lukesch, commandant van
9./KG 76, leidde het eerste bombardement
van de Ar 234.
          Tijdens de eerste actie, in de ochtend, werden de straalvliegtuigen onderschept door Tempests van No. 80 Sqdn van de RAF. Pilot Officer R. Verran slaagde erin om één van de Arado's te benaderen en vertelde nadien dat hij de linker motor van de Duitse machine had getroffen voordat ze munitie verschoten was. Het handelde zich om de machine van Leutnant Alfred Frank, het toestel moest in Nederland een noodlanding uitvoeren waarbij het vernield werd. Ook hier werd de piloot niet gewond.
          Bij deze opdracht kwam Oberfeldwebel Diaks terug met een motorpanne. Zijn toestel werd beschadigd bij de landing, maar ook hier liep de piloot geen verwondingen op. Bij de terugkeer van de tweede opdracht van die dag kreeg Oberleutnant Friedrich Fendrich een klapband bij het landen, waarbij de neus van zijn toestel licht beschadigd werd.

          De Staffel leed zijn eerste menselijk verlies tijdens een actie uitgevoerd op 27 december. Bij het stijgen om de geallieerde posities bij Neufchâteau aan te vallen kwam Leutnant Erich Dick in een muur van vuur van de luchtafweer en verbrandde in de vlammen die zijn toestel vernietigden.
          In de daaropvolgende dagen werden de acties met een zelfde tempo voortgezet, voor zover het weer dit toeliet. Tijdens deze eerste opdrachten werden alle aanvallen van de Arado's uitgevoerd vanuit een lichte duikaanval. Lukesch was geen voorstander van een horizontaal bombardement van op grote hoogte en voerde deze ook nooit uit, indien hij er door de omstandigheden werd toe gedwongen.
          "Tijdens een dergelijke aanval had de piloot geen zicht naar achter; hij was steeds bezorgd om niet bij verrassing door een vijandelijke jager aangevallen te worden; een jager kon na een duikvlucht van 1.000 of 2.000 m onze snelheid halen, zeker wanneer we nog met bommen waren beladen. Bovendien was een horizontale vlucht in rechte lijn over een lange afstand een uitnodiging voor de luchtafweer... de enige rechtvaardiging voor zo een aanval op grote hoogte was de actieradius maar alle doelen die we aanvielen waren genoeg dichtbij gelegen om op middelbare hoogte te kunnen aanvallen".

          Bij het krieken van de dageraad op 1 januari 1945 leidde Lukesch vier Ar 234 B's voor het eerste nachtbombardement uitgevoerd door straalvliegtuigen. In feite was dit geen 'echte' aanval maar een vlucht die tot doel had de vijand te misleiden in plaats van schade toe te brengen. De toestellen vertrokken vanaf Münster-Handorf en volgde een koers die hen over Rotterdam, Antwerpen, Brussel, Luik en Köln terug naar hun basis leidde. Het principiële doel van deze actie was het waarnemen van de weersevolutie boven België en Nederland vóór het begin van Operation Bodenplatte, de massieve aanval op de geallieerde vliegvelden door de Luftwaffe die voorzien was voor de vroege ochtend. De Ar 234B's dropten hun bommen op Brussel en Luik om het werkelijke doel van hun opdracht te camoufleren.
          
Lukesch met zijn toestel
Lukesch, op de neus van zijn Ar 234 gezeten, wordt met grondpersoneel op
Burg naar zijn startpositie gesleept door een Kettenkrad. (Foto: Archief KG 76)
Wat later in de ochtend leidde Oberleutnant Artur Stark, de plaatsvervanger van Lukesch, zes Ar 234B's tegen het Britse vliegveld van Gilze-Rijen in Nederland. Voor deze opdracht was elke bommenwerper uitgerust met een enkele container AB500 die geladen was met 25 anti-personeel bommen van 15 kg.
          Voor de rest van de maand januari bepaalde het weer de acties. Na 1 januari konden de Arado's slechts vier keer aanvallen, op 2 januari een aanval op Luik, op 14 januari een aanval op Bastenaken, op 20 en 24 januari iedere keer een aanval op Antwerpen. Op de getalsterkte van het OKL van 10 januari 1945 stonden er amper 17 Ar 234B's vermeld die bij operationele eenheden actief waren. Deze waren:

Op dit tijdstip werden de I./KG 76 en de rest van III./KG 76 met de Ar 234 uitgerust, maar geen enkele van deze eenheden kon een actie uitvoeren met een effectief die de getalsterkte van een Gruppe benaderde Zelfs wanneer men rekening hield met alle vliegtuigen die aan deze eenheden waren toegewezen was het duidelijk dat slechts een klein deel van de 148 Ar 234's die tegen het einde van 1944 aan de Luftwaffe waren geleverd in dienst was gegaan. Zoals voor de Me 262 liep ook hier de oprichting van Ar 234-eenheden veel vertraging op door het ononderbroken geallieerd luchtoffensief tegen het Duitse weg- en spoorwegtransport (waarbij zelfs allé,én rijdende voertuigen werden aangevallen).
          Zoals de andere straalvliegtuigen was de Ar 234 het meest kwetsbaar tijdens het opstijgen en het landen. Major Hans-Georg Bätcher, commandant van III./KG 76, herinnerde zich nog de dag waarop hij naar zijn basis te Achmer terugkwam en boven het vliegveld de lucht vol was met geallieerde en Duitse jagers; "... en de onpartijdige Flak-artilleristen die op alles vuurden wat vloog".
          Daar hij nog slechts over weinig brandstof beschikte bestond er voor Bätcher geen andere mogelijkheid dan zo snel mogelijk te landen. Aan een snelheid van 400 km/u liet hij zijn landingsgestel zakken waardoor zijn snelheid minderde tot 350 km/u, dan stelde hij de landingskleppen in. Met een snelheid van 280 km/u zette hij zijn toestel aan de grond en maakte onmiddellijk zijn remparachute los. Deze handeling gebeurde echter te brutaal voor het linker wiel en de band uit synthetisch rubber sprong kapot.
Bätcher tijdens een bespreking
Major Bätcher tijdens de startvoorbereidingen.
Het toestel pivoteerde van de piste af en schoot over de grasvlakte daarnaast. Bätcher was enorm geschrokken maar had toch meer geleden onder de schrik dan van de pijn.
          Tegen het einde van de derde week van januari was de volledige III./KG 76 overgeschakeld op de Ar 234. Op 23 januari stegen 18 Ar 234's van de 7. En 8./KG 76 op en begaven zich naar Achmer, hun nieuwe operationele basis. Maar toen de toestellen boven het vliegveld verschenen doken er Spitfires van No. 401 (Canadian) Sqdn op hen neer. In het verwarde gevecht dat daarop volgde schoten de Spitfires drie Arado's neer en beschadigden er twee. Twee Duitse piloten waren gedood.

          De volgende aanval van III./KG 76, op 16 februari, werd gekenmerkt door het aantal vliegtuigen dat er aan deelnam: er waren twee aanvallen voorzien tegen de Brits troepen in de buurt van Kleve, beide aanvallen iedere keer uitgevoerd door 16 toestellen. Op 21 februari totaliseerde de Gruppe het grootste aantal vluchten die op één dag werden uitgevoerd - 37 – eveneens tegen de Britse troepen maar nu in de buurt van Aachen. Andere acties met gelijkaardige effectieven werden nog tot in maart uitgevoerd.

Op 7 maart werd de volledige defensieve strategie van de Duitsers in het Westen in vraag gesteld, de Amerikanen hadden bij verrassing de Ludendorfbrug over de Rijn in Remagen in handen gekregen. De brug was wel erg beschadigd geworden door explosies van springladingen die door de Duitse genie waren geplaatst, maar ze bleef nog bruikbaar.
          De verovering van deze brug betekende een bres in de linie van natuurlijke defensieve hindernissen in het westen.
          Tijdens bijna de ganse week na de verovering van de brug van Remagen werd deze beschermd door een laaghangende bewolking die precisie-aanvallen van op lage hoogte door bommenwerpers en duikbommenwerpers verhinderde. Op 9 maart vielen drie Ar 234 de brug aan die nu verdedigd werd door een steeds sterker wordende luchtafweer: één van de bommenwerpers werd neergehaald. Deze aanval bracht geen beschadigingen van betekenis aan de brug aan, niet méér dan een andere aanval door twee Arado's die twee dagen later werd uitgevoerd. Op 12 maart pasten de een andere tactiek toe. Gedurende de ganse dag, er werden 18 vluchten tegen de brug uitgevoerd, werd de brug door alleen vliegende straalbommenwerpers aangevallen. Deze voerden hun aanvallen uit op een hoogte tussen de 5.000 en 4.000 m door middel van radio-navigatie of blind. Ook deze aanvallen, evenals 19 andere tijdens de volgende dag, konden de brug uitschakelen. Op 14 maart was de bewolking opgetrokken en heerste er een blauwe lucht boven Remagen. Onmiddellijk werden er Britse en Amerikaanse jagers in de lucht gestuurd die een permanente patrouille onderhielden op alle hoogtes. 11 Arado's stegen op voor een aanval, maar daar ze het doel naderden op een hoogte voor het uitvoeren voor een lichte duikaanval konden zich de geallieerde jagers op hen neerduiken. Na een serie aanvallen met hoge snelheid waren er vier Arado's neergehaald. En de brug was nog steeds gebruiksklaar.
 Ar 234 B als bommenwerper
Op deze foto is duidelijk te zien dat de Ar 234 als bommenwerper
maar een klein en slank vliegtuig was.
          Van toen af hadden de verdedigers de slag verloren die moest verhinderen dat de geallieerden een sterk bruggenhoofd opbouwden op de rechteroever van de Rijn. Op 17 maart verdween de brug, die reeds gehavend was door de sprengladingen en toch ook te lijden had gehad onder de luchtbombardementen, in de rivier. Ondertussen hadden de Amerikaanse genietroepen echter naast de oude brug een noodbrug aangelegd en het gros van de geallieerde troepen kon verder naar het oosten oprukken, ongehinderd. Na de gevechten bij Remagen zetten de straalbommenwerpers hun acties tegen de vijandelijke posities, voertuigen en andere militaire doelen terug voort. Op 19 maart vlogen vier Arado's tegen doelen in de omtrek van Brussel. Leutnant Croissant viel Melsbroek aan met AB 500 fragmentatiebommen en bracht lichte schade toe aan toestellen van No. 616 Sqdn RAF. Na de aanval stegen verschillende geallieerde jagers op in een poging om de aanvaller te onderscheppen maar deze slaagde er gemakkelijk in om aan zijn achtervolgers te ontsnappen.

          Sinds september 1944 hadden de Ar 234 B's regelmatig fotoverkenningen uitgevoerd boven geallieerde posities en hadden daarbij over het algemeen geen weerstand ondervonden.
          Bij het begin van 1945 had het Kommando Sperling van Götz de getalsterkte van een Staffel en werd de 1.Staffel van Fernaufklärungsgruppe 123 Twee andere Staffeln waren respectievelijk aan FAGr 100 en FAGr 33 toegewezen. Erich Sommer had ondertussen zijn eigen Kommando Sommer dat met de Ar 234B was uitgerust en operationeel werd aan het front in Italië.

Zes maand na het in dienst nemen van het type, op 11 februari 1945, werd een eerste Ar 234 verkenner door een vijandelijke jager neergehaald. Op deze dag, toen Sqdn.Ldr. Fairbanks met acht Tempests van No. 274 Sqdn een bewapende ui voerde verkenning merkte hij een alleenvliegend straalvliegtuig op dat hij voor een Me 262 aanzag. Na een lange achtervolging werd het toestel aangevallen en neergeschoten toen het vertraagde om op Rheine te landen.
          In feite was dit toestel een Ar 234B van de eenheid van Götz, de piloot was Hauptmann Hans Felden die terugkwam van en fotoverkenning boven de haven van Hull. Felden werd gedood toen het toestel neerstortte.
          Het Kommando Sommer, dat in Udine in Italië wad gestationeerd, leed op 11 april zijn eerste menselijk verlies. Leutnat Günter Gneismer was alleen op verkenning geweest toen hij boven Boulogne het ongeluk had een formatie bommenwerpers kwam te treffen die begeleid werden door P-51 Mustangs van de 52nd Fighter Group. De Lieutenants Hull en Cooper slaagden erin om zich in een goede schietpositie te manoeuvreren en het toestel neer te halen. Gneismer slaagde erin het toestel te verlaten maar sloeg daarbij tegen het staartstuk van zijn toestel en werd ernstig gewond. Hij kwam neer in niemandsland, werd door Duitse troepen opgevangen maar stierf twee of drie dagen later in het hospitaal.

          In het begin van 1945 werden er naast de verkenners- en bommenwerperversies ook enkele Ar 234B's gemodificeerd tot nachtjagers. Zij werden uitgerust met een FuG 218 Neptun, met de antennes op de neus. De radaroperator was ondergebracht in een geïmproviseerde post achter in de romp, achter de vleugels.
          De Ar 234 B nachtjager droeg een bewapening die bestond uit twee kanonnen MG 151/20 in een gondel onder de romp. Aanvankelijk werd een eenheid ad-hoc gecommandeerd door Hauptmann Bisping die het leven verloor tijdens een vliegongeluk: hij werd opgevolgd door Hauptmann Kurt Bonow. Tegen eind maart 1945 waren een paar van deze Ar 234 B nachtjagers in dienst bij het Kommando Bonow. Deze toestellen, onvoldoende bewapend om het tegen de bommenwerpers te kunnen opnemen, hebben nooit een nachtoverwinning behaald. Op 10 april 1945, datum van de laatste beschikbare statistieken, stonden er 34 Ar 234's gerapporteerd bij de operationele eenheden, deze waren:

Tegen het einde van de oorlog was de Ar 234C, aangedreven door vier BMW 109-003 motoren met elk 790 kg stuwkracht, voorzien om in massa te worden geproduceerd. Dank zij de bijkomende stuwkracht konden deze toestellen op volle kracht vanaf hun vliegvelden opstijgen zonder nog de startraketten nodig te hebben. Peter Kappus, een burgerlijk testpiloot van BMW vloog de Ar 234 C en herinnert zich: " De Ar 234 C viermotor bezat bij het opstijgen en het stijgen prestaties die enorm verbeterd waren, maar hij mocht in het horizontale vlak niet op volle kracht gevlogen worden want bij zeer hoge snelheden ondervond het toestel problemen door trillingen." Zelfs in 1945 waren de problemen bij het ontwikkelen van de BMW 003 nog steeds niet volledig opgelost. Op 29 maart 1945 te Burg kreeg het Kappus aan boord van het 15de prototype, een toestel uitgerust met twee BMW 003"s 'zeer warm'. Hij was juist opgestegen toen: " Ik merkte plotseling dat het geluid van de motor zeer sterk was geworden, het herinnerde mij aan het overslaan van een motor. Ik moest na een blik op de toerenteller vaststellen dat motor nr. 2 aan 11.000 toeren draaide. Instinctief minderde ik gas. Dan realiseerde ik het mij en kwam tot de conclusie dat bij zo een hoog toerental (9.600 t/min waren het toegelaten maximum) de motor onvermijdelijk zijn de schoepen van de turbine en de compressor zou vernietigen. Het was onmogelijk dat de motor zo snel draaide en, zoals het toestel vloog met nog ' alles neergelaten' (kleppen en landingsgestel), duwde de gashendel in volle vertrouwen terug voorwaarts om nog een ronde rond het vliegveld te vliegen. Dit was een grote vergissing."
Ar 234 C
Buitgemaakt op München-Riem (nu München Internationale
Flughaven) eind april 1945 door Amerikaanse troepen.
De C-03 draagt het fabrieksnummer 006. De Cäsar was de enige
vliegwaardige viermotorige straaljager die in handen van de
Westelijke geallieerden viel. Deze versie ging juist in productie
toen de oorlog beëindigd werd.
(Foto: via de German Aviation Research Group of Air-Britain)
          De motor vatte onmiddellijk vuur en er werd een rookpluim gevormd die groter was dan het toestel zelf waardoor Kappus niets meer kon zien. Hij kon toch zonder ongelukken zijn vlucht afbreken en het toestel aan de grond zetten. De vrachtwagen van de hulpdiensten stopte naast het toestel terwijl de brandweer de motor met hun brandblussers onderspoten. Eens hij de cockpit verlaten had keek Kappus met de schrik in de lenden naar de linker motor die al zijn schoepen en zijn luchtinlaat verloren was. De schoepen waren in alle richtingen weggeslingerd geworden en hadden daarbij een klep afgeslagen. Iets later werd er vastgesteld dat de toerenteller gans de tijd de juiste gegevens had aangegeven! Tijdens het onderzoek van het ongeval werd er vastgesteld dat de as van de brandstofregulator, die de hoeveelheid brandstoftoevoer regelde, steeds meer en meer brandstof naar de verbrandingskamer had toegevoerd totdat de controle over de motor verloren ging. Kappus was mooi aan de dood ontsnapt. Enkele ogenblikken later had het vuur de besturingsystemen van het vliegtuig vernietigd.

          In maart 1945 overrompelden de Russen Alt-Lönnewitz. De fabriek van Arado was in de lucht geblazen om te verhinderen dat ze in Sovjet-handen viel. Toen de productie van de Ar 234 werd stopgezet waren er 210 Ar 234B's en 14 Ar 234C's aan de Luftwaffe afgeleverd. Nadat de productie reeds was stilgelegd zetten de Arado's hun operaties nog een paar weken voort. Op 5 april werden de resterende Ar 234's van KG 76 overgebracht naar Kaltenkirchen, in de buurt van Hamburg. Ondanks de toenemende druk van de geallieerde jagers gingen de Arado's door met het uitvoeren van hun opdrachten; nu zowel tegen het oosten als tegen het westen. In het logboek van de eenheid staan ook deze laatste opdrachten vermeld:

 

 

Ondanks de moed van de piloten die op de Ar 234 vlogen heeft het toestel geen grote resultaten als bommenwerper behaald. Zeker bracht zijn snelheid een zekere vorm van onkwetsbaarheid voort tegenover de vijandelijke jagers, maar dit alleen was niet voldoende om een ommekeer in de oorlogsvoering teweeg te brengen. Het doel van hun aanvallen was het vernietigen van doelwitten, maar er waren nooit genoeg Arado's beschikbaar om dit doel te bereiken. Zelfs tijdens de grootste numerieke aanval, bij één enkele actie, op 27 februari met 37 toestellen die tezamen 18,5 ton bommen dropten, was niet meer dan een speldenprik voor de goed verspreide vijandelijke troepen. De geallieerde bommenwerpers voerden een veelvoud van deze bommenlast met zich, zelfs tegen secundaire doelen. Ook als nachtjager kon de Ar 234 zijn capaciteiten niet tot uiting brengen. Als verkenner bracht de Ar 234 echter steeds de allerlaatste nieuwe posities en vorderingen van de vijand in beeld zodat de Duitsers steeds over de recentste situatiegegevens konden beschikken.
          De ironie van het geheel was dat de Duitse Luftwaffe over de beste toestellen beschikte maar niet over de mogelijkheden om ze in te zetten.

Bron: Fana de l' Aviation nr. 329 (Alfred Price)
Das Waffen-Arsenal Band 61 'Die Ersten Strahlbomber der Welt'

Top
TOP

Arado Ar 234 Blitz

Arado Ar 234 bommenwerper

Arado BMW 109-003 straalmotor foto's

Back to Luftwaffe  ---- Update okt 2006 Go to RAF  ----  Update 13 jan 2003 Go to USAAF ---  Update apr 2002


Best Aviation Sites
Best Aviation Sites
Best Aviation SitesBest Aviation SitesAwarded to quality aviation information websitesBest Aviation Sites
Best Aviation SitesBest Aviation Sites
Best Aviation Sites

Valid HTML 4.0 Transitional

Informatie

email

Gastenboek

http://www.luchtoorlog.be